Home Wat moeten we aan met blind natuurgeweld?

Wat moeten we aan met blind natuurgeweld?

Door Rutger Claassen op 03 oktober 2005

08-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

Het ontredderde 'waarom?' komt het eerste over de lippen na een natuurramp als die in New Orleans. Maar daarna doemen er allerlei morele vragen en politieke kwesties op. Mag je plunderen? En hoe ver moet de overheid gaan om haar burgers te beschermen?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Uitzonderlijke gebeurtenissen stimuleren ons de grenzen op te zoeken van onze gebruikelijke interpretaties. De wereld, wijzelf en onze samenleving komen opeens in een ander daglicht te staan – verwondering wordt met één slag tot leven gewekt. Een natuurramp is zo’n uitzonderlijke gebeurtenis. De schok die het natuurgeweld teweeg brengt, allereerst een tragedie voor iedereen die haar ondergaat, forceert dringende en moeilijke vragen. Zo ook in het geval van de Amerikaanse orkaan Katrina.
 
Het ontredderde ‘waarom?’ is van oudsher de eerste vraag die bij een natuurramp op ieders lippen komt. De bekendste filosofische uitspraak naar aanleiding van een natuurramp is waarschijnlijk die van de filosoof Pangloss in Voltaire’s Candide, die na de verwoestende aardbeving van Lissabon (1755) bleef volhouden dat deze wereld ‘de beste van alle mogelijke werelden is.’ Dat is een rechtstreeks verwijzing naar Leibniz, die eerder had betoogd dat God de beste van alle mogelijke werelden heeft geschapen. In onze geseculariseerde samenleving zijn er echter nog maar weinigen die natuurrampen zullen zien als een onderdeel van een perfecte schepping.

Ook de opvatting dat natuurrampen de straf van (een) God zijn, is uit de mode geraakt. Liever geloven wij – als we al geloven – in Gods machteloze Goedheid dan in een wrede Almacht die moedwillig onschuldige mensen straft. Geen enkel rationeel persoon heeft beweerd dat God losbandige toeristen aan Aziatische stranden wilde straffen, of de Amerikanen wilde dwarsbomen door hun olie-installaties aan de Mexicaanse Golf te ontmantelen. De natuur heeft toegeslagen, zonder reden. De traditionele vraag ‘waarom?’ (waarom ik? waarom zij?) klinkt nu dan ook meer als een gebed, gepreveld uit dubbele wanhoop – we weten niet waarom en we weten niet eens of er wel een waarom is. Een gebed, zonder adressant de kosmos in geslingerd, want het is de blinde natuur die heeft toegeslagen. Het is waarschijnlijk daarom dat deze traditionele metafysische vraag – deze wens om een verklaring te bemachtigen die zin geeft aan het gebeurde en zo troost biedt – zo weinig aandacht krijgt in de verslagen van moderne natuurrampen. Debatteerde de achttiende eeuw nog heftig over het waarom van de aardbeving in Lissabon, bij de moderne natuurramp is deze vraag uit het publieke domein verdreven. Met het geloof in de blindheid van de natuur is het inpassen van de nieuwe werkelijkheid in ons leven een privé-aangelegenheid geworden.

Vervanging
Misschien is de moderne opvatting binnenkort wel aan vervanging toe. Na de orkaan Katrina rezen in Amerika debatten over de vraag of de opwarming van de aarde (mede) debet is aan de instabiliteit van het klimaat in die regio. In Nederland verschenen eerder dit jaar alarmerende reportages over de ramp die ons te wachten zou kunnen staan door de stijgende zeespiegel. Zouden we zo’n eventuele ramp nog ‘natuurramp’ mogen noemen? Wellicht sterft de categorie natuurramp in de toekomst wel uit: er is geen ramp zo natuurlijk of de overijverige mens heeft er – direct of indirect – in één van zijn vele activiteiten op deze aardkorst aan bijgedragen. Waar de natuurramp eerst door de toorn van de goden werd verklaard, en vervolgens door de blinde natuur, moeten wij dan in een derde stadium haar aan onszelf toeschrijven. De ironie daarvan is dat de menselijk hoogmoed die in het eerste stadium de morele aanleiding vormde voor Gods straf, dan de causale aanleiding zal vormen voor een dergelijk onheil. Wij wilden zonodig schadelijke gassen uitstoten – en de zeespiegel steeg. Wij wilden zonodig skiën op verlaten berghellingen – en de lawines overvielen ons. Net zoals Adam en Eva uit het paradijs werden verdreven door hun verlangen naar de vruchten van de boom der kennis, zo zullen wij dan worden verdreven door onze eigen exploitatie van de vruchten van deze aarde.

