Home Coen Simon: ‘Waarom vertrouwen we het oog, niet het oor?’

Coen Simon: ‘Waarom vertrouwen we het oog, niet het oor?’

Coen Simon is schrijver en hoofdredacteur van Filosofie Magazine.

Door Coen Simon op 23 september 2022

Coen Simon
filosofie magazine 10-2022
10-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Als ik me het eerste huis waar ik op kamers ging voor de geest haal hoor ik het geluid van de branding. Dat kan niet, want het huis stond in Utrecht. Niet bepaald aan de kust.

Feitelijk kwam het geluid van de treinen die over de stalen spoorbrug kwamen, zo’n honderd meter bij mij vandaan. Door de weerkaatsing tussen de daken op de binnenplaats achter mijn huis klonk het geluid van ijzer op ijzer als het zachte gedonder van omslaande golven. Ik heb me ook nooit aan het geluid gestoord. Integendeel. Al wist ik dat ik in een druk stadsdeel vlak aan het spoor woonde, in mijn hoofd was het strand nooit ver weg.

Niet zelden roepen alledaagse geluiden vertrouwde gevoelens op. En niet zelden lijken de gevoelens vrij weinig met de geluiden te maken te hebben. Waarom vind ik het zachte zoemen van een hoog overvliegend vliegtuig prettig? Of het geroffel van een auto over de klinkers in de straat?

Waarom vond ik als kind dat het tikkende geluid van de versnelling van een grotemensenfiets lekker klonk? Echt lekker, in de betekenis van smaakvol.

Dat kan allemaal aan mij liggen, maar dat geluiden haast geluidloos je gevoelens beïnvloeden klinkt vast niemand raar in de oren. Waarom vertrouwen we dan voor onze kennis vooral op het oog en niet op het oor?

Onlangs zag ik in het Groote Museum, op het terrein van Artis, twee vrijwel identieke foto’s van een bos. De ene genomen vóór een selectieve houtkap, de andere een aantal jaren erna. Er was zo gekapt dat het geen invloed zou hebben op het ecologisch systeem. Op het oog geslaagd, maar als je de geluidsopnamen hoort die bij de foto’s waren gemaakt zijn de verschillen oorverdovend. Voor de kap klinkt een polyfoon concert aan vogelgezang. Na de kap hoor je alleen nog een dof gesuis, af en toe onderbroken door het kale tikken van een specht.

Toch, als ik probeer te luisteren naar mijn herinnering aan mijn studentenkamer in Utrecht, moet ik constateren dat ik niets hoor. Ik zie alleen het beeld van de lucht boven de huizen waarachter ik me de branding voorstelde die ik meende te horen.

En nu vraag ik me af: hoe klinkt geluid eigenlijk? Als geluid, of als beeld? Zoals het beeld van de boom in het bos die valt zonder dat er iemand is om de val te horen?