Home Het oneigenlijke ontzag voor harde cijfers

Het oneigenlijke ontzag voor harde cijfers

Door Harry Kunneman op 13 maart 2013

09-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Het Innovatieplatform onder voorzitterschap van premier Balkenende wil dat Nederland tot de kopgroep van concurrerende kenniseconomieën gaat behoren. Maar welke kennis beschouwen wij eigenlijk als noodzakelijk en waardevol? Het reduceren van de werkelijkheid tot simpele mathematische grondstructuren levert volgens Harry Kunneman wel exacte kennis op, maar ook misleidende illusies. Want wetenschappelijke, economische, politiek-morele en existentiële vragen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het afgelopen jaar is de ontwikkeling van Nederland als ‘kennisland’ hoog op de agenda komen te staan. In korte tijd is een brede consensus gegroeid over de noodzaak om de verontrustende achterstandspositie die Nederland in Europa en op mondiaal niveau zou innemen om te buigen. Nederland dient tot de ‘kopgroep’ van innoverende landen te gaan behoren. Daartoe is onlangs een nationaal Innovatieplatform opgericht dat onder leiding van de premier werk gaat maken van het streven van de Europese regeringsleiders om de eurozone in 2010 tot de ‘meest concurrerende en dynamische op kennis gebaseerde economie ter wereld te maken’.  De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in Europa dienen tussen nu en 2010 verhoogd te worden in de richting van 3 procent van het bruto nationaal product, wat voor Nederland een verhoging van ruim 30 procent zou betekenen. Naast onderzoeksinvesteringen door bedrijven gaat het daarbij vooral om investeringen in bèta-technische studierichtingen die bij kunnen dragen aan technologische innovaties op gebieden als ICT, genomics en nanotechnologie.
Wat opvalt aan de kamerbrede consensus op dit punt, is het platte karakter van het vooruitgangsbegrip en de smalle opvatting van kennis die gehanteerd wordt. In de vele rapporten en artikelen over dit onderwerp wordt als vanzelfsprekend aangenomen dat er een directe koppeling bestaat tussen technologische innovatie en economische groei aan de ene kant en toename van welzijn en verbetering van de kwaliteit van leven aan de andere kant. ‘Innovatie moet, technologie doet goed’ luidt de boodschap. Die boodschap geeft te denken. Hij staat niet op zichzelf maar vormt het topje van een enorme ijsberg van opvattingen, maatregelen en praktijken die een dubbelzinnig karakter hebben: enerzijds staan zij in het teken van evidente kennis en exacte prestaties, van benchmarking, evidence based practice, protocollering en transparante bedrijfsvoering; anderzijds verwijzen zij naar een permanent wijkende horizon van totale controle, naar een bestaan waarin alle risico’s uitgebannen zijn en het goede leven maakbaar is geworden. Het gaat hier met andere woorden om een mengsel van exacte prestaties en exacte illusies. Het is voor de discussie van groot belang om die nauwkeurig van elkaar te onderscheiden. In postindustriële samenlevingen is de kwaliteit van het dagelijks leven de facto verstrengeld geraakt  met permanente technologische vooruitgang op gebieden als medische zorg, wonen, voeding, communicatie, transport en vrije tijd. Dat geldt in nog hogere mate voor professionele prestaties die in bijna alle maatschappelijke sectoren verweven zijn geraakt met technologische ontwikkelingen.  Juist het    realiteitsgehalte van deze ‘exacte prestaties’ op het niveau van het dagelijks leven verleidt echter tot de illusie dat het goede leven geheel maakbaar is op basis van exacte kennis en daarop gebaseerde economische en technologische vooruitgang. Daarmee wordt de discussie over de vraag wat wij als werkelijk waardevolle en noodzakelijke kennis voor onszelf en de samenleving beschouwen bij voorbaat geblokkeerd. Het is van groot belang dat die discussie open gevoerd wordt: niet alleen op basis van economische prioriteiten maar ook in het licht van de kentheoretische, politiek-morele en existentiële vragen die met de ontwikkeling van Nederland als kennisland verbonden zijn.

