Home Mensenrechten Volgens deze historicus houden mensenrechten de ongelijkheid in stand
Mensenrechten

Volgens deze historicus houden mensenrechten de ongelijkheid in stand

De Amerikaanse historicus Samuel Moyn is kritisch over de mensenrechten, die volgens hem een blinde vlek voor economische ongelijkheid met zich meebrengen. Hoe komt dit, en valt dit te doorbreken?

Door Irena Rosenthal op 22 oktober 2018

Samuel Moyn historicus mensenrechten ongelijkheid beeld Michel Mees
Cover van 11-2018
11-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Spannend was het zeker. Maar ik was wel onderdeel van een overheidsapparaat dat de publieke opinie over oorlog probeerde te beïnvloeden.’ Samuel Moyn, hoogleraar geschiedenis en rechten aan Yale University (VS), schudt zijn hoofd als hij herinneringen ophaalt aan zijn stage in het Witte Huis.

Tijdens de Kosovo-oorlog (1999) werkte Moyn bij de Nationale Veiligheidsraad van voormalig president Bill Clinton om het Amerikaanse mensenrechtenbeleid te promoten. Hij schreef mee aan speeches en opiniestukken, zoals een pleidooi in de New York Times dat de NAVO-bombardementen in Kosovo als ‘rechtvaardig en noodzakelijk’ verdedigde, gepubliceerd onder de naam van Clinton. Moyn: ‘Net als andere linkse intellectuelen beschouwde ik mensenrechten als onze erfenis van de Verlichting en vond ik dat de Holocaust de VS verplichtte mensen te redden van genocide. Never again, was ons credo. Het voorkomen van wreedheid stond centraal; niemand sprak over sociaal-economische rechten. Dit hadden we geleerd van Michael Ignatieff, die het denken van mijn generatie over mensenrechten sterk gevormd heeft.’

De oorlog in Irak (2003-2011) zaaide twijfel bij de linkse Amerikaanse elite over de morele superioriteit van de Verenigde Staten. In de pers verschenen foto’s van Amerikaanse soldaten die in Abu Ghraib Irakese gevangenen martelden. Ook Moyn viel van zijn geloof: ‘Ik kreeg meer oog voor de illegitieme aspecten van Amerikaanse buitenlandse interventies. En ik ging me afvragen of een staat wel mag bepalen wie kan blijven leven en wie moet sterven.’ In de jaren erna ontpopte Moyn zich tot een scherp criti­caster van mensenrechten. Bekend werd hij met name door Last Utopia (2011). In dit boek haalt hij het populaire beeld onderuit dat de mensenrechten in de twintigste eeuw opkwamen als antwoord op de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Volgens Moyn kregen mensenrechten pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw zeggingskracht, nadat andere, radicalere utopische idealen – zoals het socialisme – waren uitgedoofd. Ook brengt Moyns werk voor het voetlicht hoezeer mensen­rechten door machthebbers worden gebruikt om hun eigen belangen, en zelfs geweld, te legitimeren. Zo beriep de Amerikaanse president Bush zich op mensenrechten om de invasie in Irak te verdedigen.

Minimalisme

In zijn nieuwste boek Not Enough. Human Rights in an Unequal World (2018) betoogt Moyn dat mensenrechten een blinde vlek hebben voor economische ongelijkheid. Wereldwijd worden mensenrechten, aldus Moyn, omarmd als het hoogste ideaal van rechtvaardigheid. Maar in deze ‘tijd van mensenrechten’ zien we een groeiende kloof tussen arm en rijk en tellen vooral de rijken hun zegeningen.

