Home Kunst Roger Scruton: ‘Ik weiger me te laten intimideren door lelijkheid’
Kunst

Roger Scruton: ‘Ik weiger me te laten intimideren door lelijkheid’

Door Patrick van IJzendoorn op 21 september 2009

08-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

De wereld is lelijk geworden, vindt de conservatie denker Roger Scruton. Toch vindt hij nog schoonheid: in het werk van Botticelli, maar ook in ‘zo’n licht hellend straatje, geflankeerd door achter klimop verborgen huizen, waar de melkboer elke ochtend rinkelend over de klinkers rijdt’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


De bekendmaking van de nominaties voor de Turnerprijs is elk jaar weer een bron van grote ergernis in huize Scruton. Hoe kan het, denkt de Engelse filosoof, dat de naam van Joseph Mallord William Turner, ’s lands grootste schilder, in verband wordt gebracht met copulerende poppen, een groep stilstaande kunstenaars in politie-uniformen of een kunstwerk met de naam Arsewoman in Wonderland – om slechts een paar controversiële winnende kunstwerken te noemen? Voor hem is het een bewijs dat de navelstreng tussen kunst en schoonheid nagenoeg is doorgesneden. Als u in de jury van de Turnerprijs zou zitten, vraag ik hem, op welke uiting van hedendaagse kunst zou uw keuze dan vallen? ‘Op het gebied van hedendaagse kunst heb ik geen lievelingswerk…’

Het antwoord van Roger Vernon Scruton past precies bij het beeld dat de conservatieve filosoof bij mensen oproept. Wie bekend is met zijn oeuvre – waar werken deel van uitmaken als The Aesthetic Understanding, The Classical Vernacular. Architectural Principles in an Age of Nihilism en Death-Devoted Heart: Sex and the Sacred in Wagner’s Tristan und Isolde – krijgt een redelijke indruk van wat Scruton onder schoonheid verstaat. Zijn boerderij in Wiltshire, bijvoorbeeld, de kostuums van de vossenjagers, donkere nachten op het platteland, de gebouwen van het Jesus College in Cambridge, waar hij studeerde, landweggetjes en de schilderijen van Sandro Botticelli, wiens Portret van een jonge vrouw het omslag siert van zijn nieuwe boek Beauty, een meditatie op de ervaring van schoonheid.

Hij vertelt dat zijn leven is veranderd door de poëzie van T.S. Eliot – die ooit doceerde op de Wycombe Royal Grammar School, waar Scruton onderwijs genoot – en de opera’s van Richard Wagner. ‘Het is schoonheid die je goed doet kijken en die richting geeft aan emotie, verlangen en aan het denken’, aldus Scruton, die bij het Nederlandse publiek onder meer roem vergaarde doordat Wim Kayzer hem interviewde voor de serie Van de Schoonheid en de Troost, waar hij sigaren rokend en pianospelend blijk gaf van een diepe melancholie. De vraag waarom hij wordt gegrepen door schoonheid, serveert hij af als ‘onzinnig’: ‘Het is net zoiets als: “Waarom geloof je wat waar is?”, of: “Waarom verlang je naar iets wat goed is?” Schoonheid is iets wat onze aandacht krijgt, zonder dat het belang hoeft te hebben, en ons de indruk schenkt dat er iets belangrijkers is dan wijzelf. Er zit geen verschil tussen schoonheid begrijpen en erdoor geraakt worden.’
 

Verslaafd aan plezier

In de geschiedenis van de esthetiek, van Plato tot Kant, is altijd onderkend en bevestigd dat schoonheid ons ‘raakt’. Iets komt van buiten en haalt je uit je soms onverstoorbare levenshouding. Over de vraag hoe hij die kwaliteit zou willen omschrijven, hoeft Scruton niet lang na te denken: ‘Jij bent niet belangrijk; dit is!’ Een bescheiden houding van de mens tegenover het schone is de kern van Beauty, dat niet zozeer handelt over wat hij mooi vindt als wel over de rol van schoonheid in de wereld. De 65-jarige filosoof gaat in op de betekenis van het begrip ‘schoonheid’ en de plaats die die hoort te hebben in ons bestaan.