Newton

Zowel de exacte prestaties als de exacte illusies zijn geworteld in het newtoniaanse wereldbeeld dat zich in de achttiende en negentiende eeuw over bijna alle wetenschappen heeft verbreid en in de twintigste eeuw in de meeste westerse maatschappijen een dominante positie heeft verworven. Drie uitgangspunten van dit newtoniaanse wereldbeeld zijn in deze context van bijzonder belang. In de eerste plaats de veronderstelling dat de werkelijkheid een onveranderlijke grondstructuur vertoont. In de tweede plaats het idee dat die structuur aan het licht treedt in de vorm van wetmatigheden die mathematisch beschreven en experimenteel getoetst kunnen worden, naar het voorbeeld van de newtoniaanse bewegingswetten. In de derde plaats het idee dat de kennis van dergelijke wetmatigheden en de voorspellingen die zij mogelijk maken de basis vormen voor rationeel handelen in het algemeen en voor technische controle van natuurlijke en maatschappelijke processen in het bijzonder. Dit newtoniaanse wereldbeeld impliceert een hele reeks hiërarchische ordeningen. In de eerste plaats tussen de wetenschappen onderling; in de tweede plaats tussen fundamentele en toepassingsgerichte vormen van kennisverwerving; en ten slotte tussen de ‘harde’ natuurwetenschappen en de ‘zachte’ menswetenschappen. Die laatste komen helemaal achteraan in de rangorde. Een aantal menswetenschappen heeft zich weliswaar met een zeker succes de natuurwetenschappelijke methode eigen gemaakt, met name de economie, de experimentele psychologie en de empirische sociologie. Maar vanuit het newtoniaanse wereldbeeld gezien dreigt hier permanent het gevaar dat waardegeladen standpunten en maatschappelijke belangen de theorievorming en het onderzoek verontreinigen en het zicht op de objectieve werkelijkheid vertroebelen.

