C.O. Jellema vond inspiratie in de natuur en de middeleeuwse mystiek. Hij betwijfelde of de mens zichzelf en de wereld wel echt kan kennen.
‘Zomernachtā, een van de laatste gedichten die de Gronings-Friese dichter C.O. Jellema (1936-2003) publiceerde, gaat over het verlangen om samen te smelten met de wereld, ongehinderd door je tobberige verstand: āDoe nu eens even die gedachten dicht van je./ Denk nu eens liever niet na over morgen./ Kijk niet steeds die bosrand van gisteren/ na [ā¦] Doe in je hoofd uit de lamp, hoor wat er is,/ ademt en ritselt, kwaakt in de kikkers./ Wees langzaam/ door vogels gezongen het wordende licht.ā Het gedicht is exemplarisch voor Jellemaās oeuvre, dat in het teken staat van een zoektocht naar een bevrijdende intimiteit met de ander of het andere.
Jellema, naast dichter ook essayist en docent germanistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, dichtte veel over de natuur en mystieke ervaringen. Zijn gedichten staan bekend om hun klassieke vorm; zo dichtte hij graag in sonnetvorm. Hoewel Jellemaās leven arm lijkt aan grote gebeurtenissen en dramatische wendingen, had zijn innerlijke leven een grote intensiteit, blijkt uit de meesterlijke biografie Aan rozen denk ik in de winter (2022) van Gerben Wynia.
Jellema had diepe gevoelens van vervreemding en isolement
Jellema had diepe gevoelens van vervreemding en isolement. De dichter wist deze existentiĆ«le eenzaamheid naarmate hij ouder werd bij vlagen te doorbreken met hulp van een grote middeleeuwse filosoof en mysticus: Meister Eckhart (1260-1318). Eckhart stelde dat het menselijk verstand te beperkt is om de werkelijkheid te doorgronden en dat alle dingen ƩƩn zijn in God ā twee ideeĆ«n die de noordelijke dichter aanspraken.
Sneeuwvlokjes
Cornelius Onno (āCorā) Jellema werd in 1936 in Groningen geboren en bracht zijn vroege jeugd door in Beilen, waar zijn vader als dominee werkte. Het gezin woonde in een ruime pastoriewoning, wat een blijvende indruk maakte op de jonge Cor; tot aan het eind van zijn leven wilde hij in deftige huizen wonen, het liefst met een flinke tuin. Zowel van zijn vader als van zijn moeder, die zichzelf de rol van aristocratische huisvrouw aanmat, kreeg Jellema naar eigen zeggen weinig tot geen genegenheid. Zijn broertjes en hij hadden het gevoel dat ze constant op eieren moesten lopen, Āoverigens zonder dat āer ooit harde woorden vielenā.
Jellemaās gevoel van isolement werd versterkt toen hij als kind tuberculose opliep en als kuur langdurig plat moest liggen in bed. Zijn eerste gedicht, zonder titel, gaat over dit kuren in de winter van 1945-1946. Hij lag aan het venster en keek naar āde schaatsende kinderen op het riviertje dat onze tuin begrensde, de sneeuwpop die mijn broertjes gemaakt hadden en vooral de vallende sneeuwā. Het vensterglas symboliseerde voor Jellema de scheiding tussen hem en de rest van de wereld: āhet bonte levenā was buiten, maar hij was binnen.
Door ingespannen naar de vallende sneeuwvlokken te kijken, stemde de nog geen tien jaar oude Jellema zich af op hun cadans. Tenminste, zo beschrijft hij deze episode achteraf. Kijkend naar de sneeuwvlokken kreeg hij plotseling het gevoel dat hun ritme āals het ware de kamer binnenkwamā, zich in hem voortzette en hem ābuiten in de wereld tussen de bomen en op het grasveld brachtā. In zulke ontdekkingen uit de kindertijd schuilt de kiem voor Jellemaās mystieke preoccupaties, want door het afstemmen op de dansende sneeuwvlokken valt de scheiding tussen āikā en āanderā, āhet zelfā en āde wereldā, tijdelijk weg.
