Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 6/2020

Alleen op afstand hebben we contact

Coen Simon
Hoofdredacteur Filosofie Magazine

Nu we constant online zijn, is de bereikbaarheid groot, maar komt nabijheid onder druk te staan. Hoog tijd om de nieuwe media te gebruiken als een handig middel, om contact te leggen met de echte wereld.

Het is maanden voor we van de ene dag op de andere binnen zullen komen te zitten en ons contact ineens vrijwel alleen nog via een scherm loopt. Mijn dochter zit naast me in de auto onderweg naar het huis van haar moeder. We kijken voor ons uit. Ik op de weg en zij op het scherm van haar telefoon. Ze heeft afgesproken met een vriendin om samen naar Bedum te fietsen voor hun HPV-inenting – de prik voor meisjes van dertien. Al wonen we inmiddels in Groningen en hadden ze ook bij mij om de hoek naar de GGD gekund, omdat ze hun eerste prik een halfjaar eerder samen haalden in het dorp tien kilometer ten noorden van de stad, willen ze dat nu weer. Ze praten erover alsof het iets van vroeger is.

We zijn aan de late kant en de vriendin appt dat ze al voor de deur staat. Mijn dochter filmt met haar telefoon hoe we de straat in rijden en de fiets van de vriendin voor de deur zien staan, en vlak voor ik de auto stilzet, tikt ze op Verzenden. Als mijn dochter uitstapt, kijkt de vriendin lachend op van haar telefoon, waarmee ze net het ritje heeft bekeken. Ze begroeten elkaar zwijgzaam. Onderweg zullen ze voornamelijk kletsen over TikTok, Instagram, over andere sociale media en over de vriendinnen die ze volgen en over hun volgers. 

Ik verzette me bij de intrede van de mobiele telefoon, eind jaren negentig, tegen de nieuwe ontwikkeling omdat ik niet altijd bereikbaar wilde zijn, maar vooral omdat ik niet wilde dat de wereld altijd bereikbaar was. Ik was bang dat een gevoel van nabijheid zou verdwijnen. Dat klinkt wat tegenstrijdig, maar het is wel wat er is gebeurd. De introductie van de mobiele technologie heeft de ervaring van de leefomgeving drastisch veranderd: zeker sinds de smartphone ben je nooit exclusief aanwezig in een situatie; er is altijd een uitweg. Niet simpelweg wat afleiding, maar een echte uitweg, naar een aanwezigheid in een andere sociale sfeer. Kortom, een grote bereikbaarheid, maar minder nabijheid.

Toen ik begin jaren nul voor werk veel van huis was, gaf ik het verzet tegen de mobiele telefoon al op – mijn zelfstandige onderneming moest tijdens de lange treinritten naar de Randstad en terug immers wel bereikbaar blijven. En inmiddels ben ook ik het grootste deel van de dag online. Toch, als ik mezelf vergelijk met de generatie die is opgegroeid in een online wereld, merk ik dat mijn gebruik nog steeds meer dan voor hen een instrumenteel karakter heeft. Al blijf ik in koffiepauzes ook wel eens hangen in de virtuele wereld van mijn avatar op Instagram, Twitter, Facebook en Wordfeud, de smartphone blijft een middel om me in de nabijheid van een andere wereld te brengen die ook offline bestaat. Het is voor mij een schakel tussen twee offline werelden.

Onmiddellijk

Veel vaker is de smartphone alleen nog maar een toegang tot een op zichzelf staande online werkelijkheid. En daarmee heeft de smartphone als middel een fundamenteel ander karakter gekregen. Ik heb het niet over het idee dat het leven online minder hecht en minder echt zou zijn dan dat wat we offline meemaken. Het online contact in de familie-app kan het offline contact tijdens de familieaangelegenheden juist versterken. Zo werd het contact met mijn moeder, dat sinds ik uit huis ging spaarzaam was geworden, door het mobiele sms’en hechter dan het lange tijd was geweest. De digitale berichtjes brachten informatie over die het analoge contact daarbuiten meer context en diepgang gaf.

