Stel: je bestelt een glas wijn aan de bar van een café en raakt met de barman in gesprek. ‘Vertel eens wat over jezelf,’ vraagt hij. Hoe zou je reageren? ‘Het zou heel raar zijn om te antwoorden “Ik ben een belichaamd individu”,’ zegt de Deense filosoof Dan Zahavi (1967). Wat je de barman waarschijnlijk wel vertelt: wat voor werk je doet, waar je vandaan komt, iets over je familie of vrienden. Stuk voor stuk zaken die gebaseerd zijn op sociale relaties. Dat laat zien: wat je als je ‘zelf’ beschouwt, vorm je aan de hand van anderen.
‘Het zelf is geleefd; het is voortdurend in beweging en daardoor nooit af,’ zegt Zahavi in een videogesprek. ‘De dingen die we naar voren schuiven als dat wat we “zijn”, zijn gebaseerd op sociale verbindingen. En die dingen kunnen veranderen. Het ene moment vindt je K-pop leuk en het andere moment weer iets anders. Je identiteit is fluïde.’ Zahavi is internationaal expert op het gebied van het zelf. Hij is hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Kopenhagen en directeur van het Center for Subjectivity Research, een onderzoekscentrum voor thema’s als bewustzijn, het zelf, empathie en groepsgevoel.
Het idee dat het zelf voortdurend verandert, heeft implicaties voor zelfkennis, vervolgt Zahavi. Want als het ‘ik’ steeds verandert, kan ik mezelf dan ooit volledig kennen? ‘Nee, perfecte, volledige zelfkennis is niet mogelijk. Wie we zijn is iets dat evolueert en onze gedachten erover evolueren mee. Sterker nog: onze pogingen om onszelf te begrijpen, veranderen op hun beurt ook weer wie we zijn.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Misselijk
Maar als we onszelf vormen aan de hand van anderen, bestaat er dan nog wel een ik? Is er een zelf zonder een wij? Om die vragen goed te kunnen beantwoorden, meent Zahavi, moet er eerst een andere vraag beantwoord worden: wat is het zelf eigenlijk? Tegelijk is die vraag volgens hem ‘een beetje misleidend’. ‘De vraag “Wat is het zelf?” suggereert dat je één antwoord kunt geven. Maar het zelf is daarvoor te complex en veelzijdig; het kent allerlei verschillende dimensies.’
Bij het ‘zelf’ denken we al snel aan hoe we onszelf zien of begrijpen, of dat nu is: ‘Ik ben filosoof” of: ‘Ik ben een Nederlander’. Het is deze kant van het zelf die we vormen via sociale relaties. Maar dit is niet het enige aspect van het zelf, zegt Zahavi. ‘Ik zit nu aan een bureau,’ zegt hij achter zijn computer in zijn kantoor in Kopenhagen. ‘Links van mij staan bepaalde objecten en rechts andere. En al die objecten zijn in zekere zin naar mij gericht.’ Ook dat is een aspect van het zelf, stelt Zahavi – al zullen we hierover niet snel aan de barman vertellen. ‘Dit is niet het ik dat katholiek is of filosoof. Dit is een belichaamd zelf dat een bepaald perspectief inneemt in de wereld.’
‘Samen zie je een andere film dan als je alleen kijkt’
Zahavi ontwikkelde het concept van ‘het minimale zelf’, dat veel navolging heeft gekregen in de academische wereld. Met het minimale zelf doelt hij op het feit dat ieder mens zijn omgeving ervaart vanuit een eerstepersoonsperspectief. Ieder mens heeft een ik dat het vertrekpunt vormt voor zijn eigen ervaring. Vanuit dat perspectief neem je waar dat er een tafel voor je staat, een kat naast je op de bank zit en een persoon tegenover je in de leunstoel. Het minimale zelf is ook het ik dat ervaringen ondergaat, van misselijkheid tot blijheid. Het is het zelf dat we in al onze ervaringen tegenkomen. ‘Een ervaring als misselijkheid is niet iets anoniems. Ik ben het die misselijk is. Die ervaring behoort mij toe.’ Die ervaring van misselijkheid is niet afhankelijk van anderen.
Dit minimale zelf is er altijd, aldus Zahavi, onafhankelijk van anderen en van de groep waartoe je behoort. ‘Je kunt geen katholiek zijn in je eentje. Dus er is zeker een dimensie van het zelf dat sociaal en cultureel is ingebed en dat niet zonder de groep kan bestaan. Maar het minimale zelf, het zelf dat ervaringen ondergaat, is niet gefundeerd op gedeelde meningen of sociale relaties.’
Wie is toch dat zelf dat denkt?
Toch is het besef van dit eerstepersoonsperspectief niet iets dat een mens al bij geboorte heeft, geeft Zahavi toe. ‘Een baby heeft er niet meteen kennis van dat hij een eigen perspectief op de wereld heeft. Dat komt pas later in de ontwikkeling, wanneer het kind beseft dat hij een zekere privacy heeft. Dat is ook het moment dat een kind begint te liegen, want het realiseert zich dat een ander niet dwars door hem heen kan kijken.’
Door te leren praten en in gesprek te gaan met zijn opvoeders, krijgt het kind na verloop van tijd steeds meer begrip van zijn eigen perspectief. ‘Om dat te begrijpen is een kind zeker afhankelijk van sociale interacties en het leren van een taal. Maar er is een verschil tussen simpelweg het hebben van ervaringen – dat is onafhankelijk van anderen – en het begrijpen van hoe en wat we ervaren, waar we wel anderen voor nodig hebben.’