Volgens Scruton heeft schoonheid niet een puur esthetische, maar ook een existentiële waarde. Mooie dingen, zo betoogt hij, spreken ons aan en leren ons aandacht te hebben – niet alleen voor het kunstwerk, maar uiteindelijk ook voor de wereld en de mensen om ons heen. Omgaan met schoonheid leert ons dankzij de bescheidenheid die dat vraagt ook een bescheiden houding, waardigheid, beleefdheid en decorum in de omgang met andere mensen. Ook het delen van ervaringen met andere kunstminnaars leert ons hoffelijkheid en fijngevoeligheid. In een dergelijk gesprek zijn we geen lid van een massa, maar van een gemeenschap. Binnen een maatschappij waarin massaproductie centraal staat, gaat zo’n dialoog al snel verloren in het lawaai en de koude drukte. Scruton is op zijn best wanneer hij zijn afschuw ergens over uit, maar op dit punt spreekt hij de hoop uit dat er een ‘gemeenschap van smaak’ ontstaat, een gemeenschap van gelijkgestemden waar de achttiende-eeuwse Duitse filosoof Immanuel Kant het al over had. Volgens Kant hoeft in een ideale wereld niemand zich sterk te maken voor schoonheid, omdat er een consensus over zou bestaan.

In plaats van van consensus is er tegenwoordig sprake van een maatschappelijke verslaving aan plezier, waarin schoonheid op een vluchtige wijze wordt geconsumeerd. ‘We zijn verslaafd aan plezier. Schoonheid vraagt normaal gesproken iets van je – het vraagt je om serieus te zijn over iets anders dan jezelf, en wanneer het plezier belooft, dan is het een plezier dat ontstaat dankzij nadenken. Mensen hebben genoeg tijd, maar missen vaak het geduld. Dat komt deels doordat het esthetische deel van hun leven in beslag wordt genomen door afleidingen, zaken als televisie en popmuziek. Dat zijn bezigheden waarmee ze een leegte proberen op te vullen, waardoor ze tegelijkertijd een nieuw vacuüm scheppen. Daarnaast is er een cultuur ontstaan waar niet-oordelen de norm is; grote kunstwerken worden doorgaans gemarginaliseerd. Hun boodschap zou gelijk zijn aan die van al het oppervlakkige vermaak dat ons omringt.’

Volgens Scruton kan smaak een middel vormen om een hiërarchie aan te brengen die de leegte overwint. Cruciaal is volgens hem het vermogen om mooie en lelijke objecten van elkaar te kunnen onderscheiden. ‘Aan het juiste object beleef je plezier en het ontwikkelt de morele gevoelens van degene die het aanschouwt. Je kunt dit vermogen onder meer vormen door kritisch te luisteren.’ In zijn boek schrijft Scruton hoe een vriend hem heeft geleerd om de muziek van Johannes Brahms op waarde te schatten. Hij vergelijkt dat met een kind dat voor het eerst groente eet en na verloop van tijd zijn smaakpapillen ontwikkelt. Een ervaring die eerst weerzin opriep, roept nu waardering op. Wat Brahms betreft leerde hij door goed luisteren, geholpen door aanwijzingen van zijn vriend, de muziek kennen en waarderen. Waar hij eerst zwaarte en gladheid in de Vierde Symfonie hoorde, daar associeerde hij de muziek naderhand met het ontluiken van een plant. Kan iemand, informeer ik voorzichtig na deze uiteenzetting, datzelfde bij u bereiken met de muziek van de Rolling Stones of Radiohead? ‘Ja, als er iets te waarderen valt, dan kan het worden aangeleerd. Er valt zeker iets te waarderen in de Rolling Stones: “I used to love you, but it’s all over now.” Ik ben niet zo zeker van Radiohead.’
 