Marktwaarde

Dit newtoniaanse wereldbeeld en de daarmee verbonden wetenschapsopvatting vormen niet alleen een centrale voedingsbodem voor de exacte prestaties van de moderne wetenschappen, maar ook voor de exacte illusies waar het mij om te doen is. Daarbij gaat het met name om de illusies van transparantie en beheersbaarheid. Het hart van die illusies wordt gevormd door het even stoutmoedige als verlokkelijke idee dat de werkelijkheid waarin wij mensen gesitueerd zijn in zijn structuur geheel doorzien kan worden en op basis daarvan gecontroleerd en gemanipuleerd kan worden. Binnen de natuurwetenschappen heeft dit idee de afgelopen decennia zijn plausibiliteit grotendeels verloren en beginnen zich de contouren af te tekenen van een nieuw, post-newtoniaans wereldbeeld dat in het teken staat van complexiteit en onvoorspelbaarheid. Dit nieuwe wereldbeeld is voortgekomen uit theoretische vernieuwingen op het grensvlak van de wiskunde, de informatica en de biologie die zich van daaruit over vele wetenschapsgebieden verspreid hebben onder namen als ‘chaostheorie’, ‘theorie van complexe adaptieve systemen’ en ‘complexiteitstheorie’.  Binnen het post-newtoniaanse wereldbeeld dat met deze perspectieven verbonden is, zijn de ideeën van transparantie en beheersbaarheid nog maar op een beperkt deel van onze werkelijkheid van toepassing. Het grootste deel van de entiteiten en processen waar wij mensen mee te maken hebben is complex, wordt gekenmerkt door chaotisch gedrag en is ondoorzichtig en onvoorspelbaar. Dat gaat terug op het feit dat binnen veel van de systemen in kwestie –  bijvoorbeeld het weer – hele kleine, niet exact meetbare variaties in de begincondities onder bepaalde omstandigheden in hoge mate versterkt kunnen worden en tot onvoorspelbare resultaten leiden. Het gedrag van die systemen is dan chaotisch en ondoorzichtig. Dit gebrek aan transparantie is vooral van toepassing op een bijzonder interessante categorie van complexe systemen, namelijk levende wezens, variërend van amoeben tot kreeften en van fruitvliegjes tot mensapen. Vanuit het perspectief van de complexiteitstheorie gezien is het belangrijkste kenmerk van levende wezens dat zij zich in het overgangsgebied bevinden tussen het domein van de causaal gedetermineerde, door wetmatigheden beheerste entiteiten en processen aan de ene kant en het domein van de chaotische processen aan de andere kant. Alle levende wezens worden gekenmerkt door structuren en door regelmatigheden in hun gedrag en staan bovendien bloot aan allerlei chaotische processen. Hoe complexer die structuur en dat gedrag worden en hoe veelvoudiger de interacties met de omgeving, des te groter echter ook de kans dat daarin emergente ontwikkelingen optreden: vernieuwingen die niet herleidbaar zijn tot de bestaande kenmerken van de elementen van het systeem in kwestie, maar een ‘sprong’ belichamen die nieuwe eigenschappen en interactiemogelijkheden genereert. Dergelijke emergente vernieuwingen brengen een veel radicalere vorm van onvoorspelbaarheid met zich mee dan de onvoorspelbaarheid van chaotische processen. Die laatste gaat terug op het feit dat hele kleine variaties in de begincondities tot zeer verschillende ontwikkelingspaden kunnen leiden, zodat de waarschijnlijkheid daarvan niet goed bepaald kan worden. ‘Het kan vriezen en het kan dooien’. De onvoorspelbaarheid van de ontwikkeling van levende wezens, of algemener: van complexe adaptieve systemen, heeft echter een heel andere grond. Zelfs wanneer sprake is van een beperkt aantal ontwikkelingspaden en het daarmee verbonden gedrag redelijk goed te voorspellen valt, dan nog kunnen zich emergente ontwikkelingen voordoen en nieuwe ontwikkelingspaden openen, waarmee een geheel onverwacht gedragsrepertoire ter beschikking komt. Het ontstaan van ogen is een goed voorbeeld daarvan in de evolutie van het leven op onze planeet, of het ontstaan van taal en cultuur bij de eerste mensachtigen – de emergentie van ‘tekst’ in de zin van Derrida – maar ook de snelle verbreiding van de pc en het internet of de opkomst van het feministische denken.

 

Wanneer op ontologisch en epistemologisch niveau naast causale samenhangen en volledig transparante processen ook emergente ontwikkelingen en chaotische processen worden toegelaten, komt een ander wereldbeeld in zicht. In plaats van onveranderlijke grondstructuren als het geraamte van onze realiteit verschijnt de werkelijkheid nu als door en door historisch, interactief en veranderlijk. Structuren gelden niet langer als fundamenten maar gaan deel uitmaken van netwerken van netwerken, gekenmerkt door miljarden terugkoppelingsrelaties die niet alleen causale beïnvloedingsketens in gang zetten en tal van chaotische processen genereren maar ook gepaard gaan met de emergentie van nieuwe eigenschappen en interactie-mogelijkheden. De objectieve waarnemers uit het newtoniaanse wereldbeeld die voor zichzelf een positie buiten en boven de netwerken claimen, maken daarmee plaats voor participerende waarnemers die in een veelheid van netwerken zijn ingebed en de complexiteit daarvan via hun eigen waarnemen en ingrijpen verhogen.

