Home Politiek De man achter Ruslands schimmige wereldpolitiek
Politiek

De man achter Ruslands schimmige wereldpolitiek

Wat drijft Rusland? Een voor het Westen verontrustende vraag, nu het land weer een belangrijke rol op het wereldtoneel opeist. Achter de schermen van het Kremlin neemt de invloed toe van ideoloog en filosoof Aleksandr Doegin. De Doegin-doctrine luidt dat de Amerikaanse wereldhegemonie moet worden gebroken, en dat Rusland de enige is die dat kan.

Door Eduard ten Houten op 29 november 2012

De man achter Ruslands schimmige wereldpolitiek
08-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

In 1997 typeerde de invloedrijke Amerikaanse geostrateeg Zbigniew Brzezinski het postcommunistische Rusland als het grote ‘zwarte gat’ van de wereldpolitiek. Onder president Jeltsin was de immense Eurazische landmassa tussen Europa en China als het ware op drift geraakt en een volledig onberekenbare factor geworden.

Washingtons grote opgave voor de komende twintig jaar, verklaarde Brzezinski in 1997, was: zo met zijn macht omgaan dat de voormalige Sovjetstaten echt onafhankelijk zouden worden, de Europese Unie zou groeien en, vooral, dat Rusland zich vrijwillig zou ontwikkelen tot een moderne, economisch liberale rechtsstaat. Wel was daarvoor vereist dat Rusland zou leren zijn traditionele aanspraken op continentale supermacht op te geven en zich met een bescheidener positie in de wereldpolitiek tevreden te stellen.

Tien jaar later, en zeven jaar na de troonsbestijging van president Poetin, lijkt een liberaal-democratisch Rusland nog altijd betrekkelijk ver weg. Alleen op economisch gebied zijn de liberaliseringen van de Jeltsin-jaren (deels) doorgezet. Elders lijkt Poetins Rusland een vaak schimmig spel te spelen, waarbij het – op internationale fora – formeel blijft hechten aan democratische waarden, een vrije markteconomie en een open samenleving, maar zich daar in de praktijk weinig van aantrekt. Zoals de buurrepublieken Oekraïne en Georgië hebben ondervonden staat Rusland eerder vijandig tegenover ‘democratische revoluties’.

Gezien de recente grote uitbreidingen van de EU, en van de NAVO in het bijzonder, hoeft Ruslands felheid eigenlijk niemand te verwonderen. De NAVO is immers het product van de Koude Oorlog die het Westen uitvocht met Sovjet-Rusland. Ook Brzezinski’s plompe karakterisering van het ‘zwarte gat’ Rusland kan moeilijk anders dan als de erfenis van een Rusland vijandig project betiteld worden. Voeg daarbij de Amerikaanse plannen voor een raketschild, de militaire voet die de Verenigde Staten na de aanslagen van 11 september in Centraal-Azië aan de grond gekregen hebben en de vijandige opstelling naar Moskous bondgenoot Teheran, en men begrijpt dat Ruslands geopolitiek in het nauw zit.

Het zou hier natuurlijk uit kunnen komen als het gehoor geeft aan Amerika’s eisen en zich schikt in een unipolaire, door Washington geleide wereldorde. Maar er zijn sterke krachten in Rusland die hier niets voor voelen, en een andere, meerpolige wereldorde nastreven. Dat Poetin zich hierdoor heeft laten leiden is velen intussen duidelijk geworden (al verhult hij het soms uitstekend door zijn cynisme en zijn machtspolitieke machinaties). Amper opgemerkt door Westerse media heeft Poetin de afgelopen jaren in Centraal-Azië bijvoorbeeld een reeks multinationale verdragen op het gebied van economische en militaire samenwerking gesloten, die de Westerse invloed in het olierijke gebied moeten beperken, zoniet terugdringen.