Als we kijken naar bomen krijgen we ogen van hout
Wanneer Jellema jaren later kennismaakt met de poĆ«tische formuleringen van Meister Eckhart wordt hij geraakt door zijn ideeĆ«n over eenwording tussen mens en omgeving. Volgens Eckhart heeft iedereen de mogelijkheid om in zijn ziel een pure en in principe grenzeloze ontvankelijkheid te ontdekken. Zo geeft hij in een preek met het poĆ«tische woord āAuge-Holzā aan wat er kan gebeuren als je met dit open gemoed in het bos wandelt. Kijkend naar de bomen kun je ervaren hoe het hout van hun stammen direct bij je binnenkomt. In zekere zin is jouw oog dan het hout; āooghoutā.
Of, zoals Eckhart in Jellemaās eigen vertaling preekt: āNu moeten jullie heel goed opletten! Gebeurt het dat mijn oog ƩƩn en enkelvoudig is in zichzelf en wordt geopend en met een blik gericht wordt op een stuk hout, dan blijven ze ieder voor zich wat ze zijn, en toch worden ze in de werkzaamheid van het kijken zo ƩƩn, dat je naar waarheid kunt zeggen: ooghout, en het stuk hout is mijn oog.ā
Het dikke ik
Om deze eenheid met de omgeving te realiseren, moet je volgens Eckhart ƩƩn ding loslaten: āEigenschaftā, wat vrij vertaald zoiets betekent als āhet dikke ikā. Met dat dikke ik bleef Jellema zijn leven lang worstelen. Enerzijds lukte het hem, onder andere vanwege het gebrek aan genegenheid in zijn jeugd, niet om te begrijpen wie hij werkelijk was. Regelmatig verzucht hij in zijn dagboeken dat hij niet weet wie hij is en wat hij wil. Anderzijds wordt uit Wyniaās biografie pijnlijk duidelijk dat Jellema narcistische trekken had. De dichter had grote moeite met intimiteit, en viel zijn geliefden, vrienden en kennissen eindeloos met deze worsteling lastig. Tijdens zijn studie theologie in Amsterdam en Duits in Utrecht komen daar twijfels over zijn seksuele geaardheid bij. Jellema wist dat hij homoseksueel was, maar ging desondanks relaties aan met vrouwen.
Tijdens zijn twee grote verbintenissen, namelijk met spiritueel auteur Hans Stolp in een pastoriewoning in Zuidhorn onder de rook van Groningen en met tuinarchitect Klaas Noordhof in het landgoed Oosterhouw in Leens twijfelt Jellema niet meer over zijn homoseksualiteit. Maar hij piekerde wel over haast alle andere levensvragen. āMoet ik niet stoppen met mijn baan als Germanist aan de RUG omdat dit mijn poĆ«zie in de weg zit?ā āStel ik als dichter überhaupt wat voor?ā āBen ik in staat om betekenisvolle relaties aan te gaan?ā
Over deze rusteloze zelfanalyse schrijft Jellema in een NRC-recensie van een boek van Thomas Bernard: āDit denken is te vergelijken met de in talloze kleine facetten geslepen stolp van een karaf. Je neemt die in de hand. De werkelijkheid wordt daarin gereflecteerd in talloze facetten. Je draait hem langzaam rond. Niet ƩƩn facet weerspiegelt het geheel en de facetten kunnen niet zonder elkaar. Je kijkt ernaar, zelf gespiegeld in vele vlakken.ā
Verbinding
Jellema hield zich ook bezig met vertalen. Hij werkte lange tijd intensief aan een vertaling van de preken en traktaten van Meister Eckhart, die in twee delen verscheen onder de titel Over god wil ik zwijgen. Het woord āgodā met een kleine letter is geen verschrijving van Jellema, maar een sleutelbegrip uit Eckharts werk: de verborgen godheid die wij niet met ons verstand kunnen vatten en die voorbij alle beelden ligt die wij van hem maken. Niet God de Vader, maar god het mysterie.
