Home ‘Vrijheid is nooit vanzelfsprekend’

‘Vrijheid is nooit vanzelfsprekend’

Elk tijdperk moet zijn eigen vorm van vrijheid scheppen, stelt John Stuart Mill in het anderhalve eeuw geleden verschenen Over vrijheid. Die opvatting maakt dat de liberale klassieker ook in actuele discussies nog een grote rol speelt, zoals drie opiniemakers hier laten zien.

Door Anton de Wit op 19 juni 2009

‘Vrijheid is nooit vanzelfsprekend’ foto Dolph Catrijn
06-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

Dirk Verhofstadt

Publicist en kernlid van de liberale denktank Liberales
Over vrijheid is in de 150 jaar sinds de eerste verschijning nooit uit de boekhandel geweest. Het heeft altijd mensen geïnspireerd, en ik denk dat het ook vandaag de dag nog bijzonder actueel is. We zien in onze tijd een opleving van de tegenstanders van het vrijheidsprincipe. Kijk naar fundamentalistische vormen van religie, waarbinnen vrijheid een loos begrip is. Maar ook onze eigen overheden bleken na de terroristische aanslagen in het Westen bereid te zijn te snoeien in rechten en vrijheden, enkel om een schijn van veiligheid te creëren. Mensen staan daar niet zo lang bij stil, ze accepteren het veel te snel. Op economisch vlak zie je eveneens maatregelen die weinig te maken hebben met vrijheid en vrijhandel. Overheden kiezen voor nationalisme en protectionisme om de crisis te bezweren. Over vrijheid kan opnieuw een inspiratiebron zijn voor mensen die bij dat alles vraagtekens plaatsen.’

John Stuart Mill heeft getracht zijn definitie van vrijheid zo eenvoudig mogelijk te houden, en kwam met een formulering die nog steeds als de kern van het liberalisme opgevat mag worden: je bent geheel vrij voor zover je anderen geen schade toebrengt. Dat is het. Natuurlijk, dat levert moeilijke vragen op. Want wat verstaan we dan precies onder schade aan anderen? Mill zegt daar maar weinig over. Bewust, denk ik, zodat we de discussie daarover telkens opnieuw kunnen voeren. Zo blijven we alert. De balans van vrijheid kan niet naar de ene noch naar de andere kant doorslaan. Mills vrijheidsopvatting is radicaal, maar hij bedoelde ook niet te zeggen dat alles mag. Absolute vrijheid is een vals ideaal. Het heeft weinig betekenis om tegen iemand die zonder eten, drinken of kompas door de woestijn kruipt te zeggen: ‘‘Je bent vrij.’’ Evenmin kun je dat tegen een kind van vier zeggen. Vrijheid is iets wat je voortdurend mogelijk moet maken; je moet mensen in staat stellen hun eigen keuzes te maken. Daar hoort ook zorg bij voor zieken, ouderen, gehandicapten. En goed onderwijs, waar Mill ook veel nadruk op legt. Pas dankzij een goede vorming kun je als autonoom individu optimaal beslissingen nemen.’

‘Velen in het Westen zijn geneigd vrijheid voor lief te nemen. De meesten van ons zijn geboren na de Tweede Wereldoorlog, en we hebben nooit een gebrek aan vrijheid ervaren. Maar vrijheid is nooit vanzelfsprekend, ook dat kunnen we van Mill leren. Nadat Naima El Bezaz de roman De verstotene had geschreven, werd zijzelf zo ongeveer verstoten door de Marokkaanse gemeenschap. Of denk aan wat er met Ehsan Jami gebeurde nadat hij de islam de rug had toegekeerd. We kunnen daar niet van wegkijken.

Ik weet dat het utopisch klinkt, maar ik zou dit durven beweren: zolang nog niet iedereen vrij is, is feitelijk niemand vrij maar hebben we slechts voorrechten. We moeten ons blijven inzetten voor de vrijheid waar Mill het al over had.’

Naema Tahir

Schrijver en jurist
‘John Stuart Mill was een vroege feminist. In de victoriaanse tijd waarin hij leefde, waren zijn standpunten radicaal. Het huwelijk beschreef hij als een vorm van slavernij. Toen hij zelf trouwde, met Harriet Taylor, heeft hij een soort huwelijkse akte laten opstellen waarin hij zijn wettelijke heerschappij over haar geheel liet varen. Onderwerping van vrouwen noemde hij monsterlijk. Als parlementslid heeft hij zich sterk gemaakt voor vrouwenkiesrecht, al haalde het wetsvoorstel dat hij daartoe indiende het net niet. Hij was zijn tijd dus ver vooruit.’

‘Inmiddels is er hier in het Westen overal vrouwenkiesrecht, er is een grotere gelijkheid. Je zou kunnen denken dat Mill daarom niet meer relevant is, of alleen nog maar voor allochtone vrouwen, voor moslima’s. En natuurlijk, zij moeten de vrijheid waar Mill over spreekt nog bevechten. Maar ik zeg: hij is niet alleen relevant voor hen, maar ook voor westerse vrouwen die de invloed van de feministische golven wél hebben ervaren. Zij hebben geëxperimenteerd met gelijkheid, gelijke normen, gelijke kansen. Maar wat is het resultaat? De verhouding tussen mannen en vrouwen op de werkvloer is lang niet overal fifty-fifty. Is dat discriminatie, of iets anders? Ik denk dat laatste.

