Home Passie voor de werkelijkheid

Passie voor de werkelijkheid

Door Ivo Slangen op 23 november 2012

01-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

De twintigste-eeuwse gepassioneerdheid mag veel slachtoffers hebben gemaakt – denk aan Auschwitz en de Goelag – , de schijnbare kapitalistische rust maakt er niet veel minder. Alain Badiou wijst op onze morele blinde vlek en houdt een onverschrokken en subtiel pleidooi voor rechtvaardigheid.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Nu de westerse wereld ziet dat de oorlog in Irak uitmondt in een burgeroorlog en het project om een democratie te vestigen vooral bestaat uit het wanhopig handhaven van de orde, dringt de vraag zich des te urgenter op: hoe is het zo ver kunnen komen? De aanslagen van 11 september waren misdadig, maar lijken niet volledig te kunnen verklaren wat het Westen heeft gedreven tot het militair en moreel steunen van twee oorlogen die vooralsnog vooral gewelddadig zijn in plaats van rechtvaardig. Belangrijker moet de politieke ideologie zijn geweest die is ontstaan na het uitroepen van een war on terror: een permanente strijd tegen een vijand die eropuit is de westerse democratie en haar verworvenheden te vernietigen. Maar hoe reëel is die werkelijkheid?

Het is het waarheidsgehalte van die ‘werkelijkheid’ dat Alain Badiou peilt in een serie essays die nu zijn samengebracht in een Engelse uitgave onder de titel Polemics. Daarin analyseert de Franse filosoof de huidige politieke ideologie aan de hand van Irak, Afghanistan en de war on terror, maar ook de hoofddoekjes-kwestie, de rellen in de Parijse banlieues en Israël en antisemitisme. Hij bekritiseert de ideologie die na 11 september in het leven is geroepen, een strijd van het Goede tegen het Kwade, en gaat voortdurend op zoek naar wat er schuilt achter die etiketten, die nog hardnekkig blijven bestaan, getuige de gemeenplaats van ‘botsende beschavingen’ die in de politiek en media nog vaak te horen is. Hoewel het moeilijk is vol te houden na Abu Ghraib, Guantánamo Bay en de half miljoen doden in Irak blijft het vrije, democratische Westen een morele superioriteit en het alleenrecht op humaniteit claimen. Voor Badiou reden genoeg om hardop te twijfelen aan de waarde van begrippen als ‘westerse democratie’, ‘vrijheid’ en ‘mensenrechten’ en te zoeken naar een politiek alternatief.
 
Het is geen recent project van de in Nederland onbekende, maar al 69-jarige Badiou die bij de Franse avant-garde al bekend is sinds zijn magnum opus L’Être et l’événement uit 1988 waarvan onlangs deel 2 is verschenen: Logiques des Mondes. Badiou, geboren als zoon van een blanke onderwijzer in Rabat (Marokko), maakte zich al sterk voor de Algerijnse onafhankelijkheid (1954-1962) toen hij nog filosofie en wiskunde studeerde aan de École normale supérieure in Parijs. Daar kreeg hij les van de structuralistische marxist Louis Althusser, en sloot hij zich aan bij communistische en maoïstische groeperingen. Van de gebeurtenissen in mei 1968, toen studenten en arbeiders in Frankrijk zij aan zij streden voor meer zeggenschap aan de universiteiten en fabrieken, leerde hij dat politiek iets is wat direct, ter plaatse gemaakt wordt. Tegenover een politiek die denkt in termen van cultuur (Verlichting en religie), beschaving (westen en islam) of moraal (goed en kwaad), stelt Badiou de collectieve mobilisering van allen, dwars door alle rangen en standen en los van iedere bepaaldheid zoals ras, religie en sekse, een les die Badiou ook terugvindt in de Parijse Commune van 1870 en het begin van de Culturele Revolutie in China, waarmee de bundel Polemics besluit.

Deze revolutionaire gebeurtenissen – in Badious terminologie ‘evenementen’ – bevatten een politieke waarheid. Terwijl deze voorbeelden voor menigeen het (totalitaire) gevaar van iedere claim op (absolute) waarheid aantonen, deinst Badiou er niet voor terug om het universele bereik van een waarheid te benadrukken. Waarheid is voor Badiou geen uitspraak over een feitelijke stand van zaken, maar de opening van een nieuwe ruimte om dat wat er voorheen niet was, maar nu door een schokkende gebeurtenis aan het licht is gekomen, vorm te geven. Tijdens de Parijs Commune komt de onderdrukte bevolking vanuit het niets in opstand tegen de zittende macht en eist letterlijk haar recht van bestaan op. In tegenstelling tot de Franse Revolutie die al snel uitmondt in de terreur van Robespierre, bestaat tijdens de Commune gedurende 90 dagen een zelforganiserend bestuur waar iedereen aan deelheeft: arbeiders, vrouwen, soldaten.

