Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 6/2021

‘Falen doet pijn, maar je valt er niet mee samen’

Femke van Hout

Tien jaar lang was Stine Jensen columnist voor Filosofie Magazine; deze maand zwaait ze af. In Faalmoed bundelt ze enkele van haar columns. Die gaan vaak over het menselijke gestuntel en de angst om te mislukken.

Beeld Ivo van der Bent

Ik ontmoet filosoof Stine Jensen (49) vlak bij haar huis in Amsterdam-West. Door de drukke straten van de binnenstad banen we ons – al zigzaggend vanwege de anderhalvemeterregel – een weg naar haar favoriete Griekse coffee-to-go-zaak. Daar strijken we op een door de ochtendzon verwarmd bankje neer voor een gesprek over Jensens zojuist verschenen bundel, die volgens de achterflap een ode vormt aan ‘de falende, kwetsbare en verlangende mens die eeuwig tekortschiet’.

In uw bundel bespreekt u veel verschillende onderwerpen, zoals kwetsbaarheid, liefde, schoonheid, leeftijd en de maatschappelijke strijd om identiteit. Wat hebben al deze thema’s met ‘de falende mens’ te maken?
‘Ik heb lang getwijfeld of het wel zinnig was om mijn columns te bundelen. Er moet, vind ik, wel een overkoepelend thema zijn dat al die verschillende teksten bij elkaar brengt. Maar in 2019 besefte ik dat dat inderdaad zo was. Dat jaar was het thema van de Maand van de Filosofie “Ik stuntel, dus ik ben”. En ik kreeg meteen vijf uitnodigingen! Ik begon daardoor echt aan mezelf te twijfelen: heb ik mijzelf nu werkelijk zo erg als stuntelaar neergezet?

Maar toen bedacht ik dat het mislukte of het gefaalde eigenlijk altijd het uitgangspunt vormt van mijn schrijven. Of op z’n minst toch een angst om te mislukken of mislukt te zijn. Ben ik wel een goede opvoeder? Een mooie vrouw? Waarom kreeg ik nu die vreselijke burn-out? En wat betekenen leeftijd en schoonheid in een wereld die draait om uiterlijk en perfectie? Het menselijke falen, het altijd maar tekortschieten – daar begint mijn denken.’

Wat is falen eigenlijk? Wat betekent het als je zegt: ‘Ik heb gefaald’?
‘En in de ogen van wie? Dat is een vraag die meteen bij falen komt kijken. Falen vergt namelijk altijd een publiek: als je faalt, kijk je naar jezelf door de ogen van de ander. Daarnaast faal je altijd ten opzichte van iets. Dat kan een maatschappelijke norm zijn, maar ook een persoonlijk doel. Je wilde iets zijn, of iets bereiken, en het is je niet gelukt.

Falen is ook een heel heftige ervaring. Het is niet zomaar een beetje gestuntel, of een kleine mislukking die je direct weer achter je kunt laten. Als je faalt, slaat dat echt een deuk in je zelfbeeld. Bij falen hoort namelijk altijd de veronderstelling dat het ten minste deels je eigen schuld is: jíj hebt immers gefaald! Dat herinner ik me nog goed van mijn eerste echte faalervaring. Ik was tien en zakte voor mijn schaakexamen. Mijn tweelingzus had het wél gehaald. Ik voelde me mislukt, ontzettend beschaamd. Ik durfde het eerst niet eens aan mijn ouders te vertellen.’

In uw boek roept u mensen op om ‘faalmoedig’ te zijn. Is dat het tegenovergestelde van faalangstig zijn?
‘Ik zou eerder zeggen dat faalmoed en faalangst op een spectrum bestaan. Faalmoed staat volgens mij precies tussen faalangst en wat ik maar even “faalovermoed” noem in. Als je faalangstig bent, kun je zo bang zijn dat je helemaal verlamd raakt. Dan kom je nergens meer aan toe. Als je daarentegen faalovermoedig raakt en denkt dat je alles zomaar kunt, verdwijnt eigenlijk alle reflectie en is er juist helemaal geen ruimte meer voor angst en pijn.

Faalmoed is het midden tussen die twee. Er is ruimte voor aarzeling en angst, want je weet dat wat je doet altijd kan mislukken. En toch doe je het. Dat is moedig. Het doet me denken aan mijn favoriete uitspraak van Kierkegaard: “Durven is even je evenwicht verliezen. Niet durven is jezelf verliezen.” Iets nieuws beginnen betekent altijd dat je even wankelt, maar daar moet je je niet door laten afschrikken.’

