Home Levenskunst ‘John Stuart Mill streefde naar geluk met depressie tot gevolg’
Levenskunst

‘John Stuart Mill streefde naar geluk met depressie tot gevolg’

Zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen: zonder John Stuart Mills Utilitarianism (1861) zouden we daar niet zo overtuigd van zijn.

Door Maarten Meester op 06 juli 2022

John Stuart Mill filosoof utilisme utilitarisme

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Wie goed wil doen, probeert zoveel mogelijk geluk te realiseren voor zoveel mogelijk mensen. Dat schreef John Stuart Mill (1806-1873) in Utilitarianism, het boek waarmee hij het utilitarisme in 1861 bekend maakte als ethische stroming. Volgens Thomas Nys, die het boek samen met Henri Wijsbek vertaalde en inleidde, moeten we Mills levensloop begrijpen om zijn filosofie te begrijpen: ‘Mill besefte: we moeten niet alleen actief geluk maximaliseren, we moeten ook de vermogens ontwikkelen om passief door het geluk geraakt te worden.’ 

De eerste Nederlandse vertaling van Utilitarianism verschijnt in 1875, vrij snel nadat John Stuart Mill het boek publiceert. Waarom vonden jullie het belangrijk dat er een nieuwe vertaling kwam?
‘Veel mensen hebben utilitaristische opvattingen, zelfs als ze dat niet van zichzelf weten. Of een handeling moreel goed is, toetsen we immers vaak aan de gevolgen van die handeling: draagt het bij aan het algemeen geluk en welzijn, of vergroot het het lijden in de wereld? Zo hoor je in de discussie rond de coronamaatregelen vaak vragen als “Wat zijn de gevolgen?” en “Wie lijdt eronder?” Doordat het utilitarisme nog altijd zo “leeft” dreigen we de historische achtergrond te vergeten. We wilden onze vertaling gebruiken om daar aandacht voor te vragen.’

Waarom is het belangrijk om de historische context opnieuw te bekijken?
‘Utilitarisme wordt vaak karikaturaal voorgesteld als een kille rekenmethode. Het enige wat telt is geluk maximaliseren en lijden minimaliseren. Maar het utilitarisme valt alleen te begrijpen vanuit de grote maatschappelijke verschillen in de tijd waarin de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1784-1832) het ontwikkelde. Hij vroeg zich af: hoe valt het te rechtvaardigen dat meer dan de helft van de mensen straatarm is? Zijn tijdgenoten verdedigden die ongelijkheid door een beroep te doen op de traditie en God. Maar handelingen hebben gevolgen, vond hij. Ze kunnen voor geluk zorgen of voor lijden. Ieder wezen dat kan ervaren wil zo veel mogelijk geluk hebben en zo min mogelijk leed. Dat is zo evident, dat dat volgens Bentham het fundament van de moraal moet zijn. Op basis daarvan moeten wilde hij de maatschappij hervormen. Radicaal. Voor Bentham telt elk wezen dat pijn en genot kan ervaren op gelijke wijze mee, arm of rijk, man of vrouw, slaveneigenaar of tot slaaf gemaakte, mens of dier.’

Toch heeft John Stuart Mill zo veel kritiek op Bentham dat hij zijn eigen versie van het utilitarisme ontwikkelt.
‘Zijn vader, James, was zo zeer beïnvloed door Bentham, dat hij de geboorte van zijn eerste zoon, John Stuart, zag als een kans. Kun je iemand zo opvoeden dat hij de wereld naar een groter geluk kan brengen? John Stuart begint op zijn derde met Grieks, op zijn achtste met Latijn en hij is dan ook al ver in de wiskunde. Op zijn vijftiende laat zijn vader hem Benthams werk bestuderen. Dat maakt zo’n indruk dat John Stuart de rest van zijn leven deze filosofie wil verspreiden. Hij richt een discussieverenigingen op en publiceert vele artikelen over utilitarisme. Maar net voor zijn eenentwintigste raakt hij in een crisis. Hij beseft dat zijn opvoeding volkomen artificieel is. Zijn vader heeft hem als een laboratoriumrat getraind. In zijn geval tot utilitarist, maar doordat de geest zo kneedbaar is had zijn vader hem, meent hij, tot alles kunnen maken. Dat inzicht maakt John Stuart apathisch – hij verliest zijn motivatie. Als hij ontdekt dat wandelingen in de natuur en poëzie hem ontroeren komt hij tot een nieuw inzicht. Zijn hele jeugd heeft hij actief het geluk nagestreefd, met een depressie als gevolg. Nu merkt hij dat hij pas écht gelukkig is als hij passief getroffen wordt. Zo komt Mill tot een aanvulling op Benthams utilitarisme: we moeten niet alleen actief geluk maximaliseren, we moeten ook de vermogens ontwikkelen om passief door het geluk geraakt te worden.’

Mill krijgt vaak het verwijt elitair te zijn. Voor Bentham gaat het puur om de kwantiteit van geluk – je moet zanger René Froger subsidiëren als hij meer geluk oplevert dan violist Janine Jansen. Maar volgens Mill moet je ook naar de kwaliteit van geluk kijken – dan kan Jansen de voorkeur krijgen.
‘Mill zou stellen dat je mensen die zowel met Froger als met Jansen vertrouwd zijn, moet laten oordelen. Het gaat om een open test door competente beoordelaars. Hij meent ook dat zaken meer geluk opleveren als je je verbeelding ervoor moet gebruiken, je intellectuele capaciteiten moet aanspreken. En hij achtte mensen tot ongelooflijk veel in staat, als ze maar de goede opvoeding en scholing krijgen. Zelf zou hij waarschijnlijk zeggen: “Weet je wie pas elitair zijn? Mensen die arbeiders klassieke muziek willen onthouden!”’

Utilitarisme 
John Stuart Mill
vert. Thomas Nys en Henri Wijsbek
Uitgeverij Boom
128 blz.
€ 29,90