Home De verbeelding van het denken

De verbeelding van het denken

Door Connie Palmen op 03 december 2014

De verbeelding van het denken
Cover van 12-2014
12-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens schrijver en filosoof Connie Palmen hebben filosofen de verbeelding nodig om het wezen van de werkelijkheid bloot te leggen. Een voorpublicatie uit De verbeelding van het denken.

Beelden zijn sterk. Neem die grot van Plato. Zelfs mensen die nooit een letter van hem lazen, kennen de allegorie van de grot, het beeld waarmee Plato duidelijk wil maken dat de werkelijkheid zoals wij die zien niet de echte is. De populariteit van deze claustrofobische uitbeelding van ons onvermogen maakt ook duidelijk dat de denkers de verbeelding te allen tijde nodig hadden om de werkelijkheid van haar vanzelfsprekendheid te ontdoen en iets van haar wezen bloot te leggen.

De verbeelding, de fictie, is niet tegengesteld aan de werkelijkheid. Ze is een instrument om tot de werkelijkheid door te dringen, en ze is er tegelijkertijd onderdeel van.

Tot aan het eind van de negentiende eeuw kon je de filosofie grofweg verdelen in de twee antagonistische houdingen die ze ten aanzien van de werkelijkheid kon innemen: die van realist en die van idealist. Voor de realist is de werkelijkheid iets buiten hemzelf, een waarin je nat wordt als het regent; voor de idealist is de werkelijkheid iets binnen in hem, iets in zijn hoofd, een waarin je pas nat bent als je nattigheid voelt. 

En de schuld ligt natuurlijk bij God. Totdat realisten en idealisten hun pogingen staakten om het bestaan van God te bewijzen, stonden ze als tegenstrevers tegenover elkaar en konden ze elkander niet bereiken.

Het is Friedrich Nietzsche die in de laatste decennia van de negentiende eeuw de waarheid uit de almachtige handen van God rukt en haar aan de mensen geeft, of beter gezegd aan dat wat mensen al te menselijk maakt: de taal. In zijn visie is de waarheid een verzameling afgesleten metaforen en antropomorfismen die door langdurig gebruik een canonieke en bindende status heeft verworven, illusies waarvan men vergeet dat ze ooit door mensen zijn bedacht om het leven beter te kunnen verdragen. Wanneer het absolutisme van God of de Ene Waarheid uit het hart van het denken is weggehaald, wordt de filosofie er een van het tussending, van het medium, van de taal, van de verbeelding, van de macht of de onmacht van verhalen.

Friedrich Nietzsche

 

Gebroken hart
Niet de werkelijkheid, maar hoe wij ons dankzij en met de taal tot de werkelijkheid verhouden is in de twintigste en eenentwintigste eeuw het voornaamste onderzoeksgebied van de wijsbegeerte geworden. De moderne filosoof zoekt het antwoord op de vraag naar het wezen van het bestaan niet langer in het goddelijke en absolute, in iets buiten ons, maar in de taal, in het menselijke maakwerk, in iets van ons. Wat ooit eeuwig en onbetwijfelbaar was, is onder de invloed komen te staan van de waarschijnlijkheid, de gelijktijdigheid, van de kans, het toeval en de paradox. Over leugen en waarheid wordt voor het eerst nagedacht zonder moreel oordeel. Het doen alsof, het gemaakte en onechte, de verbeelding, de taal als scheppende en verwoestende macht – kortom, de fictie – heeft zijn intrede gedaan in de wetenschap en in de filosofie. Zelfs de fysica, het trotse bolwerk van de bewijsbare waarheden, verlaat vanaf het begin van haar geschiedenis de vertrouwde wereld van de zintuigen, om via de verbeelding werkelijkheden te bewijzen die we niet kunnen waarnemen. Net als de filosoof zoekt de natuurkundige voortdurend naar nieuwe beelden en begrippen om de waarheid van de werkelijkheid te benaderen.

