Dit artikel is exclusief voor abonnees
Snacken kan lekker zijn, snacken kan ook troostrijk zijn. Wat is troostrijker dan eten dat warm is en vet? Het vult de maag en geeft je een gevoel van welbehagen. Een onschuldig genoegen dus. Maar in de westerse maatschappij is gezondheid, evenals veiligheid, iets dat voortdurend bedreigd wordt. Als je de aandacht een moment laat verslappen dan roep je het onheil over je af: een hartaanval, een terroristische aanslag. Zo krijgt de bezoeker van de snackbar onverwacht een heldhaftig aanzien: hij weerstaat de openbare moraal en stelt zijn lichaam welbewust bloot aan het gevaar van het vet. Snacken is, net als roken, een daad van vrijheid geworden. Met ieder patatje dat je in je mond propt kom je op voor het recht op ongezond leven.
Excuus-salade
Snacks in de snackbar zijn naakt. De frikadel, de berenhap, de gehaktbal, de schnitzel liggen naakt in de vitrine, bleek of geel, of met een bruine korst. Het zijn net nudisten, schaamteloos lelijk in het felle licht.
Snacks hebben geen nationaliteit. Het is voedsel dat grenzen overschrijdt. Snacks doen denken aan de muzak die je hoort op vliegvelden en zo weer vergeet: muziek zonder traditie en zonder muzikanten. Het ene liedje loopt in het andere over. Zo is ook de ene kroket niet te onderscheiden van de andere, geen kok heeft er zijn stempel op gedrukt; je vergeet gemakkelijk hoeveel kroketten je al op hebt. Je snacklust is grenzeloos, en gedachteloos eet je door. Snacks laten geen herinneringen na. Alleen je lichaam kan ze maar niet vergeten.
Wat is een fastfood-restaurant? Een snackbar met pretenties. Snacken is daar een sociaal fenomeen, ouders en kinderen zitten samen aan tafeltjes. De individualistische, lelijke en ongezonde aspecten van het snacken worden verhuld door het gezonde gezinsleven dat zich eromheen afspeelt. De snacks zijn daar niet naakt, maar ingepakt in doosjes en papiertjes; ze hebben de Amerikaanse nationaliteit. Op een dienblad geserveerd moeten de snacks een nep-maaltijd vormen, het liefst met een excuus-salade ernaast. Hoe alles bereid wordt blijft in het fastfood-restaurant onzichtbaar voor jou, je hoort daar het vet niet spetteren, terwijl de uitbater van de snackbar openlijk met zijn frieten en kroketten in de weer is.
Frietkot
Snacken doordringt onze cultuur, dat blijkt wel als je de geestige en diepzinnige boeken openslaat die Paul Ilegems heeft geschreven over frieten als Vlaams cultuurgoed. Ilegems, docent aan de Koninklijke Academie voor Schone kunsten in Antwerpen, noemt in De frietkotcultuur (1993) de ‘frietkot’ een ‘spiegel van het Belgische volk’. De Nederlander die in de spiegel van de snackbar kijkt, wordt verscheurd door schuldgevoel en de illusie van heldhaftigheid. De Belg die op de rem trapt als hij een frietkot passeert, neemt een ronduit schizofrene houding aan: hij eet wel friet maar wil er niet over praten. Het buitenland associeert de Belgen namelijk al genoeg met frieten. Sterker nog, juist omdat frieten en de frietkot zo geschikt zijn als nationaal symbool, weigeren de Belgen ze als zodanig te accepteren. Belgen, dat zijn Vlamingen en Walen, en die willen volgens Ilegems ‘de illusie in stand houden, eigenlijk tot andere culturen te behoren’.
De auteur hanteert een heuse ‘typologie van de frietkot’: de barak, de caravan of bus, de frituurwagen, de chalet en de frietannex. Deze fantastische, geïmproviseerde bouwwerken verheffen het snacken tot een eredienst voor de god met de vette bek. Helaas zijn er tegenwoordig in de Belgische steden door toedoen van de overheid veel minder frietkotten te bespeuren, en veel meer fastfoods. In de fastfood speelt het friet een marginale rol: ‘uiteraard diepvries, klein en dun, het zakje zo minuscuul dat het ternauwernood honderd gram kan bevatten’, vindt Ilegems. Fastfood en frietkot zijn volslagen tegenpolen, ‘het ene geformaliseerd en anoniem, het andere geïmproviseerd en persoonlijk’. In de fastfood waan je je in een communistisch ruimteschip; de inrichting, het personeel en de snacks kenmerken zich door uniformiteit.
Neem dan de frietkot, gebouwd op de pijlers van het ‘individualisme en kleinschaligheid’. ‘De frietkotbaas probeert zijn kraam een eigen gezicht te geven. Hij moet er immers een groot deel van zijn leven in doorbrengen. Liefst wil hij er ook televisie kunnen kijken.’ Terwijl de Franse antiglobalisten de kaas en het vlees van eigen bodem in bescherming nemen, is dus in België de strijd tegen de globalisering begonnen bij het frietkot. Wie weet of we in Nederland ooit op straat zullen gaan, als snackbar ’t Hoekje weggeconcurreerd dreigt te worden door het zoveelste McDonalds-filiaal?