Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

donderdag 4 juni 2020

Demonstranten miskennen de coronacrisis niet

Marc van Dijk
Schrijver, journalist en kunstenaar

Demonstreren is iets anders dan wijntjes drinken in het park. Twee filosofen en een staatsrechtgeleerde weerleggen drie veelgehoorde oordelen over demonstreren in coronatijd. ‘Het is niet aan degene die thuisblijft om te bepalen of demonstranten het juiste moment kiezen voor hun boodschap.’

Premier Rutte noemde discriminatie in Nederland tijdens zijn laatste persconferentie een ‘systemisch probleem’. ‘Ook hier worden mensen beoordeeld op hun afkomst.’ Hij begrijpt dan ook ‘voor duizend procent’ dat mensen ertegen willen demonstreren. Tegelijkertijd vond hij de eerste demonstratie, op de Dam in Amsterdam ‘onverantwoord’, omdat afstand houden daar niet goed mogelijk was. Inmiddels zijn we een aantal demonstraties verder, en zijn er nog meer op komst. Het leidt tot een verhit debat. Op de Dam geldt nu een demonstratieverbod. Twee filosofen en een jurist ontzenuwen drie veelgehoorde, snelle oordelen.

1. Corona-regels en demonstraties zijn niet met elkaar te verenigen.

Mensen die dit beweren, vergissen zich. De Leidse hoogleraar staatsrecht Wim Voermans legt uit: ‘Zelfs tijdens de eerste, strengste fase van de lockdown was demonstreren niet verboden en is er ook gedemonstreerd. Er gold een beperking tot maximaal dertig mensen. Sinds 1 juni is die beperking opgeheven. Het demonstratierecht staat in de grondwet. Het is een belangrijk recht, waar we in Nederland voorzichtig mee omgaan.

Maar let op: demonstraties zijn altijd aan beperkingen onderhevig. Een demonstratie kan door een burgemeester worden verboden, beperkt of ontbonden in het belang van bijvoorbeeld de volksgezondheid of de doorstroming; je mag niet demonstreren op de snelweg of de treinrails.

‘Op dit moment leven we met de plicht om anderhalve meter afstand te houden. Zolang demonstranten zich daaraan houden, is er geen enkele reden om een demonstratie te verbieden. Zodra de afstand niet kan worden gewaarborgd, dient een burgemeester in te grijpen. In Amsterdam ging dit duidelijk mis, maar in Groningen, Den Haag en Rotterdam hebben we gezien dat demonstreren met inachtneming van de corona-regels gewoon mogelijk is. Dat het in Rotterdam eerder werd afgebroken doet daar niets aan af. Zo eindigt een demonstratie wel vaker. Met andere woorden: de regels zijn helder en niet tegenstrijdig, er is staatsrechtelijk gezien geen probleem.’

 2. Als je nu gaat demonstreren, toon je minachting voor de offers die anderen brengen, zoals ondernemers en zorgpersoneel.


Er klinkt veel kritiek in de trant van: ‘Die demonstranten mogen ineens gewoon hun gang gaan, dit is met twee maten meten’. Mensen die in het park een wijntje drinken worden weggestuurd of krijgen zelfs boetes omdat ze onvoldoende afstand houden, ondernemers moeten hun complete werkwijze veranderen, maar demonstraties mogen ineens wél?

‘Het is belangrijk om te beseffen dat dit zaken van een andere orde zijn’, zegt politiek filosoof Ivana Ivkovic. ‘In de eerste gevallen – de parkbezoekers en de ondernemers – gaat het om privébelangen van privépersonen. Een demonstrant belichaamt zijn burgerrecht om een politieke misstand aan te kaarten of publieke zaak te verdedigen. Het zijn dus niet twee maten waarmee hetzelfde wordt gemeten, maar twee verschillende dingen. Ook privébelangen mag de staat niet moeiteloos aan de kant schuiven, maar het is wel iets heel anders. Dat wij een tijd lang in onze privébelangen belemmerd worden, betekent niet dat het belang om publieke verontwaardiging te uiten nu minder is.

‘Ik zou ervoor willen waken om nu een loopgravenoorlog te beginnen tussen degenen die grondrechten verdedigen en de gezondheidsverdedigers. Dit is ongeveer wat er gebeurt in Italië, waar Giorgio Agamben de noodtoestand bekritiseerde: die zou disproportioneel zijn, en die zou mensen reduceren tot naakte wezens die door de staat gedisciplineerd worden en die niet eens meer in opstand kunnen komen – buitenspel gezet als burger. Dit soort analyses hebben in Nederland een andere betekenis dan in landen als Italië, Frankrijk en Hongarije, waar Orban inderdaad duidelijk nog meer macht naar zich toe trekt tijdens deze pandemie.

‘Er is hier geen noodtoestand uitgeroepen. Over het algemeen kun je zeggen dat Nederland de pandemie tot nu toe heeft opgevat als een collectieve inspanning om de kwetsbaren te beschermen. Je kunt duidelijk zien dat ook de demonstranten hier niet aan voorbijgaan. We kunnen niet elke discussie over andere politieke zaken opschorten met een beroep op corona-maatregelen.’

3. De strijd tegen racisme kan wel even wachten tot de pandemie echt voorbij is.

‘Het is niet aan degenen die thuisblijven om te bepalen of demonstranten wel het juiste moment kiezen om hun boodschap uit te dragen’, zegt Mathijs van de Sande, docent politieke filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Het feit dat zoveel mensen juist nu de urgentie voelen om de straat op te gaan – terwijl duidelijk is dat zowel organisatie als demonstranten zich aan de afstandsregels willen houden – laat zien dat deze problematiek ook in Nederland sterk leeft. Juist dat maakt deze protestacties democratisch relevant en legitiem. Het alternatief is elementaire burgerrechten inperken vanwege vermeende gezondheidsrisico’s.

De directe aanleiding speelde zich dit keer in Amerika af, maar als je naar de demonstranten luistert, dan merk je dat zij daar ook staan vanwege hun eigen ervaringen. Ook in Nederland komt racistisch politiegeweld voor – denk aan de dood van Mitch Henriques, maar ook aan de recente dood van Tomy Holten en andere dossiers. Van de Nederlandse politie en de Belastingdienst is bekend dat zij zich schuldig maken aan etnisch profileren. En dan heb ik het nog niet eens over andere vormen van alledaags racisme, discriminatie op de werkvloer, en ga zo nog maar even door. Mensen die dit niet zien of erkennen, illustreren juist de noodzaak die de demonstranten – en zwarte mensen en mensen van kleur in het bijzonder – nu voelen om in actie te komen.

‘De demonstraties laten zien dat, in de beleving van demonstranten, de fysieke samenkomst in de openbare ruimte uiteindelijk essentieel is voor hun protest en politiek engagement, zoals ook Hannah Arendt beschreef. Het is niet zonder risico, maar daar zijn de demonstranten zich van bewust.  In het debat wordt nu een valse tegenstelling gecreëerd tussen democratie en veiligheid. De demonstranten miskennen de coronacrisis niet, maar kiezen er met hun volle bewustzijn voor om, ondanks de risico’s en zoveel mogelijk met inachtneming van de richtlijnen, uiting te geven aan hun verontwaardiging. Dat onderstreept alleen nog maar eens het belang dat hieraan gehecht wordt. Het debat zou niet over de timing, maar over die diepgevoelde woede moeten gaan.’