Home Filosofie en literatuur Rousseau: oprecht, maar zonder al te veel zelfkennis
Filosofie en literatuur

Rousseau: oprecht, maar zonder al te veel zelfkennis

In zijn Bekentenissen heeft Rousseau er geen enkele moeite mee om openhartig over zijn eigen ‘afwijkingen’ te schrijven. Wat zegt dat over hem?

Door Marco Kamphuis op 20 augustus 2008

Rousseau: oprecht, maar zonder al te veel zelfkennis Jean-Jacques Rousseau, door Allan Ramsay, 1766, National Gallery of Scotland, Edinburgh
Filosofie Magazine 07-08
07-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Jean-Jacques Rousseau begint zijn Bekentenissen met de beroemde zin: ‘Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.’ Een twijfelachtige aanspraak. Afgezien van de talloze navolgers die Rousseau zou hebben in de beoefening van het autobiografische genre, had hij ook wel degelijk voorgangers, zoals Augustinus en Montaigne, die eveneens een openhartig zelfonderzoek hadden gepubliceerd. Misschien dat Rousseau Augustinus niet als ‘concurrent’ zag omdat die met zijn Belijdenissen de expliciete bedoeling had nader tot God te komen, maar hij voelde zich wel geroepen Montaigne te diskwalificeren: ‘Ik had altijd gelachen om de gemaakte naïviteit van Montaigne, die terwijl hij doet alsof hij zijn fouten toegeeft, er in hoge mate op bedacht is zich alleen aangename fouten toe te schrijven.’ Scherpzinnig geformuleerd, zoals altijd bij Rousseau, maar is de toon van Montaignes Essays niet zuiverder dan die van de Belijdenissen en de Bekentenissen? Montaigne heeft de mens als studieobject gekozen en schrijft over zijn eigen persoon omdat hij die nu eenmaal het best kent. Daarbij wil hij zijn fouten, zoals hij zegt, ontkennen noch goedpraten. Maar hij etaleert ze niet. Augustinus en Rousseau daarentegen meten hun zonden en ondeugden zo breed uit dat je hen ervan gaat verdenken dat ze heimelijk welbehagen in hun biecht scheppen. Als Augustinus uitweidt over ‘de modder van de vleselijke begeerlijkheid’ waarin hij zich als jongeman heeft gewenteld, en over de ‘nevelfloersen van de wellust’ die vroeger zijn zicht op het hogere vertroebelden, hoor je hem denken: ‘Het was toch een mooie tijd.’ Maar de Confessiones en Les Confessions, zoals de oorspronkelijke titels luiden, zijn vooral zo ambivalent door het paradoxale karakter van de bekentenis. Wie iets publiekelijk bekent, zet zichzelf niet alleen als zondaar te kijk, maar plaatst zichzelf ook op een voetstuk als iemand die lof verdient voor de diepte van zijn zelfinzicht, zijn eerlijkheid en zijn moed om zich uit te spreken. Door zichzelf te vernederen, verheft hij zich – de paradox van het masochisme.

Het is niet verrassend Rousseau met masochisme in verband te brengen, die immers schrijft dat hij als jongen zoveel genoegen beleefde aan de lijfstraffen die hem door juffrouw Lambercier werden toegebracht dat zij die vanwege hun averechtse werking algauw achterwege liet. De openhartigheid waarmee hij over zijn ‘naar perversiteit en waanzin neigende voorkeur’ schrijft is opmerkelijk, zeker naar achttiende-eeuwse maatstaven, en toont aan dat het hem ernst is met de intenties die hij in de openingsregels heeft verwoord. Hij schijnt echter niet te beseffen dat zijn ‘afwijking’ met meer dan alleen ‘zinnelijke genietingen’ te maken heeft – dat zelfgeschapen slachtofferschap een constante in zijn leven was. In de Bekentenissen treffen we veel zelfbeklag aan: de hele wereld is tegen de arme Jean-Jacques. Hij voert brieven aan als bewijs van de complotten die tegen hem gesmeed worden, maar de lezer krijgt al snel het gevoel dat hier iets niet klopt. De getuigenissen van tijdgenoten als de Schotse filosoof David Hume – eerst vriend, later vijand – hebben het patroon duidelijk gemaakt dat aan de algemeen gedeelde afkeer van Rousseau ten grondslag lag: hij maakte zich vroeg of laat onmogelijk bij diegenen die hem in eerste instantie gunstig gezind waren en beklaagde zich vervolgens over de onvriendelijkheid waarmee hij bejegend werd.  

Monument voor zichzelf

Ondanks het gebrek aan realiteitszin en zelfkennis is Bekentenissen een meeslepende autobiografie – of misschien wel mede dankzij dat gebrek. Het heeft iets ontroerends wanneer iemand zijn buitengewone intelligentie aanwendt om zijn eigen innerlijk te onderzoeken, en op onderdelen ook echt met verrassende analyses komt, en tegelijkertijd niet in staat is het grote geheel te zien. Het helpt natuurlijk ook dat Rousseau een fantastische schrijver is. Zijn uiterst precieze volzinnen doen toch niet gekunsteld aan en wanneer zijn verontwaardiging hem niet in de weg zit, beschikt hij over veel humor. De lezer wordt deelgenoot van een bewogen leven. Rousseau noemt zijn geboorte de eerste ramp die hem getroffen heeft, want die kostte zijn moeder het leven, een gebeurtenis die als enige verklaring voor zijn getourmenteerde geest al ruim voldoende zou zijn. Als jongeman heeft hij een liefdesrelatie met een dertien jaar oudere maîtresse; later woont hij samen met een zeer eenvoudig meisje, Thérèse Levasseur. ‘In het begin wilde ik haar geest ontwikkelen. Het was vergeefse moeite […] Ze heeft nooit de twaalf maanden van het jaar in de goede volgorde kunnen opzeggen.’ Thérèse krijgt vijf kinderen van hem, die hij stuk voor stuk naar het vondelingenhuis brengt omdat de kans bestaat dat hij ze in de toekomst niet kan onderhouden, in welk geval hij ze alsnog in de steek zou moeten laten – en is het dan niet veel beter dat ze hun ouders nooit hebben gekend? Dat uitgerekend Rousseau op basis van zijn boek Emile of over de opvoeding naam zou maken als pedagoog, mag wel een ironische speling van het lot genoemd worden.

Hij is al 38 wanneer hij een prestigieuze essaywedstrijd wint, waarna hij successen boekt als romanschrijver en filosoof. De keerzijde daarvan zijn de aanvaringen met de Franse en Zwitserse autoriteiten, die zijn democratische ideeën opruiend vinden. Hij besluit zijn heil in het buitenland te zoeken, en daarmee eindigt Bekentenissen.

Al maken zijn onthullingen een ambivalente indruk, dat sluit niet uit dat Rousseau oprecht was toen hij ze neerschreef. Alles wijst erop dat hij, terwijl hij bezig was een monument voor zichzelf op te richten, in de overtuiging verkeerde een scrupuleus gewetensonderzoek uit te voeren. Hij had een heftig gevoelsleven: hij beschrijft het zelf en tijdgenoten hebben het bevestigd. Zijn neiging zichzelf en anderen de maat te nemen – zijn moralisme dus – past heel goed bij een intelligent mens die zijn impulsen in toom probeert te houden. Het heeft tot een prachtig boek geleid. En dat het Rousseau nogal beviel wat hij zag toen hij zichzelf onder de loep nam, wie zou hem dat kwalijk nemen?

Bekentenissen, door Jean-Jacques Rousseau, vert. Leo van Maris, met een nawoord van Fouad Laroui, uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2008, 744 blz., € 39,95