Home Identiteit Derrida kent geen vaststaand ‘wij’
Identiteit

Derrida kent geen vaststaand ‘wij’

In colleges van de Franse denker Jaques Derrida leerde Jannah Loontjens opnieuw na te denken over de vraag wie we bedoelen als we ‘wij’ zeggen.

Door Jannah Loontjens op 22 oktober 2018

Derrida kent geen  vaststaand ‘wij’ beeld Antoine Schibler
Cover van 11-2018
11-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Mijn man maakt zich zorgen om zijn nationaliteit. Ik bedoel daarmee niet dat hij zich zorgen maakt om zijn identiteit – een verwarring waar tegenwoordig algauw sprake van is –, maar om zijn paspoort. En daarmee samenhangend om zijn vrijheid om te reizen en verblijven. Zijn Soedanese naam maakt het hem al vaak lastig aan de grens, maar nu dreigt zijn Britse paspoort ook nog voor problemen te gaan zorgen. Als de Brexit wordt doorgevoerd, hoort hij er ineens niet meer bij hier in de Europese Unie.

Enkele decennia leek er een zekere openheid te worden nagestreefd – de Muur viel, de Europese Unie breidde zich uit –, maar tegenwoordig leven we juist in een tijd waarin deuren worden gesloten en grenzen harder worden. Vaak wordt er gezegd dat er steeds meer een cultuur van ‘wij’ tegen ‘zij’ is. De vraag hierbij is wie we eigenlijk bedoelen als we ‘wij’ zeggen. En hiermee wordt de vraag naar nationaliteit toch ook weer een identiteitsvraag. Precies deze vraag heeft de Franse filosoof Jacques Derrida willen onderzoeken.

In de jaren negentig studeerde ik filosofie aan de New School for Social Research in New York. Derrida gaf daar gastcolleges en ik had het geluk eraan deel te mogen nemen. Derrida’s roem bevond zich op een hoogtepunt, maar hij kreeg ook veel kritiek. Zo werd hem kwalijk genomen dat hij nooit echt stelling nam, maar altijd overal omheen draaide en dat dit ontwijkende, meanderende denken het onmogelijk maakte om politiek betrokken te zijn. Toch concentreert zijn denken zich voortdurend op ethische vragen, en in de colleges die ik bij hem volgde stelde hij de politiek uiterst relevante vraag: wie bedoelen we als we ‘wij’ zeggen?

Aangestaard

Hoewel het filosofische gebruik van ‘wij’ eeuwenlang uiting gaf aan een eurocentrisch, zogenaamd universeel ‘wij’, voornamelijk gebezigd door mannen, wilde Derrida naar een ander idee van ‘wij’ toe. Het ‘wij’, maar ook Europa, moest zichzelf opnieuw uitvinden, meende Derrida, zoals hij ook had gesteld in zijn boek L’autre cap (waarvan ik de Engelse vertaling las, getiteld The Other Heading). Europa heeft een geschiedenis waarin het zichzelf voortdurend opnieuw vormgeeft. Juist deze veranderlijkheid kenmerkt Europa. Jezelf Europeaan noemen impliceert misschien ook wel dat je niet precies weet wat je identiteit is, dat de kern juist onzeker en veranderlijk is, opperde Derrida.

Als je een Soedanese naam hebt en zegt je Europees te voelen, word je algauw wantrouwig aangestaard. ‘Het lijkt wel of ze denken dat ik een gespleten persoonlijkheid heb’, zei mijn man laatst, ‘half Afrikaans, half Europees.’ Derrida meende dat we onszelf de vraag moeten stellen of die tegenstelling tussen eurocentrisch en anti-eurocentrisch nog wel zinnig is. Fransman, maar geboren in Algerije, waar hij oproeide in een Joods gezin, was hij zelf een voorbeeld van hoe gemengd de achtergrond van een Europeaan kan zijn.