Waarom zijn mensenrechten machteloos als het gaat om economische ongelijkheid?
‘In de jaren negentig van de vorige eeuw kreeg overal het neoliberalisme voet aan de grond. Dit betekent een grenzeloos vertrouwen in de vrije markt en een economisch systeem dat de bovenlaag alle kansen geeft steeds rijker te worden. Maar mensenrechtenorganisaties hebben relatief weinig oog voor sociaal-economische rechtvaardigheid. Ze richten zich vooral op politieke en burgerrechten, en wanneer ze wél spreken over sociaal-economische mensenrechten (denk aan het recht op werk, voedsel en huisvesting) wordt er niet gekeken naar economische ongelijkheid. Het probleem zit in de filosofische rechtvaardigheidstheorie die aan de basis staat van sociaal-economische rechten: het minimalisme. Deze opvatting begrijpt economische rechtvaardigheid als het realiseren van een minimum-niveau van welvaart voor iedereen, zoals voldoende voedsel. Een gedachte die je bijvoorbeeld ook ziet in campagnes tegen armoedebestrijding. Maar het minimalisme concentreert zich alleen op de minst bedeelden en negeert de rijkdom van de bovenlaag. Economische ongelijkheid aanpakken vereist een ander ideaal van economische rechtvaardigheid: materiële gelijkheid. Dit perspectief kijkt ook naar de top en wil de kloof tussen arm en rijk via herverdeling verkleinen. Doordat de mensenrechtenbeweging zo weinig oog heeft voor materiële gelijkheid laat zij geen tegengeluid horen over de enorme kloof tussen arm en rijk.’

Maar waarom is het minimalisme niet genoeg? Armoede uitbannen en mensen universele toegang geven tot medische zorg zijn toch basisvoorwaarden voor een menswaardig bestaan? Is dat niet belangrijker dan de kloof tussen arm en rijk dichten?
‘Begrijp me niet verkeerd: ook het realiseren van een minimum voor iedereen is een belangrijke en radicale ambitie. Maar we hebben het probleem van economische rechtvaardigheid niet opgelost als Bill Gates ervoor zorgt dat geen kind in Afrika meer sterft aan tyfus.

Stel je een samenleving voor waarin alle basisbehoeften gerealiseerd zijn, maar waarin wel een enorme kloof bestaat tussen de rijken en de onderlaag. Zo’n situatie is onwenselijk, omdat de bovenlaag veel meer kansen heeft om status en privileges te verwerven dan de rest. Neem rijke ouders aan de Upper East Side in New York; zij stoppen zo een paar miljoen in de scholing van hun kinderen. Deze kinderen zijn veel beter voorbereid op examens, hebben daardoor meer kansen te worden toegelaten tot prestigieuze universiteiten en goede banen te krijgen. Zij hebben dus een voorsprong dankzij de rijkdom van ouders, niet puur op basis van eigen verdienste. Kijk, mensen die harder werken, mogen best meer verdienen. Ik ben niet voor absolute gelijkheid. Maar de kloof moet in elk geval kleiner zijn dan nu en meritocratisch tot stand komen. Zoiets als grote erfenissen, dat is echt volstrekt illegitiem.’

U roert zich regelmatig in het Amerikaanse publieke debat. Daar verdedigt u economische gelijkheid vaak in het licht van andere waarden, zoals de burgerrechten van minderheden.
‘Ja, ik denk dat ongelijkheid een van de oorzaken is van het populisme dat nu de rechten van minderheden op het spel zet. Veel populistische stemmers ervaren een verlies aan mogelijkheden, ook voor hun kinderen. De rijken worden rijken, en de rest stagneert. Gelijkheid zou dus ook een prioriteit moeten zijn voor mensenrechtenactivisten die zich vooral zorgen maken om de schending van burgerrechten door populistische leiders. Je kunt populisme alleen indammen door de onvrede van de meerderheid over ongelijkheid serieus te nemen.’