Typisch Nederlands
Zahavi bestrijdt de stelling dat het zelf volledig door het wij wordt gevormd; dat idee doet volgens hem geen recht aan alle dimensies van het zelf. Maar, zegt hij, ‘achter die stelling zit ook een fundamentele misvatting van wat het wij is’.
In het onderzoeksproject Who Are We? (2020-2025) onderzocht Zahavi samen met collega-filosofen wat het betekent om een wij te vormen. ‘Om te kunnen spreken van een wij, moeten we spreken van meervoudigheid,’ meent Zahavi. Het wij is een samenkomst van verschillende mensen, met verschillende zelven en ervaringen, die zich om een of andere reden met elkaar identificeren. Neem een groep Nederlanders die elkaar treft op een bruiloft in het buitenland. Ze kennen elkaar nog niet, maar ontdekken daar dat ze allemaal Nederlanders zijn, in tegenstelling tot de meeste andere bruiloftsgasten. Grote kans dat ze gedurende het feest met elkaar gaan praten, bij elkaar gaan zitten en hier en daar een typisch Nederlands grapje maken. Er is eenheid – alle Nederlanders in deze groep identificeren zich met elkaar – maar er is ook verschil, want ze hebben allemaal een ander perspectief en andere ervaringen. Zonder dat verschil ook geen wij.
‘Iedereen ervaart de wereld vanuit zijn eigen ik’
Maar vormt deze wij van deze Nederlanders ook de basis voor hun zelf? Volgens Zahavi heeft de groep wel impact op je identiteit, maar kan die niet de basis vormen voor bijvoorbeeld het minimale zelf. Om een wij te vormen, moet er verschil zijn. Hoe ontstaat het wij dan precies? Zahavi maakt onderscheid tussen objectieve en subjectieve groepen: ‘Er zijn groepen waarvan we lid zijn op basis van bepaalde objectieve kenmerken: zo kun je bijvoorbeeld behoren tot een groep mensen met dezelfde bloedgroep.’ Om lid te zijn van de groep mensen met bloedgroep B hoef je niets te doen. Je bent lid van de groep of je het nu wilt of niet – je hoeft niet eens te weten dat je bloedgroep B hebt.
Maar onderdeel zijn van een echt wij is volgens Zahavi iets anders. Het betekent onderdeel zijn van een subjectieve groep. ‘Je bent onderdeel van een wij als je je ermee identificeert. Je moet je onderdeel vóélen van de groep.’ Het minimale zelf, die de basis is van het voelen en ervaren, is dus een voorwaarde voor het vormen van een wij. Zonder het minimale zelf kun je jezelf niet ervaren als onderdeel van de groep.
Op de vraag wat er eerst komt, het zelf of het wij, is Zahavi dus duidelijk: het zelf. Toch heeft het wij, als dat eenmaal gevormd is, wel weer invloed op het zelf: ‘Sociale interacties verrijken ons. En sociale identiteit zegt wellicht ook iets over wat we als een specifiek menselijk zelf beschouwen. Alle bewuste wezens, dus ook dieren, hebben namelijk dat minimale zelf. Het menselijk zelf daarentegen is verweven met cultuur, traditie, taal en socialisatie.’
Volgens Zahavi ontstaat er een wij als de ander een impact heeft op mijn identiteit. Niet langer zie ik mezelf alleen als een belichaamd zelf, maar mijn identiteit wordt uitgebreid naar bijvoorbeeld het zijn van een Deen of Ajacied. ‘Je bent niet enkel dat belichaamde zelf, je bent lid van gemeenschappen en families die een rol spelen in hoe je jouw identiteit vormt. We hebben niet slechts één identiteit, we hebben er een heleboel. We zijn lid van verschillende “wij-en”, soms kortstondig en soms duren die ons hele leven.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Schilderij
Een van de manieren waarop we een wij kunnen vormen, is door ervaringen te delen. Zahavi spreekt in die context over ‘collectieve intentionaliteit’. Intentionaliteit betekent dat ons bewustzijn altijd ergens op gericht is: bewustzijn is altijd bewustzijn van iets. En in een gedeelde aandacht voor iets schuilt collectieve intentionaliteit. Neem samen kijken naar een schilderij. Misschien valt de een de penseelstreken op, de ander wijst op het gebruik van kleuren en lichtval. Beiden vertellen elkaar wat ze zien en hoe ze dat ervaren, zo wordt de ervaring van het schilderij verrijkt.
‘Dit is een ervaring die je niet alleen kunt hebben,’ zegt Zahavi. ‘Gedeelde emoties is ook zoiets: als wij samen naar een film gaan en allebei met veel plezier kijken, dan beïnvloedt dat hoe we de film ervaren. Wat je ervaart is anders dan wanneer je alleen zou kijken, omdat onze emoties met elkaar resoneren.’ Ook in deze wij van gedeelde aandacht of gedeelde emoties is er geen sprake van het opheffen van verschil, stelt Zahavi. ‘We hebben allebei ons eigen minimale zelf, een eigen perspectief, een eigen ervaring. Er is verschil, maar er is ook een connectie tussen ons. Het vormen van een wij gaat om bruggen bouwen tussen verschillende zelven.’

