‘Heb lief en doe wat je wilt’
Een patiënt, een dertiger die werkt als HR-manager bij een groot techbedrijf, woont sinds een paar maanden samen. Hij is gelukkig met zijn vriendin en het samenwonen geeft hem het gevoel eindelijk volwassen te zijn. Maar na een paar weken boodschappen doen van de en/of-rekening, een gezamenlijke agenda bijhouden en elke nacht samen slapen, krijgt hij last van allerlei spanningsklachten. Bij alles wat hij doet vraagt hij zich af of zij het goed vindt, of hij wel voldoende aan haar denkt, of hij mag willen wat hij wil. Wanneer hij een avond uit wil met zijn vrienden, durft hij dat niet te vragen. Zijn grootste angst is om egoïstisch te worden gevonden, al lijkt zijn vriendin niet bijzonder kritisch.
‘Heb lief en doe wat je wilt’ is een uitspraak van filosoof en kerkvader Augustinus (354-430). Wanneer je uit liefde (voor God) handelt, kun je doen wat je wil. Om moraal of regels hoef je je niet te bekommeren, zolang liefde je drijfveer is.
Welke waarde hebben deze eeuwenoude woorden voor mijn patiënt? Als ik het zou vragen, zou hij zeggen dat hij zijn vriendin liefheeft, maar niet het gevoel heeft te kunnen doen wat hij wil. Een vraag die misschien minder voor de hand ligt, is of hij zelf de ervaring kent geliefd te zijn. Ook hierop zou hij ‘ja’ antwoorden. Zijn ouders waren betrokken en verzorgend, maar beiden op hun eigen manier emotioneel afwezig. Als hij driftig of anderszins overstuur was, haakten ze af. Mijn patiënt heeft vooral eenzame herinneringen aan zijn kindertijd; in zijn tienerjaren ontvluchtte hij het huis.
In haar boek Just kids beschrijft zangeres Patti Smith haar vriendschap met de kunstenaar Robert Mapplethorpe. Ze ontmoetten elkaar toen ze twintigers waren. Eerst waren ze geliefden en later vrienden. Hun toewijding aan het kunstenaarschap en vertrouwen in elkaars artistieke aspiraties bond hen. Wat opvalt, is de vanzelfsprekende toewijding aan elkaar: als de een wankelde, zorgde de ander dat hij stevig stond. Wanneer Patti terugkomt na een bezoek aan Parijs en Robert ziek en verzwakt aantreft – ze zijn dan al niet meer samen – zet ze alles in gang om hem te helpen. Opvallend is dat ze zich nooit opoffert, ondanks haar bereidheid om veel dingen op te geven om voor hem te zorgen.
In een interview – ze is dan halverwege de zeventig – zegt Smith: ‘Ik doe wat ik wil, of ik doe het niet.’ Het gesprek gaat over de dingen die ze maakt, maar ik hoor meer in deze zin, iets wat verder reikt dan haar artistieke leven. Komt het door haar trefzekere formulering? Het vertrouwen waarmee ze spreekt? Er klinkt geen verzet of opstandigheid in haar toon, ze spreekt niets of niemand tegen. Ze twijfelt simpelweg niet aan zichzelf.
Mijn patiënt leerde zich geliefd te voelen doordat zijn ouders dingen voor hem deden. Daaruit leidde hij af dat ze om hem gaven. Hij heeft het gemist om te voelen dat hij echt geliefd en geaccepteerd werd om wie hij is, met al zijn drift en razernij. En omdat hij liefde heeft leren vertalen in handelingen, bestaat zijn relatie uit een uitruil van dingen die hij en zijn vriendin voor elkaar doen. Zo houdt hij van zijn vriendin: op basis van wat ze voor hem doet, in plaats van wie ze is. En zo houdt zij ook van hem, denkt hij. Op die manier gijzelt hij hen in een illusie van liefde waarin geen van beiden zich vrij mag voelen. Want dat zou egoïstisch zijn.
De gevalsbeschrijvingen uit deze rubriek zijn nooit herleidbaar tot een bestaande patiënt of oud-patiënt.