Brood

Moyn wil met zijn boek Not Enough niet alleen een kritisch licht werpen op de hedendaagse mensenrechtenbeweging. Het boek gaat ook ver terug in de geschiedenis om de wortels van het westerse denken over economische rechtvaardigheid bloot te leggen. Zo ligt de oorsprong van de minima­listische filosofie van onze huidige sociaal-economische mensenrechten volgens Moyn in het christendom. ‘In het Oude Testament (Spreuken 30:8) vragen mensen God om het dagelijkse brood. In de Hebreeuwse tekst betekende dit een hoeveelheid brood die je kreeg volgens gewoonte en wet, niet per se genoeg brood voor iedereen. Pas in de christelijke vertalingen van dit gebed werd het dagelijks brood omschreven als voldoende brood.’ Maar Moyn benadrukt dat het christendom niet streefde naar een gelijke verdeling van welvaart. ‘Het materiële gelijkheidsideaal ontstaat tijdens de Franse Revolutie. De militante onderklasse destijds eiste niet alleen voldoende voeding, maar ook herverdeling. Dat idee van herverdeling is geïnstitutio­naliseerd in de moderne naoorlogse verzorgingsstaten.’

De afgelopen decennia ziet u een teloorgang van het materiële gelijkheidsideaal. Waarom krijgt economische gelijkheid zo weinig aandacht?
‘Ik wijt dit aan een crisis in collectieve identificaties. Het gelijkheidsideaal is sterk afhankelijk van een gevoel van verbondenheid met een collectief. Maar sinds de jaren zeventig verliezen de vakbonden, kerken en socialistische partijen steun. Ons zelfbegrip is sterk geprivatiseerd: we zien onszelf vooral als consumenten. Als er een aard­beving is in Haïti willen we wel geld overmaken, maar er is weinig animo om ons morele leven te definiëren in termen van een verantwoordelijkheid die voorbijgaat aan onszelf. En de laatste jaren zien we dat het gebrek aan collectieve identificaties wordt opgevuld door het populisme.’

Moeten we dan terug naar de verzorgingsstaat?
‘Nee, de naoorlogse verzorgingsstaten waren verre van ideaal. Ze streefden naar gelijkheid binnen de nationale grenzen en negeerden het belang van herverdeling op mondiaal niveau. Internationale herverdeling is pas op de kaart gezet in de jaren zeventig van de vorige eeuw door postkoloniale staten die zich hadden verenigd in de New International Economic Order (NIEO). Na de dekolonisatie dacht het Noorden zijn handen af te kunnen trekken van de voormalige koloniën. De NIEO hamerde erop dat staten ook economische verplichtingen hadden buiten de landsgrenzen. Dit collectief pleitte bijvoorbeeld voor het kwijtschelden van leningen en grote schenkingen van Noord naar Zuid. Maar de eisen van de NIEO voor mondiale gelijkheid werden afgekocht met de troostprijs van het minimalisme. De voormalig minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten Henry Kissinger werd naar de Verenigde Naties gestuurd om de NIEO te pacificeren. In zijn toespraak zei hij: “Laten we ons gaan bezighouden met armoedebestrijding.” Dit markeerde in de internationale politiek de ondergang van het ideaal van mondiale herverdeling. En het begin van minimalistische campagnes tegen armoede die nu nog steeds de internationale agenda’s bepalen.’

Over 30 jaar bestaat de Universele Verklaring van de ­Rechten van de Mens 100 jaar. Welke overwinning zou u dan willen vieren?
Na een korte stilte maakt Moyn een weids gebaar met zijn armen: ‘Mijn droom is een mondiale verzorgingsstaat waarin mensenrechten gerespecteerd worden en iedereen gelijke kansen heeft. Nee, geen staat met een parlement, maar een federatie die bijeengehouden wordt door een grondwet die materiële gelijkheid vastlegt. Dat zou toch geweldig zijn? Een mondiale verzorgingsfederatie.’