Officieel blijft het weliswaar onuitgesproken, maar het heeft er de schijn van dat Ruslands strategische koers diepgaand beïnvloed is door de ideeën van de neo-‘Eurazist’ Aleksandr Doegin. Zijn naam zingt al jaren rond in kringen van Kremlin-watchers, waar hij bekendstaat als de belangrijkste ideoloog die Rusland sinds 1991 heeft voortgebracht.

Doegin bepleit al jaren een multipolaire wereldorde die het bestaansrecht van elke cultuur, elk volk, elk systeem garandeert en waarin geen enkele beschaving een andere existentieel zal kunnen bedreigen. De historische missie die Rusland als een van oudsher multireligieus, multi-etnisch en multinationaal rijk, momenteel te vervullen heeft, is daarom het tegengaan van het Atlantistische globalisme, oftewel de Amerikaanse aanspraken op wereldwijde alleenheerschappij.

Omdat het Amerikaanse buitenlandbeleid echter al jaren gericht is op consolidatie en uitbreiding van precies zijn macht en zijn macht alleen en daarmee op de vernietiging van ieder ander systeem, stelde Doegin al in 1998 voor behoedzaam te werk te gaan: ‘Ruslands nieuwe koers,’ schreef hij, ‘zou niet vergezeld moeten gaan van […] de verklaring van een nieuwe koers. Liever zouden de autoriteiten actief en uitgebreid met twee maten moeten gaan meten, door naar buiten toe voortdurend met de mond hun toewijding aan democratische waarden te belijden, terwijl ze binnenslands – economisch, cultureel en sociaal – stukje bij beetje de randvoorwaarden voor algemene autarkie scheppen.’

Hoewel van Poetin niet gezegd kan worden dat hij een volbloed neo-Eurazist is (hij bedankte in 2001 vriendelijk voor het voorzitterschap van Doegins Eurasische Beweging), is er met het oog op de presidentsverkiezingen van maart 2008 meer dan genoeg reden om Doegin en zijn ideeën nader te bekijken.

Straatveger

Voor iemand die volgens de geruchten medeauteur van Ruslands nationale veiligheidsdoctrine is, had Doegins carrière bepaald een ongunstige start en een ongebruikelijk woest verloop. Oorspronkelijk voorbestemd tot een loopbaan als ingenieur, wordt hij als beginnend student door de KGB gearresteerd wegens het zingen van een dissident liedje op een huiskamerbijeenkomst. Hierna veegt hij jarenlang de straten van Moskou. In de avonduren leert hij zichzelf vreemde talen of filosofeert hij met vrienden tot ze stomdronken zijn. Ook struinen ze de nationale Leninbibliotheek af op zoek naar interessants dat bij toeval niet achter glas is verdwenen. Opmerkelijk genoeg gold dat voor sommige boeken van de Franse ‘Traditionalist’ René Guénon (1886-1951) en diens leerling, de Italiaanse ‘spirituele superfascist’ Julius Evola (1898-1974), grondleggers van een esoterische en radicaal anti-moderne filosofie die Doegin ook nu nog aanhangt.

Gunénon stelde vlak na de Eerste Wereldoorlog dat in West-Europa de Waarheid vrijwel compleet in vergetelheid geraakt was. Sinds de prehistorie had men haar in eerbiedwaardige tradities als het jodendom, christendom, hindoeïsme, boeddhisme en islam steeds van meester op leerling overgedragen. De Renaissance en de Reformatie betekenden echter een definitieve breuk in deze keten. Sindsdien was Europa een stuurloos, door de duivel van het progressivisme voortgestuwd schip geworden. Guénon stierf in Caïro in 1951 na twintig jaar als soefi geleefd te hebben.