Bij het begin van de Culturele Revolutie wordt die waarheid opnieuw leven ingeblazen (Mao verwijst expliciet naar de Commune) en verder uitgebreid. Hier beperkt de waarheid zich niet alleen tot een grootsteedse arbeidersklasse, maar strekt zich uit tot een complete mobilisering van het volk, inclusief de boeren van het platteland. Op deze manier is een politieke waarheid werkzaam volgens Badiou: als een steeds verdergaand proces waar steeds meer mensen zich bij aansluiten en trouw aan zijn. Het is noodzakelijk dat iedereen er deel van kan uitmaken.

Uitbarsting

Die evenementen, omwentelingen die de kiem van vernieuwing in zich dragen, behandelt Badiou ook in De twintigste eeuw: het tweede werk dat van hem in het Nederlands is verschenen na de Ethiek, zijn meest toegankelijke werk. Aan de hand van gedichten van Mandelstam, Celan en Fernando Pessoa, toneel van Brecht, de surrealistische manifesten van Breton, de psychoanalytische sessies van Freud en opnieuw de politieke geschriften van Mao, probeert Badiou de twintigste eeuw van binnenuit te begrijpen: wat werd er gedacht tijdens de eeuw, op het moment zelf?

Is de twintigste eeuw een nachtmerrie geweest? Een eeuw van pure barbarij? Nee, volstrekt niet. Het begin van de eeuw is een ongekende uitbarsting van ideeën die alleen valt te vergelijken met de Florentijnse Renaissance of het Athene van Pericles: Einsteins relativiteitstheorie, Freuds psychoanalyse, Lenins uitvinding van de moderne politiek, Schönbergs atonale muziek, Picasso en het kubisme, het grondslagenonderzoek in de wiskunde (Bertrand Russell), film en natuurlijk de modernistische romans van Joyce, Proust en Conrad. Het zijn stuk voor stuk evenementen geweest die een breuk forceerden met de verstarde conventies op het gebied van de wetenschap, kunst en politiek en het denken binnen die disciplines nog steeds bepalen. Maar hoe verhoudt die uitbundige creativiteit zich tot de gewelddadige erupties later die eeuw? Tot de Russische Revolutie, de zinloze slachtingen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, de massavernietiging in de kampen van Auschwitz en Goelag? Is het de eeuw van vernieuwing en het leven, of van de misdaad en de dood?

Volgens Badiou is de twintigste eeuw in de greep van een ‘passie voor de werkelijkheid’: een geestdrift om te handelen in het hier en nu, om de intensiteit van het moment  te beleven. Na de dood van God is de werkelijkheid alles wat er is en dat besef is een enorme bevrijding getuige alle uitvindingen: niet alleen een nieuwe mens kan worden uitgevonden, geen enkel deel van het leven is meer heilig, alle conventies kunnen overboord. Maar het bevestigen van het nieuwe dat voortdurend uit het leven opborrelt, impliceert tegelijkertijd een moment van vernietiging: het oude dient te wijken wil de mens volledig kunnen opgaan in het nieuwe.

Op politiek vlak kan die passie natuurlijk desastreus zijn, omdat het hier om mensenlevens gaat. Schönbergs uitvinding van atonale muziek is ook een gewelddadige vernietiging van iedere harmonie, maar het ‘nieuwe’ forceren in de werkelijkheid kan leiden tot terreur. Wie zich laat inspireren door de werkelijkheid, kan bevangen raken door de opdracht om de ‘ware’ werkelijkheid te scheiden van de schijn. Want alles wat echt wordt genoemd, draagt de verdenking mee schijn te zijn. Daarom is zuivering een parool van deze eeuw: denk aan de nationaal-socialistische obsessie met ras, maar ook aan Stalins zuiveringen binnen de partij.
 
Hoewel extreem geweld een gevolg kan zijn van vitale geestdrift is het volgens Badiou nog niet noodzakelijk om die passie voor de werkelijkheid helemaal af te wijzen. Sinds de reactionaire jaren tachtig toen Reagan en Thatcher zeer succesvol het neoliberale no-nonsense beleid introduceerden, lijkt iedere passie voor een groter project tot verandering van de wereld verdwenen. Nu telt enkel het behoud van de mens, een economisch laissez faire (vrije handel), politiek als management en de voortschrijding van de technologie. Maar zonder idee, zonder project, zal het enige criterium zijn: is het winstgevend of niet? Dat is uiteindelijk ook de reden die volgens Badiou heeft geleid tot de inval in Irak: het is primair een verdediging van Amerikaanse belangen, geen universeel project.

De passie voor de werkelijkheid mag dan amoreel zijn, de huidige passieloze werkelijkheid kent een moraal die niet veel minder slachtoffers eist in de ogen van Badiou. Wie de dingen op zijn beloop laat is dan misschien niet direct verantwoordelijk voor de slachtoffers die het kapitalisme maakt, maar helemaal vrij te pleiten is hij ook niet. Bovendien: Badiou ziet het als een taak van de filosofie om altijd te blijven denken wat rechtvaardig is, en zolang de wereld niet rechtvaardig is, kunnen we niet berusten in hoe de dingen nu eenmaal gaan.