Physics envy

Daarmee komt ook de aloude droom van een natuurwetenschap van de mens in een ander licht te staan. Niet alleen mensen zelf, maar ook de beschavingen en samenlevingen waarvan ze deel uitmaken, verschijnen nu als complexe en dynamische mengsels van wetmatige samenhangen, chaotische processen en de voortdurende emergentie van nieuwe mogelijkheden. Dit betekent natuurlijk niet dat transparantie en voorspelbaarheid geen rol meer spelen. Integendeel: juist voor wezens die in een zeer complexe en dynamische werkelijkheid leven zijn transparantie en voorspelbaarheid een groot goed. Maar het idee dat de vooruitgang van onze kennis tot steeds grotere transparantie op steeds meer terreinen van ons leven zou kunnen leiden, gaat radicaal overboord. Het eerste probleem waar wij op stuiten is namelijk dat transparantie en voorspelbaarheid vooral bereikt kunnen worden ten aanzien van relatief eenvoudige kenmerken en processen en ten aanzien van de structurele componenten van complexe samenhangen en processen. De lengte en het gewicht van Nederlanders bijvoorbeeld laten zich tamelijk exact bepalen. Met betrekking tot bijzonder belangrijke eigenschappen zoals bijvoorbeeld de geschiktheid van mannen als vader of als partner, zijn transparantie en voorspelbaarheid in de zin van het newtoniaanse wereldbeeld bijna geheel uitgesloten, ook al zouden vele vrouwen èn mannen graag over dergelijke informatie beschikken. Het feit dat exacte metingen hier al snel op grenzen stuiten komt niet alleen doordat geschiktheid voor het vaderschap of voor een relatie op uiteenlopende manieren cultureel geduid worden, maar ook door de openheid van de processen waar het om gaat. Vaders bijvoorbeeld die vooral met hun werk of hun hobby’s doende zijn, kunnen zich door onverwachte gebeurtenissen in hun leven ontwikkelen tot een redelijk geschikte ouder of echtgenoot (en omgekeerd) – de wereldliteratuur laat daar vele voorbeelden van zien, maar ook een film als Together van de Deense regisseur Lucas biedt daar een even komische als ontroerende illustratie van. Een goede vader of partner zijn is met andere woorden ten dele een structuurkenmerk en ten dele een emergente kwaliteit. Datzelfde geldt voor het grootste deel van de vermogens die voor de kwaliteit van ons bestaan van doorslaggevend belang zijn. Die worden zowel gekenmerkt door culturele variatie, als door complexiteit en openheid.  Wetenschapsmensen en beleidsmakers die met betrekking tot complexe vragen waarbij de kwaliteit van ons leven rechtstreeks in het geding is om waardevrije kennis en exacte informatie vragen als onwankelbare basis voor interventies en beleid, of voorspiegelen een dergelijke objectieve basis te kunnen leveren, dienen dan ook in hoge mate gewantrouwd te worden. Desalniettemin lijkt op beleidsniveau en binnen de menswetenschappen het newtoniaanse wereldbeeld meer invloed te hebben dan ooit tevoren. In zijn column in De Volkskrant (11 april 2003) heeft de bioloog Ronald Plasterk daarover op welsprekende wijze zijn verbazing uitgesproken. ‘Zelf werkzaam in de bètawetenschap kijk ik altijd met bevreemding naar het ontzag dat alfa’s hebben voor alles dat riekt naar getallen, modellen en formules. Voor dat ontzag bestaat zelfs een uitdrukking: “physics envy”. Men is jaloers op de exacte wetenschap, wordt moe van de vaagheid van de sociologie, de psychologie, en de economie, en dan is het fijn om ook een beetje exacte wetenschap te spelen (…) Er is in de exacte wetenschap allang niemand meer die denkt dat je met een simpel model het gedrag van een fruitvlieg kan voorspellen, maar we doen nog steeds alsof je dat met het gedrag van vijftien miljoen mensen in een open economie wel kan.’Inderdaad. Maar de populariteit en hardnekkigheid van de exacte illusies binnen de menswetenschappen hoeft nauwelijks te verbazen. Het is niet alleen ‘fijn’ om een beetje exacte wetenschap te spelen, zoals Plasterk stelt. Het succesvol oproepen van de illusie dat exacte prestaties geleverd kunnen worden ook waar dat bij nader toezien op misleiding berust, heeft een bijzonder grote marktwaarde, zowel in beleidsmatig als in commercieel opzicht. De suggestie van transparantie en controle betaalt zich uit in klinkende economische en politieke munt. Uiteraard zijn ook in de menswetenschappen exacte prestaties mogelijk en nuttig. Ook hier zijn vele structurele samenhangen te vinden die zich lenen voor exacte beschrijving en analyse. De openheid, de onvoorspelbaarheid en de inherente complexiteitstoename die volgens hedendaagse inzichten kenmerkend zijn voor de natuur in haar geheel, manifesteren zich echter in verhevigde en samengebalde vorm in de menselijke werkelijkheid. Juist vanwege deze overmatige complexiteit manifesteert het verlangen naar de reductie daarvan zich hier nog veel sterker dan in de natuurwetenschappen. De menswetenschappen en hun clientèle staan met andere woorden structureel bloot aan de verleiding om het eigen vermogen tot exacte beschrijving, voorspelling en beheersing systematisch te overdrijven en te overschatten.