Het gunstige neveneffect van zo’n ontwikkeling is dat wij dan eindelijk weer iemand de schuld kunnen geven – ook al is het onszelf. Dat kanaliseert de energie die door de metafysische ‘waarom’-vraag vrijkomt, een fenomeen dat nu al optreedt bij natuurrampen. Alle aandacht gaat uit naar de falende preventie vooraf en de falende hulpverlening achteraf. Het menselijk (on)vermogen in te grijpen staat in het middelpunt van de belangstelling.  

Waar de discussie in de media ook niet over ging, is over de morele dilemma’s waarin mensen bij natuurrampen terechtkomen. Filosofen zijn daar van oudsher dol op. Zo debatteerde de Romeinse wereld over de vraag of het toegestaan is na een schipbreuk het enige stuk wrakhout voor jezelf op te eisen, ten koste van een andere overlevende (de meesten meenden destijds van wel. Onze tijd vleit zich met de romantische zelfopoffering van Leonardo di Caprio in Titanic). Het dilemma van New Orleans is subtieler. De meeste mensen die niet op tijd uit de stad konden vluchten, hadden geen auto’s. Het is echter onwaarschijnlijk (zeker gezien de grootte van Amerikaanse auto’s) dat er principieel onvoldoende vervoer was om iedereen te evacueren. In de leeglopende stad was het ieder voor zich. Wat is in zo’n geval eigenlijk de moreel juiste handelingswijze? Ben je verplicht om je buurman mee te nemen, ook als je daarom je waardevolle spullen moet achterlaten in het ten dode opgeschreven huis? Maakt het iets uit of je hem graag mag of juist een hekel aan hem hebt? Of hij uitdrukkelijk naar je toekomt of dat je zijn hulpbehoevendheid alleen maar vermoedt? En is het een verplichting om zo iets te doen, of alleen maar een prijzenswaardige gunst? En zijn de bewoners van de nabijgelegen buurstaten verplicht de ontredderden op te vangen? Of hebben zij recht op de redenering dat wie vrijwillig zo laag onder de zeespiegel gaat wonen, het dan ook zelf maar moet uitzoeken als het misgaat?

Anonimiteit
Dergelijke morele dilemma’s zijn belangrijk en velen zullen zich erdoor gekweld hebben gevoeld. Maar vanuit een breder perspectief heeft het niet zoveel zin te constateren dat velen niet handelden naar hun morele plicht. Het morele dilemma is minder belangrijk dan de sociale condities die haar in het leven roepen. De anonimiteit van een grote stad is logischerwijze de voornaamste conditie, die maakt dat het gemakkelijk is morele plichten te negeren (of komen ze daardoor helemaal niet tot stand?). Om die in moderne tijden onvermijdelijke anonimiteit te overwinnen, is adequate organisatie nodig (hier dus het organiseren van vervoer). Daarmee verschuift echter de morele last niet automatisch naar de overheid: ook van burgers zelf zou een initiatief tot organisatie uit kunnen gaan. De sociale condities achteraf waren wat dat betreft gunstiger om spontaan morele plichten te vervullen. Net als na de Aziatische tsunami was de hulp in de buurstaten van Louisiana snel en ruimhartig. Daar ligt het morele probleem niet. De meer fundamentele oorzaak van veel van de ellende die natuurrampen aanrichten, willen we echter maar zelden aanpakken. In Azië net als in New Orleans is die fundamentele oorzaak armoede. Structurele verbeteringen op dat terrein kunnen alleen tot stand komen als wij instituties oprichten die zich daarop toeleggen. Want incidentele hulp vergt slechts medelijden en barmhartigheid als katalysator, terwijl zulk meeleven met onbekenden normaal gesproken niet op te brengen is. Structurele hulp vergt daarom outsourcing van onze morele intenties.

Een laatste moreel dilemma dat uitgebreid bediscussieerd werd in de Amerikaanse media was de vraag of het de achterblijvers in New Orleans toegestaan was te plunderen en stelen uit de verlaten winkels. De hardliners, vaak van christelijke huize, meenden van niet; terwijl anderen meenden dat de orkaan de normale morele wetten buitenspel had gezet. De nijpende schaarste betekende een tijdelijke terugkeer van de wrede natuurstaat van Thomas Hobbes  (‘de oorlog van allen tegen allen’) waarin alles geoorloofd is. Al gauw loste dit debat zich op in de conclusie dat voor het overleven noodzakelijke items (voedsel, medicijnen) wél, de rest niet mag worden gestolen.