Typisch Engelse tuin

Schoonheid gaat over veel meer dan een mooi gedicht of muziekstuk. Een hoogtepunt in Beauty is het hoofdstuk over alledaagse schoonheid, dat wordt geïllustreerd door een kronkelpad in een typisch Engelse tuin en een fraaie deur van het Worcester College in Oxford. Deze twee voorbeelden zijn niet buitengewoon mooi op zichzelf, maar danken hun schoonheid aan de harmonie met de omgeving. Verschijnselen die we nu mooi vinden zijn doorgaans niet aangelegd met het doel een schoonheidsprijs te winnen of om eeuwen later op de lijst van monumentenzorg te komen. Schoonheid was, zo beweert Scruton, een onbedoelde bijkomstigheid. ‘Schoonheid is vaak het bijproduct van iets onschuldigs doen met pure hartstocht’, stelt Scruton. ‘Dat is namelijk waar de menselijke schoonheid uit voortkomt. Als je te veel je best doet om iets mooi te maken, dan komt dat doordat je niet de puurheid van het hart bezit die ervoor nodig is.’ Het scheppen van iets moois, zo stelt Scruton, gaat het best door er niet te diep over na te denken.

Zo’n licht hellend straatje, geflankeerd door achter klimop verborgen huizen, waar de melkboer elke ochtend rinkelend over de klinkers rijdt, is nu een ideaal van veel mensen, vooral stedelingen.

Maar was dat een halve eeuw geleden ook het geval? Verandert het idee van wat mooi is in de loop der jaren? In de jaren zestig en zeventig werden in Londen Covent Garden en St. Pancras bijna afgebroken, net als het Orsay-station in Parijs. De Hallen werden niet gespaard en moesten plaatsmaken voor het Centre Pompidou. In Amsterdam wilde de gemeente de grachten dempen. Vandaag de dag zou niemand het in zijn hoofd halen om met deze ideeën aan te komen. De Engelsen beschouwen de conservatief ingestelde dichter John Betjeman, redder van genoemde historische gebouwen, als een held.

Scruton merkt op dat smaak inderdaad verandert, zich ontwikkelt en – vaker dan hem lief is – verslechtert. ‘Je hebt gelijk dat Betjeman nu een held is – in bepaalde kringen althans. De jaren zestig en zeventig waren een tijd waarin mensen het slachtoffer werden van een soort anti-esthetica. Die was erop gericht om alle menselijke uitmuntendheid en ridderlijkheid te vervangen door een gestandaardiseerd product, geproduceerd door een al te welwillende verzorgingsstaat. We zijn hier nog niet volledig van hersteld.’ De negatieve invloed van een welwillende verzorgingsstaat? Hoe komt het dan dat de openbare ruimten in Rome, Parijs en Amsterdam zoveel beter worden onderhouden dan in Engelse of Amerikaanse steden, die het moeten doen zonder sterke overheid?

Scruton: ‘In Engeland is de openbare ruimte in de jaren zestig opgeofferd aan hebzucht. In de Verenigde Staten bedreigt de suburbanisering die ruimte. Gecombineerd met het nietsontziende optimisme van het Amerikaanse volk heeft dat de steden geamputeerd. Rome is, wanneer je goed kijkt, bedekt met graffiti en lijkt niet meer op de idyllische provinciestad waar ik als jongen heb gewoond. Parijs is groots en beschermd als symbool van La Gloire Française. Amsterdam wordt verzorgd door een klasse van sociaal bewogen bourgeois – dezelfde klasse die de Walletjes heeft laten ontstaan, misschien wel het lelijkste verschijnsel in Europa.’
 

Onverschillig

Scruton meent dat men tegenwoordig onverschillig staat tegenover schoonheid. In de schone kunsten heeft hij geen fiducie meer en ook buiten de musea staat schoonheid wat hem betreft te laag op de prioriteitenlijst. Een paar maanden geleden verdedigde hij samen met de conservatieve historicus David Starkey de stelling ‘Britain has become indifferent to beauty’ tijdens een debat bij de Royal Geographical Society. Aan de andere kant van de tafel zaten de Australische feministe Germaine Greer en een kunstcriticus van de progressieve zondagskrant The Observer. De interesse – 700 betalende bezoekers – gaf al aan dat ‘schoonheid’ een populair thema is. Scruton beweerde niet dat het de hedendaagse mens ontbeert aan smaak, maar dat er te weinig respect voor bestaat.