Het menselijke bestaan is een weefsel van werkelijkheid en verbeelding. Dat we een hart hebben is een feit; dat we over het hart praten en schrijven alsof de liefde er zetelt, is verbeelding en onderdeel van een invloedrijk domein van verhalen. Als je van iemand weet dat hij een lekkende hartklep heeft, weet je nog niets. Als je van hem weet dat een vrouw zijn hart heeft gebroken, weet je opeens veel meer en heb je een persoon voor ogen.

De verbeelding is het scheppende vermogen om zin te geven aan een betekenisloos universum, om een onvoorspelbare werkelijkheid van toeval, chaos en willekeur te ordenen, losstaande feiten met elkaar te verbinden en onder te brengen in een vorm en structuur. Fictie komt niet in de natuur voor, is per definitie artificieel. Het is menselijk maakwerk en het dient een doel in de werkelijkheid. Soms is dat doel niet meer dan een hopeloze poging betekenis te geven aan de dood, hem als een onwillig personage een biografie binnen te loodsen en persoonlijk te maken.

In tegenstelling tot het leven in de pure natuur is een mensenleven poëticaal, een door verhalen en verbeelding bewerkt bestaan. Een madelief kan onmogelijk doen alsof ze een eikenboom is. Ze is puur en echt, en kan niet anders. Dat is de fataliteit, de onvrijheid, en de onschuld van de natuur. Omdat de madelief volledig is onderworpen aan fysische wetten en ze er niet voor kan kiezen te veranderen, of zich op z’n minst eens een keer als een boom voor te doen, kent ze het goede en het kwade niet. Aan de mogelijkheid het goede te doen ligt de verbeelding en het kunnen doen alsof ten grondslag. Het vermogen ons voor te stellen wat iemand meemaakt die lijdt, is de basis van de ethiek. Om aan de universele wet van de moraal te kunnen voldoen – wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet – moeten we een beroep doen op onze verbeeldingskracht. Wat daarbij helpt is weten in welk verhaal iemand anders rondloopt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Versplinterde werkelijkheid
Als een atheïst die van God houdt meen ik dat de zin van het leven door mensen zelf wordt gemaakt, en dat maakwerk noem ik fictie. In tegenstelling tot de beperkte connotatie die het woord heeft verworven in het gangbare taalgebruik bedoel ik met fictie niet een leugen of onwaarheid. Ik doel ermee op de opbouwende, betekenisgevende en vernietigende macht van verzinsels die een werkelijkheid mogelijk maken en beïnvloeden. Clichés, ideeën, tegenstellingen en meningen – het zijn allemaal producten van een wetenschappelijk of mythologisch verhaal met een ooit bedachte structuur; verzinsels zijn letterlijk bedoeld als verhalen die de zin van een fenomeen willen blootleggen, of dat nou die van de werkelijkheid, die van God, of die van de liefde is.

Van oudsher beschouwen filosofen het vermogen om verhalen te vertellen en een versplinterde werkelijkheid te transformeren tot een talig geheel als de kern van de menselijke conditie. Pas als we vertellen wie we zijn en waar we vandaan komen, raken we van het dierlijke verwijderd en worden we meer dan lichaam alleen. Een baviaan kan de vraag naar wie hij is en waar hij vandaan komt niet beantwoorden, noch erover liegen of er een roman over schrijven. Iemand worden, betekenis en zin verlenen aan een individueel bestaan, er letterlijk iets van maken, is wat versta ik onder het werk van de fictie.

Hoe wij de werkelijkheid zien en interpreteren is bepaald en begrensd door fictie, door denkbeelden. We kunnen haar alleen persoonlijk ervaren, gekleurd en ingekaderd door onze eigen blik, waarbij palet en kader zijn samengesteld door de manier waarop we de werkelijkheid hebben leren zien en duiden.

Wat je niet kent, zie je niet.
Wat je ziet, is beïnvloed door fictie.

Een van de grondgedachten van de psychologie van de waarneming is dat je alleen waarneemt wat je voor waar hebt leren aannemen. Omdat ik waarheden beschouw als producten van ficties, wonen ze in het huis van de verbeelding. Waarheden zijn ooit door iemand gemaakt en werden de heersers van een verhaal. Soms is het onmogelijk een potentaat uit het rijk van de verbeelding te verjagen, omdat zijn macht groter is dan het empirische feit. Dankzij de hemelbestormende ontdekking dat de aarde niet het centrum van het heelal is, maar een planeet die om de zon draait, weten we dat de zon niet opkomt of ondergaat, en toch blijven we zonsopgangen en zonsondergangen zien.