De tegenwoordig meest gestelde vraag na elke natuurramp is die naar de verantwoordelijkheid van de overheid. Principieel is de vraag hoe ver de overheid mag gaan om haar burgers te beschermen. Mag zij haar burgers bijvoorbeeld tegen hun wil in dwingen om te vertrekken uit het rampgebied? Net als bij eerdere orkanen waren er ook nu weer veel mensen die liever bleven dan gingen. Zeker in Amerika wordt een paternalistische overheid niet op prijs gesteld, dus werd deze wens gerespecteerd. Een rechtvaardiging van paternalistisch optreden is echter zeer wel denkbaar, namelijk in die gevallen dat degene die optreedt daadwerkelijk beter weet wat goed is voor degene tegen wie hij optreedt dan die laatste zelf (zoals we bijvoorbeeld ook bij ouders en kinderen aannemen). Dit criterium levert in het concrete geval van Katrina nogal wat moeilijkheden op. Normaal gesproken is het aannemelijk dat de overheid over een beter inzicht beschikt in de koers, kracht en gevaren van een naderende orkaan dan individuele bewoners. Op grond daarvan zou zij dan gemachtigd zijn iedereen te evacueren. Maar in New Orleans zat de overheid er op alle fronten volledig naast, wat er juist toe leidde níet te evacueren waar dat wel had gemoeten. Hier was dus eerder sprake van een tekort dan een teveel aan paternalisme.

Merkteken
Dat was overigens niet overal het geval. Een opmerkelijk bericht in de New York Times maakt melding van het feit dat de plaatselijke autoriteiten van de kuststreek rondom New Orleans een goedwerkend rampenplan hadden. Bij alle bewoners werd aangebeld en verzocht te vertrekken maar wie weigerde werd vriendelijk gevraagd een watervast merkteken op het lichaam te laten aanbrengen: zodat het gemakkelijker zou zijn hun lijk te identificeren… Deze ‘Magical Marker Strategy’ zou ook in New Orleans veel levens hebben kunnen redden. Zij toont aan dat zachtere vormen van dwang minstens zo effectief kunnen zijn als de klassieke paternalistische dwang. In feite zijn beide strategieën een vorm van ‘collectieve zelfbinding’. Omdat we weten dat wij op cruciale momenten verkeerde inschattingen kunnen maken, geven we anderen van tevoren een mandaat om ons in die situaties te overtuigen of zelfs te dwingen naar hun inzicht te handelen. Van deze situatie moet overigens onderscheiden worden wat zich in New Orleans voordeed ná de ramp. Toen moesten alsnog de overgebleven bewoners worden geëvacueerd – ditmaal niet alleen om hun leven te redden maar ook om de uitbraak van besmettelijke ziekten te voorkomen. De klassiek liberale rechtvaardiging (overheidsingrijpen is gelegitimeerd als iemand anderen dreigt schade te berokkenen) doet hier zijn werk, zodat van paternalisme überhaupt geen sprake kan zijn.

De meest indringende politieke vragen gingen uiteindelijk niet over de principiële vrijheid van burgers maar over organisatorisch falen; over politieke prioriteiten en de taken van de (federale) overheid. Het is gemakkelijk de Amerikaanse regering te beschuldigen – maar hoe goed zijn wij in Nederland voorbereid op een ramp? Hoe goed kun je je eigenlijk voorbereiden op een ramp? Het geeft te denken dat er maar weinig rampen zijn waarbij na afloop niet menselijk falen op grote schaal geconstateerd wordt. Wellicht zijn onze verwachtingen te hoog gespannen? Het steeds in hoogste staat van paraatheid zijn, het elke dag voorbereid zijn op het allerergste, waarvan de contouren – ja de komst überhaupt – onzeker is; dat vergt veel van een samenleving. Is het misschien niet beter zo nu en dan een ramp te incasseren in plaats van ons te laten beheersen door de permanente dreiging van het onwaarschijnlijke? De vraag stellen is vloeken in de kerk van de menselijke maakbaarheid, maar toch… Er zijn zoveel rampen die zich kúnnen voltrekken (een wereldwijde  epidemie, een aanval met biologische wapens, et cetera) dat een adequate voorbereiding op al die rampen ons systeem al snel zou overbelasten. In de Indische Oceaan is een zeer kostbaar tsunami-waarschuwingssysteem geïnstalleerd dat al tientallen valse waarschuwingen heeft afgegeven. Logisch, want eenzelfde tsunami maken we statistisch gezien slechts eens in de zoveel duidend jaar mee. Zijn dergelijke voorzorgsmaatregelen dan nog rationeel? Tot de tanden bewapend tegen alle vormen van noodlot waarmee we toevallig recente ervaring hebben, wachten we verkrampt en gespannen af. En uiteindelijk worden we dan toch weer overvallen: door iets dat we nog niet eerder hadden meegemaakt.

Rutger Claassen is filosoof en auteur van Het eeuwig Tekort (2004). Hij verblijft momenteel enige maanden aan de University of Michigan in de Verenigde Staten.