Sinds de smartphone ben je nooit meer exclusief aanwezig; er is altijd een uitweg

De ingrijpende veranderingen van ons digitaliserende mensenpark liggen ergens anders. Ze moeten worden gezocht in het feit dat veel online technologie steeds minder een zogenoemd middellijk karakter heeft en meer een op zichzelf staand doel is. De mobiliteit van de mens kan daardoor niet langer alleen worden uitgedrukt in termen van de fysieke verplaatsing van A naar B. Mobiliteit gaat tegenwoordig vooral over informatieoverdracht. Dat is het nieuwe normaal, en dat was het al voordat we onder invloed van de maatregelen tegen de pandemie thuiswerken en thuisscholen ‘het nieuwe normaal’ gingen noemen. Maar hoe gedigitaliseerd onze wereld al was werd pas echt duidelijk toen we met Pasen en ‘Woningsdag’ 2020 allemaal dezelfde uniforme grappen en huiselijke situaties de infosfeer in slingerden. Toen bleek ook onmiskenbaar dat informatieoverdracht niet meteen nabijheid oplevert. En dat is zeker niet alleen te wijten aan het gebrek aan fysiek contact.

Paradox

Wat er is veranderd in onze verhouding tot de telefoon is alleen te begrijpen als we inzoomen op de aard van elk middel, en dan vooral op de zogenoemde middelparadox. Die luidt: elk middel is erop gericht zichzelf op te heffen in onmiddellijkheid. Een middel dankt zijn bestaansrecht immers aan het feit dat het helpt succesvol een doel te bereiken. Hoe onmiddellijker een middel werkt, hoe zuiverder het is. Althans, zolang het middel blijft bestaan. Volgens zijn eigen logica zou het beste middel geen middel zijn, maar daarin klinkt meteen de paradox door.

Mutatis mutandis geldt voor elke afstand dat deze alleen kan worden overbrugd als de afstand in zekere zin wordt bewaard. Precies in die ‘afstandshouding’ zit de mogelijkheid tot intiem contact. ‘De brug vertegenwoordigt,’ volgens de Duitse filosoof Georg Simmel (1858-1918), ‘een esthetische waarde in de mate waarin zij de verbinding van wat gescheiden was niet alleen feitelijk en in haar praktische doelmatigheid tot stand brengt, maar deze verbinding bovendien onmiddellijk present stelt.’ Feitelijke afstand wordt zichtbaar in de overbrugging. En zelfs in het meest intieme contact moet er iets worden overbrugd. De wijze waarop de overbrugging plaatsheeft maakt het verschil tussen bereikbaarheid en nabijheid. Mobiliteit, als de wijze waarop we elkaar kunnen bereiken, moet worden gedacht vanuit het bewaren van afstand. Niet alleen een geografische afstand, maar ook een in tijd, en een die emotioneel invoelbaar is. Allemaal met hun eigen kwaliteit. Dat optimalisering van bereikbaarheid de kwaliteit van geografische afstand beïnvloedt zien we dagelijks in Amsterdam, Venetië en Giethoorn, waar lokale economieën zijn overgenomen door een niet-lokale toeristenindustrie, of gewoon daar waar bossen verdwijnen ten bate van snelwegen.

Elk middel is erop gericht zichzelf opte heffen in onmiddellijkheid

Maar de invloed van de online technologie van de sociale media heeft ook de kwaliteit van de onderlinge afstand in tijd veranderd doordat we elkaars pseudo-actuele verhalen op zelfgekozen momenten kunnen afspelen. De vluchtige aard van de ‘geschiedenissen’ beïnvloedt de ervaring van het vertellen. En dat heeft een rechtstreekse invloed op de intimiteit, omdat een verteller oorspronkelijk met een onthulling het vóór met het erna verbindt. De verteller is de overbrugging van het verleden naar het heden. Maar bij livestreams en uit de context getilde ‘verhalen’ is de verteller verdwenen of gemarginaliseerd.