Behoudzucht

Maar als we niet behoudzuchtig mogen zijn en passief afwachten tot er iets veranderd, is vernietiging dan de enige weg? Is vernietiging de prijs die betaald wordt voor verandering? Volgens Badiou niet. De passie voor de werkelijkheid die tot vernietiging leidt is geobsedeerd door de ‘ware’ werkelijkheid die verborgen ligt achter de schijn, een vals bewustzijn of de waan van de dag. Die werkelijkheid scheppen vereist een authentieke handeling waarbij de werkelijkheid gescheiden wordt van haar valse kopieën: het verschil verdwijnt en ‘het één’  blijft over. Maar er is ook een passie voor de werkelijkheid die juist op zoek gaat naar het minimale verschil. Dat verschil is een antwoord op het gevaar dat elke samenleving bedreigt: een ideaal van een gedeelde identiteit, van gemeenschappelijke waarden en normen, dat de samenleving kan verstikken en maar al te snel iedereen uitsluit die niet past binnen die samenleving.

Badiou beschouwt de minderheidspolitiek – denk aan de homobeweging, de politiek die uitgaat van ras (Afro-Amerikaans), van vrouwen – niet als een antwoord op dit verstikkende wij. Integendeel. Zij vertrekken vanuit een eigen groep en hebben nooit een universele aanspraak. Terwijl waarheid, zo houdt Badiou consequent vol, altijd voor allen is, anders is het geen waarheid. Het gaat er dus om niet het maximale verschil uit te drukken (als vrouw heb ik recht om…, als homoseksueel eis ik…), maar een democratie te baseren op het minimale verschil. Dat minimale verschil bepaalt niet alleen de verhouding met de ander, maar ook met onszelf. We verschillen altijd van onszelf: er is geen ‘authentieke’ kern in ons – ‘Ik ben velen’ zoals Walt Whitman het heeft gezegd. Het verschil met onszelf ‘ontbindt’. Het ontbonden zijn is wat we delen met de ander; tegelijkertijd compliceert het oneindig het verschil met de ander.

Dat verschil kan alleen recht worden gedaan door het niet te benadrukken, door er onverschillig tegenover te staan. Het is deze onverschilligheid die Badiou terugziet in bepaalde historische situaties, zoals de Parijs Commune van 1870 waar arbeiders, soldaten en vrouwen zij aan zijn strijden en nadat zij de regeringslegers hebben verslagen, elkaar niet afmaken – zoals conservatieven verwachten als de ‘massa’ de vrije hand krijgt – maar voor 90 dagen lang een bestuur creëren waar iedereen aan deelheeft.
 
Het is deze mogelijkheid op universele waarheid die hij keer op keer verdedigt tegenover het huidige gedachteloze materialisme, waarin er enkel hedonisme lijkt te zijn. Het gebrek van de huidige samenleving komt het sterkst tot uitdrukking in de ‘valse keuze’ tussen democratie of dictatuur. Het lijkt alsof de democratie alleen kan bestaan in reactie op een absoluut kwaad dat de democratie bedreigt. Een kwaad bovendien waar de democratie zelf niet aan schuldig is. Die ‘valse keuze’ gaat uit van een absoluut verschil tussen democratie en dictatuur, tussen goed en kwaad, een verschil dat sinds 9/11 de naam van een botsing der beschavingen heeft gekregen, waarbij het vrije Westen tegenover de toch heel wat minder beschaafde moslim staat. Maar zodra er een iemand tot barbaar wordt bestempeld, treedt een verdacht syllogisme in werking: barbaren denken niet, politiek is denken, en dus is geen enkele politiek barbaars. Maar waarom zou politiek niet barbaars kunnen zijn? Misschien moet het vrije Westen, de hoeder van democratie en mensenrechten, eens eerlijk toegeven dat het ook barbaars kan zijn: in naam van de drieduizend slachtoffers van 9/11 is het medeplichtig aan een half miljoen Irakese doden en de totale ontwrichting van een soevereine staat.

Het onvermogen van het Westen die morele blinde vlek te aanschouwen, is voor Badiou een teken dat de democratie ergens heeft gefaald. Tegen die gedachteloosheid komt Badiou in opstand. Dat onderscheidt de demagogische rattenvanger van de moed van degene die zegt dat de keizer geen kleren aan heeft.
 
De twintigste eeuw, door Alain Badiou, vert. Frans de Haan, uitg. Ten Have, Kampen 2006, 230 blz., € 25,-
Polemics, door Alain Badiou, vert. Steve Corcoran, uitg. Verso Books, Londen 2006, 340 blz., € 31,30