Lang is de vraag of er natuurlijke verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan taboe geweest bij feministen. Ook Mill had kritiek op die veronderstelling, maar hij zei ook dat het de moeilijkste vraag was. We weten niet of er verschil is, zei hij, want dat is nooit onderzocht. Inmiddels is dat wel onderzocht, en uit die onderzoeken blijkt dat er wel degelijk verschil bestaat. Vrouwen hebben andere ambities, ambiëren andere dingen op zo’n beetje alle terreinen –liefde, studie, werk.’

‘“Hun gaven”, zo schreef Mill over vrouwen, “die kent niemand, niets eens zijzelf, omdat de meeste ervan nooit aan het licht zijn gekomen.” Een vrouw die onder de macht van de man staat, toont niet noodzakelijkerwijs haar beste kanten, maar de kanten waarvan zij denkt dat die hem het meest behagen. Als zij vrij is, zal ze eerlijker zijn, eerlijker laten zien wie ze echt is, wat haar kwaliteiten zijn. Dan kan ze tot haar recht komen.

Is de macht van de man echt weg? Is de ongelijkheid weg? Ik denk het niet, en dat komt vooral doordat de vrouw geen vrouw is gebleven, maar de man is gaan nadoen in zijn ambities. Er zijn vrouwen die willen trouwen, vrouwen die graag kinderen hebben, vrouwen die een carrière willen, vrouwen die pas na hun veertigste willen werken. Er is zo’n enorme diversiteit, daar is geen beleid op te voeren. Als Mill nu zou leven, zou hij zeggen: ‘‘Wij hebben niet één feminisme nodig, maar ruim drie miljard vormen van feminisme.’’’

Dick Pels

socioloog en publicist
‘Het woord ‘‘populisme’’ komt niet voor in Over vrijheid. Maar het zou een misverstand zijn te denken dat het er helemaal niet over gaat. We associëren het boek vooral met vrijheid van meningsuiting en van het individu. Maar het is opvallend dat Mill begint met kritiek op de letterlijke opvatting van democratie als volksheerschappij of als zelfregering van het volk. Dat kun je goed vertalen naar de huidige uitdaging van het populisme. Want populisten als Wilders en Verdonk nemen de letterlijke opvatting van democratie weer serieus.’

‘Rita Verdonk hanteert die meerderheidsdefinitie heel duidelijk: democratie is het uitvoeren van de wil van de meerderheid, zegt zij. Maar ook de SP hoor je termen als “volkssoevereiniteit” en “de wil van het volk” bezigen. Volgens Mill zijn dat echter misleidende illusies. Omdat “het volk” ofwel betekent de meerderheid van het volk, ofwel het meest actieve of uitgesproken deel van het volk. Er is altijd het gevaar in een democratie van de pars pro toto, het deel dat zich uitgeeft voor het geheel. Dat speelt nog steeds, en dat is ook het grote gevaar van het Hollandse populisme en het nieuwe Europese populisme. Het gevoel ‘‘wij zijn in de meerderheid, dus wij hebben het hier voor het zeggen’’. Van de Franse denker Alexis de Tocqueville neemt Mill het idee over dat de tirannie van de meerderheid over de minderheid het grootste gevaar is voor de democratie.’

‘Tegenover dat meerderheidsdenken plaatst Mill een vorm van individualisme waarin non-conformisme en excentriciteit belangrijk zijn. Dat kan alleen maar een minderheidspositie zijn. Wie zijn de mensen die de moed hebben om voor de troepen uit te lopen, om in weerwil van de populaire opinie een visie te ontwikkelen? We hebben, kortom, een politieke elite nodig. Natuurlijk moet die elite ook luisteren naar het volk, maar het moet een wisselwerking zijn. Mill zegt ook dat de meerderheid wel nuttig is in defensieve zin, dus om te kijken wat het volk níét wil, maar dat het heilloos is om van de meerderheid te laten afhangen wat het volk wél wil. Dat is de taak van de elite. Een milde vorm van paternalisme is dus helemaal niet verkeerd. Als je de oren laat hangen naar de stem van het volk, dan kom je nooit verder. Want het volk heeft niet de wijsheid in pacht.’

‘Dat is het grote gevaar van het populisme: dat het de wil van de meerderheid heilig verklaart. Populisten doen alsof zij één op één de wil van het volk uitvoeren: “U vraagt, wij draaien.” Maar dat is funest. En misleidend bovendien: ook populisten vormen een nieuwe elite, al willen ze dat niet erkennen. Je kunt het illustreren aan de hand van Fortuyn. “Hij zegt wat wij denken”, hoorde je vaak. Maar dachten mensen het nou echt voordat hij het had gezegd? Dat is maar de vraag. Als goede democraten moeten wij de democratie soms wantrouwen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.