Wanneer verdisconteerd wordt dat het succesvol oproepen van de illusie van exactheid zowel in beleidsmatig als in commercieel opzicht een grote marktwaarde heeft, komt de discussie over de ontwikkeling van Nederland als kennisland in een ander licht te staan. De exacte illusie past naadloos bij het economische vooruitgangsdenken en bij de heersende politieke ideologieën die de burger voorhouden dat alle problemen op het gebied van welvaart en welzijn door economische vooruitgang, technologische innovatie en doelmatig bestuur opgelost zullen worden. Het ideologische hart van dit vooruitgangsperspectief wordt gevormd door het autonome individu dat in staat is in vrijheid keuzes te maken en de eigen levensloop te controleren via opleiding, werk en een steeds breder scala aan consumptieve mogelijkheden. Alle commotie rond Nederland als kennisland en de bedreiging van onze positie als innoverende economie, gaat terug op het feit dat dit vooruitgangsperspectief in gevaar dreigt te komen wanneer wij technologisch achterop raken. ‘Onze’ toekomst als autonome, welvarende individuen wordt bedreigd. Deze commotie en die zorg zijn zeer begrijpelijk. Juist omdat postindustriële samenlevingen hun belofte dat de consumptieve autonomie zal toenemen ook tot op zekere hoogte waar maken gaat van het perspectief dat de groei oneindig door kan gaan zo’n grote verleiding uit:  wanneer onze welvaart steeds verder toeneemt en onze beheersingsmogelijkheden steeds groter worden zullen we allemaal een beter leven krijgen.

 

