Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

FM nr. 7/2008

Rousseau: oprecht, maar zonder al te veel zelfkennis

Marco Kamphuis

In zijn Bekentenissen heeft Rousseau er geen enkele moeite mee om openhartig over zijn eigen ‘afwijkingen’ te schrijven. Wat zegt dat over hem?

Jean-Jacques Rousseau begint zijn Bekentenissen met de beroemde zin: ‘Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.’ Een twijfelachtige aanspraak. Afgezien van de talloze navolgers die Rousseau zou hebben in de beoefening van het autobiografische genre, had hij ook wel degelijk voorgangers, zoals Augustinus en Montaigne, die eveneens een openhartig zelfonderzoek hadden gepubliceerd. Misschien dat Rousseau Augustinus niet als ‘concurrent’ zag omdat die met zijn Belijdenissen de expliciete bedoeling had nader tot God te komen, maar hij voelde zich wel geroepen Montaigne te diskwalificeren: ‘Ik had altijd gelachen om de gemaakte naïviteit van Montaigne, die terwijl hij doet alsof hij zijn fouten toegeeft, er in hoge mate op bedacht is zich alleen aangename fouten toe te schrijven.’ Scherpzinnig geformuleerd, zoals altijd bij Rousseau, maar is de toon van Montaignes Essays niet zuiverder dan die van de Belijdenissen en de Bekentenissen? Montaigne heeft de mens als studieobject gekozen en schrijft over zijn eigen persoon omdat hij die nu eenmaal het best kent. Daarbij wil hij zijn fouten, zoals hij zegt, ontkennen noch goedpraten. Maar hij etaleert ze niet. Augustinus en Rousseau daarentegen meten hun zonden en ondeugden zo breed uit dat je hen ervan gaat verdenken dat ze heimelijk welbehagen in hun biecht scheppen. Als Augustinus uitweidt over ‘de modder van de vleselijke begeerlijkheid’ waarin hij zich als jongeman heeft gewenteld, en over de ‘nevelfloersen van de wellust’ die vroeger zijn zicht op het hogere vertroebelden, hoor je hem denken: ‘Het was toch een mooie tijd.’ Maar de Confessiones en Les Confessions, zoals de oorspronkelijke titels luiden, zijn vooral zo ambivalent door het paradoxale karakter van de bekentenis. Wie iets publiekelijk bekent, zet zichzelf niet alleen als zondaar te kijk, maar plaatst zichzelf ook op een voetstuk als iemand die lof verdient voor de diepte van zijn zelfinzicht, zijn eerlijkheid en zijn moed om zich uit te spreken. Door zichzelf te vernederen, verheft hij zich – de paradox van het masochisme.

Verder lezen?

In een tijd waarin autoriteit, waarheid en het publieke debat onder druk staan kan filosofie met heldere analyses richting geven. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar € 4,99 per maand. U krijgt daarmee toegang tot alle artikelen uit Filosofie Magazine en Wijsgerig Perspectief plus exclusieve achtergrondartikelen, interviews en portretten. Of bestel de losse editie na.

InloggenLid Worden