Home Benjamins bastion

Benjamins bastion

Door Marco Kamphuis op 30 juni 2015

07-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Met archeologische precisie legt Walter Benjamin de verhalen van zijn kindertijd bloot. Daarin schemert verlangen naar de geborgenheid van zijn jeugd door. 

Kinderjaren in Berlijn bestaat uit ruim dertig artikelen die Walter Benjamin tussen 1932 en 1938 voor kranten en tijdschriften schreef. Hij woonde in die tijd in Parijs en realiseerde zich dat de kans klein was dat hij – als Jood en linkse intellectueel – ooit naar zijn geboortestad zou terugkeren. Om de heimwee van de balling te beteugelen, stelde hij zich bij het schrijven van zijn jeugdherinneringen op als de geschiedfilosoof die hij tenslotte óók was: ‘Ik heb mijn best gedaan de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse’, schrijft hij in zijn voorwoord. Dat hij niet als autobiograaf wilde optreden, sluit het persoonlijke element niet uit. De beschrijvingen van Berlijn rond 1900, vanuit het perspectief van een jeugdige telg van de hogere burgerij, verraden onherroepelijk het verlangen dat diezelfde telg voelde toen hij, moeizaam rondkomend van krantenstukjes en een toelage van het instituut van Horkheimer en Adorno, leefde in een stad die voor hem niets anders was dan ‘de grote zaal van een bibliotheek waar de Seine doorheen stroomt’: het verlangen naar de geborgenheid van zijn kindertijd.
           

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dwingelandij

Het vertrekpunt voor Benjamins herinneringen is vaak een gedefinieerd punt in de stad, zoals de triomfzuil, de dierentuin, een bepaalde straathoek, de markthal, de ijsbaan. Dat levert interessante geschiedenislessen op, zoals een beschrijving van de geasfalteerde hal waar de kunst van het fietsen ‘even uitvoerig onderwezen werd als het autorijden’. Dat was ‘een tijd waarin sport en vrije tijd nog niet onlosmakelijk met elkaar verbonden waren’. Zoals zwembaden gescheiden bassins voor zwemmers en niet-zwemmers hebben, schrijft Benjamin, is hier een scheidslijn tussen de mensen die moeten oefenen op het asfalt en de gevorderden die de hal mogen verlaten om in het park te oefenen. Wanneer de jonge Benjamin eindelijk naar buiten mag, staat hij doodsangsten uit: ‘Het asfalt was schaduwrijk, onafgebakend en comfortabel geweest. Maar hier loerden gevaren op elke hoek.’ Hij keert uiteindelijk behouden terug, in het triomfantelijke besef dat afgelegen stadsdelen hem ‘voor deze zomer even moeiteloos in de schoot waren gevallen als hertogdommen of koninkrijken dankzij een huwelijk met de keizerlijke huismacht’.

Soms begint zijn herinneringsactiviteit met een voorwerp, zoals een naaikistje of een simpele kous. Een van de mooiste beschouwingen is gewijd aan de telefoon. In zijn beginjaren hing de telefoon ‘mismaakt en uitgestoten tussen de mand voor de vuile was en de gasmeter in de hoek van het achterste deel van de gang, waarvandaan zijn gerinkel de verschrikkingen van de Berlijnse woning verveelvoudigde’. Maar in later jaren hield het apparaat ‘gelijk een legendarische held die in het ravijn is achtergelaten […] op zijn beurt de donkere gang achter zich latend, zijn koninklijke intocht in de verlichte [salon].’ Benjamin beschrijft de geheimzinnige macht die het apparaat op hem uitoefende: ‘zoals het medium de stem volgt die er van buitenaf beslag op legt, zo ging ik in op het eerste het beste voorstel dat mij via de telefoon werd gedaan.’ In de jaren dertig van de vorige eeuw had de filosoof al een scherp oog voor de dwingelandij van het apparaat: ‘Alles en iedereen wachtte op zijn oproep.’

Soms is het uitgangspunt van zijn herinneringen ook immaterieel, zoals een koortsaanval, het maanlicht dat een kinderkamer binnenvalt, of het moment waarop een kind dat te laat op school is gekomen aarzelend voor de deur van zijn klaslokaal staat; daarachter klinkt ‘het geroezemoes van geheime beraadslagingen’.
 

Kostbare scherven

Walter Benjamin (1892-1940) groeide op in een milieu van welvarende, geassimileerde Joden, en de sfeer die deze miniaturen oproepen is er een van burgerlijke veiligheid. Als symbool daarvoor kan de deftige woning van zijn oma dienen: talrijke overdadig gemeubileerde kamers, personeel, een bijna zondagse rust. Benjamin schrijft meermaals over de indrukken in de tijd rond Kerstmis: in huis een dennenboom ‘in volle glorie’, door gaslantaarns beschenen sneeuw op straat, ‘speelgoed en boeken lachten ons toe’. Maar het geluk en de geborgenheid van de welgestelden hebben een keerzijde. Met kerst vertonen de armelui zich in de betere buurten. ‘De rijken stuurden hun kinderen vooruit om wollen schaapjes van de armen te kopen of hun aalmoezen te geven die ze zelf van schaamte niet uit hun handen kregen.’

Het burgerlijke bastion wordt bedreigd door misdaad: twee keer zijn de Benjamins overvallen in hun eigen huis. Het dienstmeisje speelde daarbij een bedenkelijke rol. Geen wonder dat de jongen nachtmerries heeft van een spook dat komt stelen. ‘Zulke dromen zijn de prijs geweest die ik voor de geborgenheid betaalde.’

Benjamins denken is sterk heterogeen; hij verbindt extremen als Joodse mystiek en marxistisch gedachtegoed. Een bekend beeld in zijn werk is dat van de engel van de geschiedenis. Geïnspireerd door een tekening van Paul Klee (Angelus Novus) die in zijn studeerkamer in Berlijn hing, stelde hij zich een engel voor die, met zijn gezicht strak naar het verleden gewend, rugwaarts de toekomst in wordt geblazen doordat zijn wijd gespreide vleugels de storm vangen die uit het paradijs waait. ‘Die storm is wat wij vooruitgang noemen.’ Wat de engel ziet, is dat er sinds het paradijs een weg van louter destructie is afgelegd. Ook de filosoof zelf was naar het verleden gekeerd; we kunnen zijn Kinderjaren in Berlijn lezen als kostbare scherven die hij als een archeoloog heeft blootgelegd en veilig gesteld. Zijn pessimisme over wat anderen vooruitgang noemen, bleek meer dan terecht: in 1940 pleegde hij, op de vlucht voor Duitse troepen, zelfmoord.