Maar klopt dat idee wel? Is het wel waar dat we allemaal een beter leven zullen krijgen wanneer we maar blijven innoveren en onze welvaart almaar toeneemt? Ik betwijfel dat zeer. De toenemende beheersing van natuurlijke en maatschappelijke processen die de basis van dit vooruitgangsperspectief vormt, stuit niet alleen op empirische grenzen, op het feit dat de complexiteit van de vragen en processen die ons het meeste interesseren zich slechts tot op beperkte hoogte laat reduceren. Het verlangen naar toenemende beheersing stuit ook op grenzen die een moreel en existentieel karakter hebben. De dominerende politieke ideologieën in postindustriële samenlevingen hebben een universele strekking: zij beloven aan iedereen een beter leven. Tegelijkertijd zijn binnen die samenlevingen zeer sterke particularistische krachtenvelden werkzaam, die deze belofte structureel ondermijnen, zoals ook uit de discussie rond Nederland als kennisland blijkt. Die discussie gaat namelijk helemaal over de noodzaak dat ‘wij’ in technologisch opzicht vooraan komen te staan. Dat ‘wij’ heeft echter vooral betrekking op de welvarende, goed opgeleide middengroepen en de elites daarboven.
Degenen die niet in staat zijn om aan de eisen van de kenniseconomie te voldoen, die niet voldoende opleiding hebben of niet voldoende gezond en energiek zijn of de vereiste flexibiliteit en hardheid missen gelden als tweederangs-burgers die hun inferieure positie uiteindelijk aan hun eigen onvermogen te danken hebben. Dezelfde spanning manifesteert zich nog duidelijker wanneer niet alleen de Nederlandse situatie maar ook mondiale vragen rond ongelijkheid en rechtvaardigheid bij de overwegingen betrokken worden. Dan dringt zich de conclusie op dat de enorme groei van wetenschappelijke kennis en de spectaculaire toename van technologische beheersingsmogelijkheden van de afgelopen decennia ons nauwelijks verder hebben geholpen bij het omgaan met de toegenomen morele complexiteit van de wereld waarin wij leven. Eerder is het tegendeel het geval. De exacte illusies verleiden namelijk tot het verdringen van complexiteit wanneer de reductie daarvan niet goed lukt. Die verdringing manifesteert zich niet alleen in de onopgeloste spanning tussen moreel universalisme en economisch particularisme, maar ook op een nog fundamenteler niveau: het niveau van de existentiële dilemma’s en de bestaansknopen.

Trage vragen

Wanneer mensen een groot verlies lijden of hun zelfbeeld aan gruzelementen zien vallen of ervaringen van onrecht, vernedering en uitsluiting moeten verwerken, en het lukt niet om hun bestaan langs technisch-professionele weg uit de knoop te halen, dan zien zij zich gedwongen om op een heel andere manier om te gaan met de trage vragen die daarmee op hun bord liggen. Een vereenvoudigend beeld van hun situatie dat greep biedt op structurele kenmerken en snelle oplossingen helpt dan niet. Eerder gaat het dan om het echt toelaten en doorwerken van het verlies en om de trage zoektocht naar een complexer beeld van het zelf en van je leven, naar rijkere taal om te benoemen waar het in het leven uiteindelijk echt om gaat.  Dergelijke zoektochten vragen om  heel andere vermogens en hulpbronnen dan rationele analyse en technisch vernuft en roepen ook andere vormen van omgang op met de omgeving. In plaats van de productiedruk en de concurrentie die het strategische universum van het beheersingsdenken kenmerken, brengt het aangaan van trage vragen in potentie juist een intensivering mee van relaties en een versterking van hun emotionele diepgang.Hier komen de existentiële grenzen van het postindustriële vooruitgangsperspectief in zicht. Kwaliteit van leven wordt daarbinnen gelijkgesteld aan toename van consumptieve autonomie. Na twintig jaar expansie van de postindustriële samenleving, gekenmerkt door onafgebroken economische groei en spectaculaire technologische innovaties, kunnen we constateren dat dit vooruitgangsideaal ons niet alleen individuele vrijheid, comfort en veelzijdig vertier heeft opgeleverd, maar ook een grotere prestatiedruk, toenemende maatschappelijke tegenstellingen en groeiend moreel onbehagen. De toename van consumptieve autonomie en alles wat daar bij hoort dreigt ons eerder weg te voeren van centrale levenskwaliteiten dan ons daar dichter bij te brengen. Daarbij denk ik aan ervaringen en vermogens als vriendschap, trouw, zorg, intimiteit en emotionele nabijheid, maar ook aan kwaliteiten als integriteit, maatschappelijke betrokkenheid, moed en inspiratie. Al deze kwaliteiten en ervaringen liggen voorbij het register van de beheersing en de consumptie. Zowel wanneer wij hen van anderen ervaren als wanneer wij daar zelf de drager van kunnen zijn, vormen zij de bron van kleur en diepgang in ons bestaan en dragen zij bij aan ervaringen van samenhang, verwondering en hoop. Het zijn kortom deze ervaringen en kwaliteiten die uiteindelijk bepalend zijn voor de zin van ons leven.