De VN-rapporteur voor de mensenrechten en armoede Philip Alston pleitte onlangs voor de invoering van een universeel inkomen. Is dit een eerste goede stap naar zo’n mondiale verzorgingsfederatie?
‘Ik ben sceptisch over het basisinkomen. Het is uitgevonden door rechtse denkers als Milton Friedman. Ook Friedrich Hayek, de vader van het neoliberalisme, steunde het. Als het een hoog inkomen is en het resultaat van radicale herverdeling, kan het iets betekenen in de strijd tegen ongelijkheid. Maar meestal hoor ik voorstellen voor een minimumbedrag, en dat stelt de bovenlaag nog steeds in staat immense rijkdom te vergaren. Weet je, het is eigenlijk die populariteit van het basisinkomen die me zorgen baart. Ik vrees dat het basisinkomen juist zo populair is omdat het verenigbaar is met grote ongelijkheid.’

Uw boek sluit af met de waarschuwing dat mensenrechten niet de enige sleutel zijn tot een betere toekomst. Hoe ziet u de strijd voor materiële gelijkheid dan voor zich? En welke rol spelen mensenrechten daarin?
‘Ik denk niet dat de tijd nu rijp is om mensenrechten verantwoordelijk te maken voor materiële gelijkheid. Momenteel ontbreken internationale regels. Ook slagen mensenrechtenactivisten er amper in om politieke en burgerrechten en minimale bestaansvoorwaarden te realiseren. En mensenrechtenbewegingen zijn veel te braaf. De vestiging van de verzorgingsstaat destijds werd gevoed door angst. Angst voor de vakbonden, angst voor de Sovjet-Unie. Maar de huidige mensenrechtenbewegingen zullen de rijken niet bang maken – sterker nog: ze zijn veel te afhankelijk van rijke donoren! Mijn hoop is dat ­mensenrechtenbewegingen zeggen: “Sam, je hebt gelijk, we erkennen dat we materiële gelijkheid verwaarlozen, we staan niet voor het hoogste ideaal van rechtvaardigheid. Maar wij kunnen dit project niet aan. Iemand anders moet het doen.” Dan kunnen mensenrechtenbewegingen onderdeel worden van een bredere strijd voor economische rechtvaardigheid.’

Maar wie moeten er dan strijden voor materiële gelijkheid?
‘Die strijd vraagt nu vooral om politieke bewegingen die de vakbonden en het socialisme nieuw leven inblazen. Denk bijvoorbeeld aan het verzet in Zuid-Europa tegen de Noord-Europese landen of in mijn eigen land de kandi­datuur van Bernie Sanders. Die bewegingen richten zich op het creëren van politieke meerderheden en spreken niet de taal van mensenrechten. En dat is maar goed ook. Het is helemaal niet wenselijk dat alle bewegingen dezelfde taal omarmen. Maar ik ben niet optimistisch. De signalen die op een omwenteling duiden zijn weinig krachtig. Zeker, er is onvrede. Maar de laatste economische crisis was lang niet zo erg als de crisis die destijds tot de verzorgingsstaat leidde. En is geen Koude Oorlog, geen massale opstand. De enige hoop is een programma dat mensenrechten verbindt met gelijkheid en dat de meerderheid meekrijgt.’

Ziet u voor uzelf nog een rol weggelegd in deze strijd?
‘Als intellectueel probeer ik het debat hierover aan te zwengelen. Als burger heb ik geprobeerd mijn steentje bij te dragen door campagne te voeren voor Bernie Sanders. Ik had geen officiële functie, maar probeerde wel alle mensen om me heen er van te overtuigen op Sanders te stemmen.’ Moyn lacht besmuikt: ‘Ja, als een van de weinigen aan de universiteit was ik een echte Bernie Bro.’

Samuel Moyn is hoogleraar geschiedenis en rechten aan Yale University. Hij liep stage in het Witte Huis tijdens het presidentschap van Bill Clinton om het Amerikaanse mensenrechtenbeleid te promoten. Tegenwoordig laat hij in zijn boeken de tekortkomingen van mensenrechten zien.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.