In Jellemaās laatste dichtbundels, het drieluik Spolia (1996), Droomtijd (1999) en Stemtest (2003), klinkt zijn mystieke interesse luid en duidelijk door. Het lange gedicht āHet onbegonneneā uit Droomtijd begint met een vraag die rechtstreeks uit Eckharts tijd afkomstig lijkt: āIs het van wezens het hoogste verlangen/ aan te komen in oorsprong?ā
Poƫzie dient zo veel mogelijk vragen op te werpen en open te houden
Eckhart zelf zou deze vraag met een volmondig ājaā hebben beantwoord. Volgens hem komen alle dingen voort uit de ene, goddelijke oorsprong en keren ze hier uiteindelijk naar terug. Maar Jellema, die tijdens zijn leven meerdere malen aangaf dat hij niet in God kon geloven, houdt het antwoord in het midden. Net als Meister Eckhart voelde hij een verlangen om de wereld als eenheid te denken. Maar in tegenstelling tot Eckhart wist hij ook dat deze weg definitief is afgesloten: er blijft altijd twijfel.
Deze twijfel is zijn grootste poĆ«tische kracht: poĆ«zie dient volgens Jellema zo veel mogelijk vragen op te werpen en open te houden. In het verlengde hiervan noemde hij zijn vorm van mystiek eens treffend āeen wet tegen afbakeningenā. Toch maakt het inzicht dat er geen definitieve antwoorden zijn Eckharts werk voor Jellema niet irrelevant. Middeleeuwse mystici kunnen ons laten zien hoe wij een diepere connectie kunnen krijgen met alles wat ons omringt, zoals Eckhart doet in āooghoutā.
Hier en nu
In plaats van zich te verliezen in metafysische bespiegelingen, spreekt Jellema zijn verlangen uit om eindelijk eens goed naar het hier en nu te kijken: āDit wil ik weten nog voor ik moet heengaan:/ niet wie ik worden zal maar hoe het was hierā¦ā Het alledaagse leven is het wonder dat de dichter constant met zijn woorden omcirkelt: āHiermee heb ik geleefd van kindsbeen:/ houtduiven vroeg voor het raam als het licht werd,/ van merels het avondalarm in de heestersā¦ā
Deze verbinding tussen het zelf en de rest van de wereld lijkt ook de insteek te zijn van āKerkje van Fransumā, Jellemaās meest beroemde gedicht. Het begint met de regels: āBestaat nog god, kleine sarcofaag van het geloof [ā¦]?ā Hier slaat de kleine letter āgā overigens niet op Eckharts mysterieuze āgodheidā, maar op het idee dat God tegenwoordig onttroond en verdwenen is. Maar ondanks de afwezigheid van God blijft Jellema het kerkje aanpreken: āStille klankkast voor buiten, voor gruttoās/ in juni [ā¦] zo ben je het mooist:/ dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.ā Het maakt niet uit, zo lijkt de dichter te suggereren, of God bestaat of ooit bestaan heeft. Ook al herbergt het kerkje niets, zoān heiligdom kan werken als een plaats die alles om zich heen met elkaar verbindt. Het resoneert, āals klankkastā.
Rustig zittend in de schaduw van zoān gebouw, dat een vraag symboliseert waarop geen antwoord komt, kan het ineens gebeuren dat de werkelijkheid direct bij je binnenkomt. Je voelt de weidsheid van het veld en ziet de onvoorspelbare vlucht van de zwaluwen. Het licht lijkt scherper. Dan is het tijd om je gedachten dicht te doen.

Aan rozen denk ik in de winter. C.O. Jellema (1936-2003)
Gerben Wynia
Querido
648 blz.
⬠45,ā