In uw boek noemt u het project Cv der mislukkingen van de VPRO, waarvoor u samen met vijf anderen publiekelijk een cv vol mislukkingen deelde. Is het maken van zo’n faal-cv een manier om faalmoedig te zijn?
‘Deels wel. Het Cv der mislukkingen is gebaseerd op Cv of Failures van de Amerikaanse psycholoog Johannes Haushofer, die met zijn project vraagtekens plaatste bij de manier waarop we naar succes kijken. Binnen de wetenschap kun je bijvoorbeeld een zeer goede beoordeling ontvangen voor een aanvraag, maar de beurs toch niet krijgen omdat er simpelweg niet genoeg geld is. Je faalt dan eigenlijk met een 10. Je hebt het ontzettend goed gedaan, en toch sta je met lege handen.

Dat gebeurt ook als je nét tweede wordt bij een finale sollicitatieronde. Of als je als sporter een milliseconde te laat over de finish gaat, waardoor je nét geen wereldkampioen bent. Dat roept kritische vragen op: wat betekent succesvol zijn als succes zo vaak niet samenvalt met hoe goed je het eigenlijk doet? Draait het in onze maatschappij misschien te veel om resultaat in plaats van om kwaliteit?

Daarnaast denk ik dat zo’n faal-cv een emancipatoire werking kan hebben. Voor het project van de VPRO deelden zes mensen met verschillende beroepen – een acteur, een schrijver, een tv-presentator, een ondernemer en ik – hun faalervaringen. Dat kan mensen ook laten zien dat doorzetten belangrijk is om succesvol te zijn.’

‘Als je faalt, slaat dat echt een deuk in je zelfbeeld’

Schuilt in iets als Cv der mislukkingen niet ook het gevaar van persoonsverheerlijking? Impliciet lijkt de schrijver ervan namelijk ook te zeggen: ‘Kijk eens hoe succesvol ik ben, ondanks alle tegenslagen!’
‘Dat klopt. Het delen van een faal-cv heeft ook een zekere entertainment value. Voor het VPRO-programma deelden bijvoorbeeld alleen in hun werk “geslaagde” mensen hun mislukkingen. Maar dat is lekker makkelijk; falen wordt vanzelf minder pijnlijk als het in een leuk succesverhaaltje past.

Zo werd mijn kinderboek Lieve Stine, weet jij het? in 2014 eerst door vier uitgeverijen afgewezen. Dat vond ik destijds echt heel pijnlijk. Maar toen het uiteindelijk toch werd gepubliceerd, won ik er de Zilveren Griffel mee. Bij wijze van spreken kan ik die eerdere uitgeverijen nu uitlachen, zwaaiend met mijn Griffel: “Zien jullie nu dat ik het kan?” En dat haalt alle pijn weg uit die eerdere afwijzingen. Dan is het geen falen meer, want falen gaat niet zonder een zekere pijn. Een pijn die we misschien liever wegstoppen. En dat is jammer.’

Waarom?
‘Als het delen van je falen niet meer pijnlijk is, wat maakt het dan nog anders dan het delen van een succesje? Dan wordt het gewoon nóg een oppervlakkig berichtje op je Facebook-feed. In onze exhibitionistische cultuur lijkt soms bijna alle schaamte te ontbreken. Zoiets zag ik ook gebeuren bij de documentaire Mijn seks is stuk van Lize Korpershoek. Korpershoek sprak over haar “gefaalde seksleven”, maar deed ook alsof daar niets pijnlijks of kwetsbaars aan was. Maar spreken we dan nog van falen? Het lijkt alsof we gewoon niet weten hoe we om moeten gaan met de pijn die bij onze menselijke kwetsbaarheid komt kijken.’

In uw columns schrijft u veel over de kwetsbaarheid van de mens. Wat is het verschil tussen kwetsbaar zijn en falen?
‘Tja, eigenlijk moet iedere filosoof eerst al zijn begrippen duidelijk definiëren voor hij gaat schrijven. En dat heb ik in dit geval niet echt gedaan. Maar kwetsbaarheid en falen hebben in elk geval wel veel met elkaar te maken. Als je faalt, als je echt voor jezelf faalt, dan ervaar je kwetsbaarheid. Je voelt je mislukt en komt jezelf tegen; alles wat je misschien minder aangenaam vindt aan jezelf, je teleurstelling, je worsteling. Daarnaast kan kwetsbaar zijn ook als falen voelen. Als je bijvoorbeeld te ziek of te oud bent om aan bepaalde maatschappelijke normen te voldoen, kun je dat als een persoonlijk falen ervaren.’