Als Doegin in 1989 eindelijk naar het Westen kan reizen, ontdekt hij dat Guénon de waarheid sprak: een ‘open’ samenleving is nog verfoeilijker dan een autoritaire. Doegin sluit zich aan bij allerhande extreem nationalistische groeperingen en begint vanaf 1992 het ene na het andere dikke, geleerde boek te schrijven. Het kan hem niet radicaal of extreem genoeg zijn; hij laat zich niet alleen inspireren door Guénons Traditionalisme en het oude Eurazisme van vorst Trubetskoy en Lev Gumilëv, maar ook door twintigste-eeuwse Franse poststructuralisten of neomarxisten als Michel Foucault, Gilles Deleuze en Guy Debord.

Na een intermezzo als huisfilosoof van de Communistische Partij, stapt hij over naar de Nationaal-Bolsjewistische Partij (NBP) van de oud-dissident en schrijver Eduard Limonov. De NBP-ideologie liet zich vrij eenvoudig verklaren aan de hand van de titel van Karl Poppers klassieker: De open samenleving en haar vijanden. Hoewel Popper het daarin natuurlijk opneemt voor de open, liberale samenleving, is het ook meteen duidelijk hoe die te bestrijden. Aangezien extreem rechts en extreem links beide vijanden van de liberaal-democratische open samenleving zijn, argumenteerden ze, deden ze er dus goed aan coalitie te smeden. Het verklaarde doel van de partij was dan ook ‘het beste van het stalinisme’ te verenigen met ‘het beste van het nazisme.’ Deze uitspraak moet overigens niet al te serieus genomen worden, want de NBP was voor Doegin en Limonov naast een politieke partij ook een speels, avantgardistisch Gesamtkunstwerk.

In 1998 breekt Doegin met Limonov en begint voor zichzelf. Hij wordt adviseur van de voorzitter van de Doema. De Kazachstaanse president Narsultan Nazarbajev heeft zich dan al tot het Eurazisme bekend en in Astan een Eurazische universiteit opgericht. Als president Poetin er in 2000 een bezoek brengt, zijn de wanden behangen met uitspraken van Doegin. Al gauw treedt een van Poetins adviseurs toe tot Doegins denktank Eurasia. Tot de raad van Eurasia behoren verder nog kabinetsministers, beleidsambtenaren, leiders van verschillende traditionele religies, legergeneraals (onder wie een Franse), journalisten, ambassadeurs en leden van de Doema. Vandaag de dag heeft de Eurasische Beweging een jeugdbeweging, een uitgeverij, een reizende ‘universiteit’ en officiële dependances in de meeste voormalige Sovjetrepublieken, Turkije en een aantal West-Europese landen.

Doegin-doctrine

De verklaring van dit ongewone succes moet mede worden gezocht in de basisdoctrine die hij voor het eerst uiteenzette in zijn hoofdwerk Grondslagen van de geopolitiek: Ruslands geopolitieke toekomst (1996). Dit boek heeft als geen ander Ruslands postcommunistische militaire, beleids- en veiligheidsestablishment beïnvloed en wordt aan universiteiten en militaire academies als handboek gebruikt.

De ‘Doegin-doctrine’ stelt het herstel van Rusland als continentale supermacht gelijk aan het tegengaan van Amerika’s unipolaire globaliseringsproject. Rusland is momenteel de enige macht die theoretisch in staat is om de Amerikaanse hegemonie structureel te breken. Dankzij haar oude, unieke Euro-Aziatische beschaving kan het voor andere conservatieve en traditionele naties immers een aantrekkelijk alternatief vormen. Dankzij zijn enorme olie- en gasvoorraden kan Rusland bovendien zijn wensen zonodig ook op een minder verheven manier kracht bijzetten.