Horizontale zingeving

Uit het voorafgaande volgt dat daadwerkelijke maatschappelijke vooruitgang en verbetering van de kwaliteit van ons leven slechts tot op beperkte hoogte gediend zijn met nog meer wetenschappelijke en technologische vooruitgang. In plaats van een koppositie na te streven in de internationale concurrentie- en innovatiestrijd, wil ik dan ook pleiten voor een meer-sporenbeleid. Een positie in de middenmoot van innoverende landen en economieën lijkt mij voor ons land meer dan voldoende. De vrijkomende middelen en energie kunnen dan besteed worden aan het voeden en versterken van een heel ander soort leerprocessen, waaraan in ons land en daarbuiten   dringend behoefte bestaat, namelijk het bevorderen van de groei van kennis en inzicht op moreel en existentieel niveau en het ontwikkelen van nieuwe verbindingen tussen die inzichten en de technologische vooruitgang.Traditioneel zijn dergelijke vormen van inzicht vooral buiten de exacte wetenschappen te vinden: in kunst, literatuur en poëzie, in filosofie, religies en levensbeschouwingen, in verhalen en biografieën en tenslotte in de geesteswetenschappen die dergelijke narratieve bronnen bestuderen en verder helpen doordenken. Kenmerkend voor deze vormen van narratieve kennis is het feit dat zij de complexiteit van het menselijke bestaan niet reduceren, maar articuleren, dat zij stem geven aan de wanhoop én aan de verwondering over die complexiteit, dat zij daarover te denken geven en zicht bieden op de kwaliteiten die nodig zijn om daar op een menswaardige manier mee om te gaan. Dergelijke vormen van narratief inzicht zijn niet onschuldig. Net als wetenschap en technologie worden zij gekenmerkt door hun eigen dubbelzinnigheid. Hun oriënterende functie bij het omgaan met zingevingsvragen maakt hen bij uitstek geschikt als voertuig voor dwingende normen en identiteitsmodellen en de daarmee verbonden machtsverhoudingen. De exacte illusies vinden hier een pendant in de illusies van wijsheid en rechtvaardigheid die door maatgevende teksten uit onze culturele tradities worden opgeroepen, ook waar zij vormen van overheersing en uitsluiting bevestigen en versterken. Het verschil is echter dat de onderliggende morele en existentiële vragen hier rechtstreeks aan de orde zijn, dat de reflectie op onze hypergoods, zoals Taylor zegt, hier gestimuleerd in plaats van verdrongen wordt.