Volgens Derrida ligt het denken in tegenstellingen, zoals westers-niet-westers, links-rechts, man-vrouw, wit-zwart, in het Europese denken verankerd. Vaak gaat dit binaire denken gepaard met een hiërarchische indeling: het ene deel van de tegenstelling wordt als het betere of hogere ervaren. Derrida wilde hier een ander denken tegenoverstellen, een denken dat open zou staan voor andere mogelijkheden en dat zichzelf niet altijd direct hoefde te herkennen in oude zekerheden. Kortom, een denken dat onzekerheid als een vruchtbaar principe zou omarmen.

In onze globaliserende wereld, waarin uiteenlopende culturen elkaar steeds meer beïnvloeden, groeit echter juist het verlangen naar zekerheid en eigenheid. Aan het begin van deze eeuw zag Derrida dit verlangen al toenemen en waarschuwde hij voor het nieuwe conservatisme; voor de neiging van mensen om houvast te zoeken in afkomst, religie of andere vormen van traditie. Zijn idee van een ‘wij’ dat in principe ieder ander zou moeten kunnen verwelkomen, een ‘wij’ dat niemand zou buitensluiten, werd met de jaren utopischer gevonden.

Het wereldwijd toenemende nationalisme, Brexit, Trump, en in ons eigen land Wilders en Baudet, de verhitte ruzies over Zwarte Piet en over het wel of niet mogen beschikken over twee paspoorten, wijzen op angst voor verandering. De hoop die Derrida in zijn colleges uitsprak – dat nationale identiteit plaats zou maken voor een wereldser, kosmopolitischer gedachtegoed, waarin identiteit niet aan je geboortegrond gekoppeld hoefde te zijn – lijkt nu ijdeler dan ooit.

Fetisj

Mijn man en ik zijn allebei niet in Nederland geboren en hebben al in onze kindertijd in verschillende landen gewoond. Misschien draagt dit ertoe bij dat nationale trots ons beiden vreemd is. Het idee dat je trots bent op de plaats waar je heel toevallig bent geboren, betekent dat je willekeur tot een fetisj maakt, vindt mijn man. Van een bepaalde cultuur houden, het eten, de muziek, de humor, is zeer begrijpelijk, maar hier persoonlijke trots aan verbinden is hem vreemd.

Hij werd in Londen geboren, maar groeide grotendeels in Soedan op, woonde daarna lange tijd in Denemarken, waarna nog langer in Spanje, en deelt momenteel zijn leven met mij in Amsterdam. Dit klinkt misschien uitzonderlijk, maar steeds meer mensen groeien in een ander land op dan waar ze zijn geboren.

Hij heeft twee paspoorten; naast zijn Britse paspoort heeft hij ook een Soedanees paspoort. Maar daar heeft hij nog minder aan dan aan het Engelse. Het Soedanese paspoort gebruikt hij voornamelijk om naar Soedan te gaan en de visumaanvragen te omzeilen. Het Britse paspoort om in het Westen te reizen en bijvoorbeeld naar Israël en de VS, waar het lastig kan zijn om met een Soedanees paspoort binnen te komen.

Een paspoort is voor hem een formaliteit; het zegt niets over wie hij is, maar het bepaalt wel zijn bewegingsruimte. Voor velen is het andersom: ze staan niet zozeer stil bij hun mogelijkheid om te reizen, want die vinden ze vanzelfsprekend, maar het paspoort symboliseert een nationale identiteit. Het is begrijpelijk dat Derrida werd verweten dat hij geen stelling nam, aangezien zijn stellingen telkens opnieuw indruisen tegen schijnbaar stabiel houvast, zoals dat van een nationale identiteit. Toch is het juist dit omarmen van onzekerheid dat Derrida’s ethische standpunt bepaalt.

Er bestaat geen identiteit zonder cultuur die haar vormgeeft, maar elke cultuur is ook aan verandering onderhevig. Cultuur kan alleen groeien, zichzelf transformeren en verbeteren als zij nooit geheel met zichzelf samenvalt, maar steeds opnieuw het andere als het eigene begint te zien. Daarom, benadrukte Derrida, zou ons een identiteit voor ogen moeten staan die kan groeien, omdat zij wordt gekenmerkt door de mogelijkheid om het andere erin op te nemen.