Om op den duur de wereldmacht van Amerika te breken, en er zo voor te zorgen dat het zich leert te beschouwen als niet meer en niet minder dan een continentale supermacht, dient Rusland vier verschillende stappen tegelijk te ondernemen. Allereerst moet het zijn eigen regionale positie verstevigen. Centraal-Azië is hierbij van wezenlijk belang. De vorming van de Eurasische Economische Gemeenschap in 2001 past uitstekend in dit scenario. Ten tweede moet het de banden met Tokio aanhalen, zodat het traditionele Japan zich kan ontworstelen aan de greep die Amerika sinds 1945 op het land heeft. Ten derde moet het Teheran bijstaan in het onverzoenlijke verzet tegen Amerika’s bemoeienis met het Midden-Oosten. Ten slotte moet Moskou via Berlijn de Europese integratie bevorderen. Europa moet zich ontwikkelen tot een volwaardige continentale grootmacht die uiteindelijk geen nut meer ziet in het voortbestaan van de NAVO.

Europa speelt verder in Doegins doctrine een voorbeeldrol, doordat het laat zien hoe de natiestaat overwonnen kan worden. Doegins ideale toekomst is een conglomeraat van een dozijn ‘grote ruimten’, ofwel grote transnationale politieke eenheden bestaande uit een lappendeken van autonome gebieden, in plaats van uit een kleine tweehonderd soevereine natiestaten. Soeverein is in de toekomst alleen het strategische centrum van een ‘grote ruimte’, waar centraal beslist wordt over, bijvoorbeeld, de distributie van grondstoffen, de infrastructuur en andere macrostructurele aangelegenheden. Natuurlijke kandidaten voor zulke centra zijn onder meer Washington voor Noord-Amerika, Berlijn voor Europa, Delhi voor de Indiase Ruimte, Moskou voor de Russisch-Eurazische Ruimte en Tokio voor de Japanse Ruimte.

Op de lange termijn zullen aangrenzende grote ruimten zich bovendien moeten verenigen tot in totaal vier geo-economische zones: de Anglo-Amerikaanse, de Euro-Afrikaanse, de Pan-Eurazische en de Pacifisch-Oost-Aziatische. Alleen zo, zegt Doegin, is er een langdurig mondiaal machtsevenwicht te bereiken en te voorkomen dat een nieuwe grote oorlog uitbreekt.

Veel gematigde West-Europeanen zullen deze ideeën – vooral in het licht van de Amerikaanse respons op de aanslagen van 11 september – misschien nog niet eens zo onverstandig vinden en zouden wellicht voorzichtige sympathie voor de Doegins ‘Eurazische missie’ opvatten, als zijn ideologie bijvoorbeeld niet zo’n sterk anti-Amerikaanse bijsmaak had. Anderen zullen hem wantrouwen vanwege zijn radicale verleden of hem ervan verdenken dat hij eigenlijk slechts een geslepen Russische nationalist is, die erop uit is Europa via de achterdeur alsnog te veroveren. Oost-Europeanen zullen al helemaal geen boodschap aan hem hebben.

In ieder geval is Doegin met zijn 45 jaar waarschijnlijk nog lang niet uitgespeeld. Bovendien is zijn anti-Amerikanisme niet onvoorwaardelijk. Als Amerika zou leren zich tevreden te stellen met een bescheidener positie in de wereldpolitiek, namelijk als onbetwiste leider van ‘slechts’ de Anglo-Amerikaanse zone, heeft het praktisch en theoretisch niets van de onbetwiste leider van Eurazië te vrezen. Hoewel Doegin de Amerikaanse open samenleving als een betreurenswaardige aberratie beschouwt, acht hij het evengoed een historische vergissing als Rusland Amerika met geweld het Russische systeem zou opleggen. Iedere ‘grote ruimte’ moet uitsluitend voor zichzelf kiezen.

Voor Europa zou dat allereerst betekenen dat het afstand neemt van het Atlantisme. Volgens de Doegin-doctrine zou zo’n keuze echter niet noodzakelijk een keuze tegen Washington en voor Moskou betekenen. Als Europa voor zichzelf zou kiezen, zou het immers worden wat het is: noch Amerika, noch Rusland, maar Europa. En door zo haar eigen ‘historische missie’ te voltooien, zou het impliciet het Eurasisme omarmen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.