Geen tijd

Een onbetwistbare bron en een evident vertelraam van verhalen ontbreken tegenwoordig vaak als we informatie krijgen opgediend. Van de dagelijkse stroom aan filmpjes, foto’s, oproepen, verontwaardigdheden en nieuwsberichten ontbreken zowel duidelijke coördinaten in tijd en plaats als een eensluidende boodschapper en een geadresseerde. Dat kan komen doordat een livestream de nabije actualiteit opslorpt, zoals het bijna realtime verslag van de ontmoeting van mijn dochter en haar wachtende vriendin, maar ook doordat de ‘actualiteit’ blijft ‘hangen’ als schokkende berichten viral gaan. Een even wrang als illustratief voorbeeld is het bericht van een man die zijn vriendin onder water ten huwelijk vroeg en toen verdronk. Nog steeds kun je in het nieuwsbericht (‘Man verdronken na aanzoek onder water in Tanzania’) het filmpje aanklikken, waarop je hem met snorkel en flippers voor het raam van het onderwater-hotel zijn hinnikende vriendin een aanzoek ziet doen met een ring en een in plastic verpakt briefje dat hij tegen het raam drukt: ‘I can’t hold my breath long enough to tell you everything I love about you.’ Dat het gehinnik de omlijsting van een aangekondigde dood vormt, komt doordat de vrouw die het aanzoek krijgt – hoe romantisch! – het moment zelf met haar mobiel vastlegde en op Facebook plaatste. Een van de nieuwssites waarop de beelden nog steeds te zien zijn, geeft de geruststellende waarschuwing: ‘Alsje twijfelt om de video te kijken: de beelden stoppen op het moment dat er nog niks ernstigs aan de hand lijkt.’ Hier zie je het failliet van de verteller. Het filmpje blijft tussen alle andere data voor eeuwig zweven in een cloud zonder context. Er is geen verteller of nieuwslezer die aanknopingspunten biedt om het verhaal van vroeger naar nu te verplaatsen.

Neil Postman schreef al in We amuseren ons kapot (1984) dat elke actualiteit een product van onze technologische verbeelding is. ‘Culturen die niet zulke razendsnelle media hebben – culturen bijvoorbeeld waarin rooksignalen het snelste middel voor informatieoverdracht vormen – kennen geen “actualiteiten”. Als er geen medium is om de actualiteit te creëren, bestaat ze eenvoudig niet.’ Maar met de snelheden van de huidige media lost de actualiteit uiteindelijk weer op in rook – of moet ik zeggen: in the cloud?
Ik volgde vorig jaar via WhatsApp en Instagram het live verslag van een bruiloft waar ik om meerdere redenen niet bij kon zijn, maar wel voor was uitgenodigd. De ‘actuele’ beelden doken de dagen erna nog een tijdje op in wat online ‘verhalen’ heetten. Veel van het leven heeft zich op deze wijze verplaatst naar een losgezongen ruimte: een atopie, of beter gezegd: een asynchronotoop. Want veel van het leven vindt in zekere zin nooit meer plaats: niet op een gegeven moment en niet ergens.

Tekst loopt door onder de afbeelding

Beeld: Studio Illurama

Ruis

Bereikbaarheid in tijd (chronos) kan de intieme afstand veranderen, en dat geldt ook voorde bereikbaarheid van het gevoel. Doordat de berichten die in de nieuwe media circuleren niet exclusief voor de ontvanger zijn bedoeld, wordt ook de inhoud van de boodschap diffuus. Voor wie is dit bedoeld?

Om geraakt te worden moet er blijkbaar ook een zekere afgewogen afstand zijn. Schrijver en columnist Bas Heijne geeft in NRC (2 november 2019) blijk van deze intuïtie. Hij ziet online weliswaar steeds meer authentieke emoties – ‘echte pijn, echt verdriet, echte wanhoop’ –, maar ze ‘komen in een context die meestal aan elkaar hangt van onechtheid, gespeelde verontwaardiging of zelfromantiek’. Misschien, schrijft hij, worden we langzaamaan volwassen in de digitale wereld. Maar zijn twijfel aan dat idee lijkt me sterker: ‘Het kan ook zijn dat al die oprechte uitingen uiteindelijk nauwelijks opgemerkt worden, gemakkelijk meegesleurd worden in de stroom van informatie die dag na dag, uur na uur, minuut na minuut langs ons heen trekt – zodat uiteindelijk niets meer echt veel indruk maakt, dat alles zo’n beetje gelijk wordt, poezen, kanker, verdriet, intensive care, strand, scheiding, selfie. Digitale ruis.’ Zodat, besluit hij, ‘intimiteit straks alleen nog een woord is’.