De hamvraag is nu in mijn ogen hoe dergelijke vormen van narratief gedragen reflectie en inzicht op nieuwe manieren in verbinding te brengen met de economische en technologische groeidynamiek van postindustriële samenlevingen. In het gelijknamige rapport pleiten de onderzoekers Bijker en Peperkamp voor een ‘geëngageerde geesteswetenschap’, die zich actief richt op het doordenken en begeleiden van alle complexe vragen die met de technologische vooruitgang verbonden zijn. Dat is een stap in de goede richting maar het is niet genoeg. Wij zijn in onze tijd niet alleen getuige van een ongekende technologische groepspurt, maar ook van een minstens zo vérstrekkende verschuiving op het gebied van narratieve tradities en zingevingskaders, gekenmerkt door de verschuiving van verticale naar horizontale vormen van zingeving. Verticale zingevingskaders worden gekenmerkt door het beroep op een onbetwijfelbare, volmaakte oorsprong en door de bijbehorende dogmatische geldigheidsclaims en hiërarchische omgangsvormen maar ook door een bewuste afstand tot het domein van de arbeid en de techniek. Die scheiding manifesteerde zich zowel in de kloof tussen het sacrale en het profane domein als in de afstand tussen de hoge cultuur van de ‘gebildeten’ en de ‘platte’, laag-bij-de-grondse werkzaamheden van ingenieurs en boekhouders. Het is een van de hoopgevende verworvenheden van onze tijd dat dergelijke verticale zingevingskaders in toenemende mate plaats maken voor horizontale vormen van zingeving, gekenmerkt door ruimte voor persoonlijke stellingname en individuele zoektochten op moreel en existentieel gebied en ingebed in een radicaal-democratisch ethos dat in het teken staat van pluraliteit en respect voor verschil. Hierop voortbouwend zou Nederland als kennisland een meer-sporenbeleid moeten voeren, met als kern het streven om ruimte te maken voor horizontale vormen van zingeving binnen de kantoren, laboratoria en de machinekamers van de post-industriële vooruitgang. De producten en de logica daarvan dringen steeds verder door in ons dagelijks leven en raken daar verstrengeld met individuele zingevingsprocessen. Opleiding, werk en consumptie vormen voor steeds meer mensen de hoofdmoot van hun bestaan. De gemiddelde Nederlandse werknemer bijvoorbeeld brengt veel meer tijd door met collega’s dan met familie of vrienden. En wanneer wij allen levenslang moeten leren dan zullen we een steeds groter deel van ons bestaan samen met anderen doorbrengen in educatieve situaties. In onze consumptiepatronen ten slotte worden beleving en emotie belangrijker dan de bevrediging van materiële behoeften.

In deze wederzijdse toenadering van postindustriële productie en consumptie aan de ene kant en horizontale zingevingsprocessen aan de andere kant liggen niet alleen grote risico’s besloten, maar ook kansen. De mogelijkheid namelijk om de morele vragen en existentiële uitdagingen die zich daarbij voordoen niet te reduceren of te verdringen, maar daar  bewust ruimte voor te maken. Dat betreft zeer concrete vragen. Bijvoorbeeld voor de nieuwe beroepsgroep van indicatiestellers die in het kader van de AWBZ binnen de Regionale Indicatie Organen geacht worden om op objectieve gronden te beslissen over zorgbehoeften van cliënten en daarbij voortdurend op niet-objectiveerbare vragen stuit, zoals de vraag hoeveel mantelzorg van familie en vrienden verwacht mag worden. Of de psychiaters in ons land die onder grote druk staan om een volledig biologisch georiënteerd paradigma voor hun beroep te accepteren en ondertussen in de grote steden met hun handen in het haar zitten door de verwevenheid van psychiatrische problemen, maatschappelijke achterstandsposities en criminaliteit. Of de wetenschappers en technici op het gebied van genomics die via hun werk een heel nieuwe categorie morele en existentiële vragen in de wereld brengen, waar velen van hen zich grote zorgen om maken. In de discussie over de ontwikkeling van Nederland als kennisland zijn zogezien economische, kentheoretische, politiek-morele en existentiële vragen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wil die ontwikkeling inderdaad bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van ons leven, dan dient het bevorderen van exacte prestaties samen te gaan met het ontwikkelen van nieuwe beddingen voor morele reflectie en het  bevorderen van geëngageerde vormen van professionaliteit.

Harry Kunneman is hoogleraar sociale theorie en rector magnificus van de Universiteit voor Humanistiek. Dit is een verkorte versie van het laatste hoofdstuk uit zijn boek Kritisch Humanisme, dat eind dit jaar verschijnt bij de Humanistic University Press, Utrecht.

Kennis, kennis, kennis. Kennisstrategie 2010, actieplan, VNO-NCW, KNAW, NWO, TNO, VSNU, Den Haag, februari 2003.
Geëngageerde geesteswetenschap, W. Bijker en B. Peperkamp, AWT Den Haag 2002.