‘De mens is het enige wezen dat weigert te zijn wat het is’
Toen ik eens aan een oudere collega vroeg wat ze aan haar eigen therapie had gehad, zei ze: ik heb ontdekt dat ik een heel angstige vrouw ben. Ze keek er tevreden bij. Ik wachtte op een vervolg – over dat ze van die angst bevrijd was, over hoe ze moedig had leren worden – maar er kwam niets.
Haar woorden luchtten me op. Het was een vrouw tegen wie ik opkeek en haar horen zeggen dat ze zichzelf als angstig zag, met zoveel berusting en openheid en zonder de neiging het te verzachten, deed iets met me. Therapie lijkt soms wel een koan, zo’n puzzelachtige wijsheid die je alleen heel even kunt snappen.
Onlangs sloot ik een therapie af. De patiënt, een dertiger met een goede baan bij de overheid, was er stukken beter aan toe dan bij aanvang. Toen had hij een baan onder zijn niveau en een relatie met een vrouw die hij idealiseerde en die weinig aan hem toegewijd leek. Nu had hij, naast een uitdagende baan, een stabiele, liefdevolle relatie. We stonden stil bij zijn ontwikkeling. Hij kon heel duidelijk beschrijven wat hem beter afging dan voorheen – de bekende combo van beter voelen, grenzen aangeven en minder aanpassen. En toch, als hij niet oppaste schoot hij weer in zijn oude groef. In zijn diepste wezen leeft nog altijd de aanpasser en de pleaser. Iemand die sorry zegt als een ander een drankje over hem heen knoeit. Het frustreert hem mateloos.
‘De mens is het enige wezen dat weigert te zijn wat het is,’ schreef Albert Camus. Het is een zin waarmee je waarschijnlijk zo’n beetje elke therapie zou kunnen samenvatten. De crux is dat we niet willen voelen wat we voelen en als we het eenmaal wel voelen, willen we zo er zo snel mogelijk vanaf door ofwel onszelf ofwel de ander te bestraffen.
In haar memoires Mother Mary comes to me (2025) schrijft de Indiase schrijver Arundhati Roy over haar moeder; een vrouw die haar kwelde, maar aan wie ze niet alleen haar bestaan maar ook haar schrijverschap te danken heeft. Ze schrijft het volgende over haar (Mrs Roy): ‘Mrs Roy leerde me om te denken en ging toen tekeer tegen mijn gedachten. Ze leerde me om vrij te zijn en ging tekeer tegen mijn vrijheid. Ze leerde me om te schrijven en verafschuwde de schrijver die ik werd.’ In deze drie zinnen vat Roy hoe zelfafwijzing de spil van haar opvoeding was.
Mijn patiënt groeide eveneens op met een extreem kritische en veeleisende moeder die vooral passief-agressief communiceerde. Stilte was haar grootste wapen. Mijn patiënt bezweek als kind geregeld onder de angst en zorg dat hij haar iets had aangedaan. Hij was vaak razend op haar, ook in stilte. Doordat hij zijn woede en angst heeft leren begrijpen en accepteren, beweegt hij zich nu een stuk vrijer door het leven. Maar het kind dat zo angstig en woedend kon zijn, is niet weg. Pas wanneer het kind een volwaardige plek krijgt in de binnenwereld van mijn patiënt, kan het zijn strijd om te mogen bestaan staken.
De gevalsbeschrijvingen uit deze rubriek zijn nooit herleidbaar tot een bestaande patiënt of oud-patiënt.