Het filmpje van onze aankomst, bijna realtime gestuurd aan de vriendin die voor een dichte deur stond te wachten, draagt bij aan de digitale ruis die mobiliteit in een ander daglicht zet. Veel beelden verwijzen niet meer, omdat de afstand er letterlijk niet meer toe doet. Toen Martin Heidegger in 1954 schreef dat ‘alle afstanden in tijd en ruimte’ inkrimpen, noemde hij het vliegtuig, de radio, de film en het ‘toppunt van de opheffing van elke mogelijkheid tot afstand’, de televisie, ‘die weldra het raderwerk van heel het verkeer door zal razen en beheersen’. Hij had het zonder internet al aardig voorzien. Ook wat de techniek van het filmen betreft, die ‘tegelijk met de camera ook de mens toont die haar bedient’, voorzag hij het Droste-effect van onze selfiecultuur. ‘Maar dit haastige opheffen van alle afstanden brengt geen nabijheid,’ waarschuwde hij.

Nog steeds wordt de filosoof uit het Zwarte Woud vanwege dit soort uitspraken weggezet als conservatief cultuurpessimist, die niet in staat zou zijn met de snelheid van de urbane prikkels om te gaan. Maar nu stad en platteland als tegenstelling wordt opgelost in de asynchronotoop waarin iedereen ervaart dat alles, zoals Heidegger schrijft, ‘in het gelijkvormig afstandsloze op één hoop gegooid’ wordt, moeten we constateren dat het verwijt van nostalgie zelf een nostalgische neiging is geworden.

Heidegger voorzag het Droste-effect van onze selfiecultuur

Waarmee ik niet beweer dat het onderscheid tussen stad en land geen betekenis meer heeft. Alleen zijn nabijheid en intimiteit in beide domeinen op gelijke wijze onder druk komen te staan. Waar je ook woont, je verkeert in de eerste en in de laatste plaats in wat de techniekfilosoof Luciano Floridi de ‘infosfeer’ noemt. Urbaan of plattelands, we winkelen in dezelfde online winkels, we kijken dezelfde programma’s, hebben dezelfde mode en ‘straattaal’ (webtaal), en volgen dezelfde influencers.

Voor een goede verbinding tussen burgers onderling moeten we niet de afstanden in tijd en ruimte laten inkrimpen, maar de verschillen naderbij brengen. Zolang het middel middellijk blijft, blijft de afstand bewaard. En daarvoor zouden de overheid en de journalistiek de asynchronische middelen van de sociale media nu eens heel goed kunnen benutten. Veel makkelijker dan ooit kunnen we immers volgers voor filterbubbels vinden. En dus kunnen we ook eenvoudiger dan ooit de eigenheid van de niet-virtulele
werkelijkheid voor het voetlicht brengen. Voorbij de uniforme kattenfilmpjes, TikTok-dansjes en Insta-gerechten. Elke actualiteit, om Neil Postman nog eens aan te halen, is een product van onze technologische verbeelding. En met asynchroniciteit van onze technologische verbeelding kunnen we nieuwe verhalen vertellen over het wonen, werken en leven in alle verschillende leefgebieden. Zulke vertellingen onthullen de eigensoortige intimiteiten en brengen stad en land, wijken en filterbubbels naderbij.

De essays van Daan Roovers en Coen Simon komen voort uit hun bijdrage aan Mobiliteit ontmoet Filosofie, een initiatief van NMTM, Rijkswaterstaat, CROW, Platform31, provincie Noord-Holland en Platform WOW. In die uitgave zijn ook de essays te lezen van Jan-Hendrik Bakker, Naomi Jacobs en Henk Oosterling.