Is dat waar? Hele volksstammen zijn lid zijn van de National Trust – of in Nederland: Monumentenzorg –, terwijl musea vollopen voor tentoonstellingen over Turner of Van Gogh. Is het niet beter om de schuld voor de verloedering van het land te leggen bij politici, projectontwikkelaars en architecten? ‘Mensen uiten inderdaad hun honger naar schoonheid op massale wijze, maar dat doet mij eerder denken aan kunst als consumptiegoed. Verder heb je gelijk dat politici, architecten en anderen die eropuit zijn er geld aan te verdienen om dingen te verpesten meer belang hechten aan nut dan aan schoonheid.’
Tot die anderen behoort ook de regisseur van een Berlijnse voorstelling van Mozarts opera Die Entführung aus dem Serail, waarvan de enscenering goed dienst had kunnen doen in de Yab Yum. Scruton, een van de ongelukkige aanwezigen, moppert er uitgebreid over in zijn boek. Maar zijn er geen tegenvoorbeelden? Bernard Haitink dirigeert bijvoorbeeld de prachtigste Mahlers in het brutalistische beton van de Londense Barbican. Dan blijft er toch voldoende schoonheid over? ‘Natuurlijk is die er. Maar dat zou iemand er niet van moeten weerhouden om te protesteren tegen de groeiende gewoonte om zaken te ontheiligen. Ik weiger me te laten intimideren door lelijkheid of me te laten vertellen dat de keizer een prachtige collectie kleren heeft.’ Ook de alom geprezen architectuur van Norman Foster, bekend van de indrukwekkende brug van Millau in Zuid-Frankrijk en de augurkvormige Swiss Re-toren (‘the Erotic Gherkin’) in Londen, vindt bij hem geen genade.

‘Dat zijn de grootste inbreuken op het landschap, zowel het natuurlijke als het stedelijke, begaan door een van de grootste opgeblazen ego’s van deze tijd, en dat wil wat zeggen.’

Scruton toont zich een stuk conservatiever dan zijn collega Alain de Botton, die in zijn boek De architectuur van het geluk een voorkeur uit voor een combinatie van het oude en het nieuwe. In principe heeft Scruton geen bezwaar tegen dit uitgangspunt. ‘Er moet echter wel een balans zijn en dingen moeten met de tijd meegaan. Maar het is noodzakelijk dat de nieuwe stijl in harmonie is met de omgeving en dat het openbare gezicht van de stad wordt gerespecteerd. Ik heb hierover volop geschreven in The Aesthetics of Architecture.’ Waar schoonheid bij Botton kan bijdragen tot geluk, daar biedt schoonheid in Scrutons denkwereld een gevoel van thuiskomen, in harmonie zijn met de wereld om je heen.

Kan dit, luidt mijn slotvraag, worden beschouwd als de rode lijn in Beauty, en misschien ook in de meeste van uw andere boeken? Is homecoming de reden dat mensen een mooi stukje platteland verkiezen boven een achterbuurt in een grote stad, baksteen boven beton? Scruton beaamt dat dit inderdaad de rode lijn is in zijn redenering, maar voegt er – on-Engels – een metafysische dimensie aan toe. Volgens hem bestaat er een sterk verlangen naar een wereld voorbij het empirische, op de wijze die Plato reeds heeft beschreven. ‘Alle menselijke wezens koesteren een verlangen naar een thuis in deze wereld, waar ze zich beschermd voelen en een comfortabel gevoel hebben. Maar ze verlangen ook naar een eeuwig thuis, wat op een bepaalde manier compensatie biedt voor wat ze niet bereikt hebben, waar al het lijden en de teleurstellingen waardevol wonen. Zij ontwerpen een eeuwig huis als hun ware bestemming en bouwen dit tijdens hun leven in deze wereld.’