Maar is dat niet onterecht? Als je ziek bent en op zoek gaat naar de oorzaken, is de conclusie dan niet vaak dat het gewoon domme pech is?
‘In essentie is het ook vaak domme pech. En toch ervaren we onze kwetsbaarheid vaak als een persoonlijk falen, vooral in een maakbare samenleving als de onze. We hebben het gevoel dat we alles in
orde kunnen maken, dat we alles maar kunnen repareren. En we meten alles: onze likes op Facebook, het aantal stappen dat we zetten, of we een “geslaagd” of “gefaald” slaapritme hebben. Het is een soort faalterreur, terwijl we in feite maar heel weinig zelf in de hand hebben. Dat is niet alleen domme pech, want soms lijkt het alsof het systeem zo ontworpen is dat we niet anders kúnnen dan falen.’

Hoe bedoelt u?
‘Neem bijvoorbeeld de coronacrisis: er verschijnen veel krantenartikelen over “de dikke man” die door zijn slechte conditie op de IC komt te liggen. Maar is dat zijn eigen schuld? Of hebben veel mensen in feite te weinig hulp of middelen om gezond te leven? Een ander voorbeeld is de klimaat­crisis: is het de schuld van de consument dat er zoveel CO2-uitstoot is? Of komt het door multinationals, door slechte wetgeving? Er bestaat in die zin een gekke discrepantie in onze maatschappij: er wordt ons steeds verteld dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen, maar tegelijkertijd hebben we heel weinig controle. Dat zorgt voor veel frustratie en wantrouwen.’

Is faalmoed dan wel de oplossing voor ons faalprobleem? Het woord ‘falen’ impliceert namelijk dat het toch deels onze eigen schuld is, maar dat is heel vaak dus niet zo.
‘Ja, dat is een goede vraag. Misschien hebben we meer aan een reflectie op onze menselijke kwetsbaarheid, of aan systeemkritiek. Maar tegelijkertijd hebben wij mensen ook wel enige controle over ons leven. Totale maakbaarheid is een illusie; wij kunnen straks samen de weg oversteken en plotseling veronge­lukken. Maar toch heb ik het nodig om te geloven dat ik als mens ook wél heel veel kan bewerkstelligen en beïnvloeden.’

‘Iets nieuws beginnen betekent altijd dat je even wankelt, maar daar moet je je niet door laten afschrikken’

Ik merk vaak dat ik niet alleen het gevoel heb dat ik als individu faal, maar ook faal ten opzichte van een bepaalde rol of identiteit. Dan voel ik me falen als vriendin, of als vrouw.
‘Daar schrijft Marjan Slob heel mooi over in haar boek De lege hemel. Over eenzaamheid. Ze vertelt hoe je kunt falen ten opzichte van je rol als moeder, als vriendin, als vrouw. Ik heb dat faalgevoel zelf met name met vrouw-zijn gehad. Er is zoveel beeldvorming over vrouwelijkheid; we worden omringd door talloze plaatjes die laten zien hoe sexy, of sportief, of zorgzaam je zou moeten zijn. Het lijkt daardoor alsof je constant naar jezelf kijkt door de ogen van de ander en je op elk moment compleet kunt afgaan.’

Wat zou faalmoed ten opzichte van je rol als vrouw – of man – betekenen?
‘Ik denk dat het betekent dat je je niet laat verlammen door die blik van buitenaf, maar toch gewoon
over de drempel stapt om eens te gaan experimenteren met die verschillende vrouwelijke of
mannelijke rollen.

Ik moet nu denken aan Connie Palmen – toch wel onze oermoeder filosofie – die zei: “Als ik hakken en netkousen aantrek, dan voel ik me net een slechte actrice in een B-film.” Maar doe het toch maar eens! Probeer het uit en kijk wat het met je doet. En weet: je hoeft niet bang te zijn, want er ligt nooit één rol voor je vast. Je valt niet samen met de rol die je speelt.’

Dus faalmoed gaat ook gepaard met een bepaalde speelsheid?
‘Ja! Toen ik als tienjarige mijn examen niet haalde, had ik het gevoel dat ik helemaal samenviel met mijn mislukking. Maar dat is natuurlijk onzin. Het gaat erom dat je weet dat er ruimte zit tussen jou en de rol. Pas dan kun je ermee spelen. Wat dat betreft heeft faalmoed iets paradoxaals. Je moet accepteren
dat falen iets pijnlijks over jezelf kan zeggen én weten dat je niet geheel met dat falen samenvalt. We moeten beseffen dat wij mensen niet alles in de hand hebben en toch onze verantwoordelijkheid nemen. Met die dubbelheid om durven gaan, dat is moedig.’

Faalmoed en andere ­filosofische overdenkingen
Stine Jensen
Pepper Books
176 blz. | € 17,99