Zonsopgang

Wat je voor waar hebt leren aannemen wordt voorgeschreven door wetenschappelijke kennis, hypotheses, het vertrouwen in een mythische uitleg van de wereld. Een man die in God gelooft, loopt anders door de Kalverstraat dan een bioloog. Het meest persoonlijke en eigene aan iedereen is dus mede bepaald door iets volkomen onpersoonlijks, door een religie, ideologie, wetenschap, belezenheid, of je al dan niet musea bezoekt, concerten beluistert, dagelijks je horoscoop trekt. De gelovige mag in de Kalverstraat de apocalyptische tekenen van een onmetelijke hebzucht zien, de bioloog een zwerm paradijsvogels op zoek naar bonte veren voor het nest – dat de gelovige en de bioloog in dezelfde straat en toch in een andere werkelijkheid lopen, is de grondslag voor iedere denker.

Melancholisch mensbeeld
Laat ik mezelf een fictionalist noemen. Fictionalisme is de overtuiging dat de wijze waarop we ons leven ervaren door fictie – in al haar vormen, geschreven en ongeschreven, wetenschappelijk en mythologisch – wordt bepaald. Fictie is de scheppende schijn, de even schone als angstaanjagende macht van het woord, de noodzaak en zin van het verzinnen, de macht van het onzichtbare maar voortstuwende verhaal dat schuilgaat achter moord en liefde, opoffering en mededogen, schuld en boete. Historisch gezien is fictionalisme terug te voeren op een mengvorm van realisme (fictie is een vorm van werkelijkheid) en idealisme (fictie is een vorm van werkelijkheid die niet noodzakelijkerwijs materieel is, maar wel de werkelijkheid beïnvloedt). Het bestaan van God is een fictie die het leven van talloze mensen zin verleent, die het oppervlak van de aarde deels esthetisch heeft bepaald door het te bezaaien met kerken en kathedralen, die een geschiedenis van kruistochten en oorlogen achter zich aan sleept. Een onzichtbaar, heilig Niets – met een immense invloed op de werkelijkheid.

Zoals elke filosofische of religieuze overtuiging een houding tegenover de werkelijkheid inhoudt, is fictionalisme de erkenning van de innige verwevenheid van feit en verbeelding, van echt en gemaakt. Aan deze overtuiging ligt geen zwartgallig, maar wel een melancholisch mensbeeld ten grondslag. Mensen zijn beïnvloedbaar en hun lot is deels afhankelijk van de verhalen waarmee ze opgroeien en zijn omgeven. Van nature hebben ze het goede en het kwade in zich, maar of ze in hun handelingen voor het goede of kwade kiezen is grotendeels afhankelijk van het geloof in een verhaal en van een geconstrueerd zelfbeeld. Wat we als goed of kwaad bestempelen is ergens geboekstaafd: het kwaad van de een is het goede van de ander.

Fictie is een talige, schijnbaar logische constructie die we opleggen aan een leven dat zich niet volgens de wetten van de logica gedraagt. Het psychologische en metafysische doel dat fictie daarmee dient, is het beteugelen van de angst voor een wrede werkelijkheid van willekeur en toeval. Waar willekeur en toeval heersen, zegeviert betekenisloosheid. Het enige verweer tegen het ontbreken van zin is een verhaal waarin gebeurtenissen causaal verbonden en waarin aan afzonderlijke verschijnselen verbindende oorzaken en motieven toegedicht worden. Verbinden en toedichten zijn door en door menselijke, scheppende praktijken. Zin is er niet, zin is gemaakt.

Betekenis verlenen kan alleen door het scheppende werk van de verbeelding te verrichten. Daarmee is het kunstmatige de oorspronkelijkste eigenschap van de menselijke soort. De resultaten van deze indrukwekkende en tegelijkertijd ontroerende pogingen van de denkers om greep te krijgen op de werkelijkheid, laat De verbeelding van het denken op elke pagina zien.