Op 3 augustus 2026 overleed Anthony Kenny. Hij bracht studenten en docenten, gelovigen en ongelovigen en de analytische en continentale traditie dichter bij elkaar.
God is de beweger, de oorzaak, de noodzakelijkheid, de gradatie en de doelgerichtheid. Dat zijn de vijf godsbewijzen van Thomas van Aquino waar de op 3 augustus overleden filosoof Sir Anthony Kenny (1931-2026) kritisch over schreef in zijn boek The five ways (1969). De Brit betoogde daarin dat geen van de bewijzen die Thomas uiteenzet volledig geldig is en toonde de gebreken van de bewijzen aan. Zo schreef hij dat de stelling ‘Alles wat in beweging is, wordt door iets anders in beweging gezet’ sinds Isaac Newton achterhaald is, wat Kenny weer het verwijt opleverde dat hij beweging te ‘letterlijk’ nam.
Geëxcommuniceerd
Voor Anthony John Patrick Kenny was het niet alleen een academische, maar ook een persoonlijke polemiek. Als jongeman uit Liverpool, dankzij de Ierse diaspora de meest katholieke stad van Engeland, volgde deze zoon van een scheepsbouwer aanvankelijk met succes een opleiding tot priester aan het Venerable English College in Rome. Nadat hij in 1955 tot priester was gewijd, werkte hij vier jaar als hulppriester. Maar hij begon te twijfelen aan de leer. ‘Hoe zit het met de vrije wil?’ luidde zijn voornaamste vraag. Hij keerde terug naar de lekenstand, trouwde en werd geëxcommuniceerd.
Op zijn weg naar agnosticisme had hij aan Oxford een doctoraat in de wijsbegeerte behaald. Met zijn expertise in de denkers Aristoteles, Ludwig Wittgenstein, René Descartes en Gottlob Frege paste hij bij de traditie van de analytische filosofie. Kenny doceerde aan de colleges Exeter, Trinity en Balliol. Naar de kerk bleef hij gaan. ‘Als je niet weet of er een God is of niet,’ zo luidde zijn redenering, ‘is bidden het enige wat je consequent kunt doen’. Nooit zou deze Brit van Ierse komaf de waardering voor de culturele tradities van Rome verliezen. Het militante atheïsme van collega Richard Dawkins wees hij af.
Buitengewoon aardig
Tussen 1963 en 2019 publiceerde hij tientallen boeken, niet alleen over filosofen maar ook over dichters. Onder studenten was de gemoedelijke en goedaardige Kenny populair. ‘Ik was een vreemde eend in de bijt in Oxford,’ zo schreef oud-student Andrew Reed bijvoorbeeld over zijn ervaring met deze ‘don’, ‘maar Anthony was buitengewoon aardig, waar ik altijd dankbaar voor zal blijven’.
Kenny had al zijn charme nodig toen hij eind jaren zeventig rector van Balliol werd. Op dit vooraanstaande college van Oxford volgde hij de marxistische historicus Christopher Hill op, onder wiens leiding radicale studenten grote invloed hadden gekregen. Kenny, die later een boek schreef met de titel Can Oxford be improved?, zag het als zijn taak om ‘studenten uit te leggen waarom docenten denken zoals ze denken, en docenten waarom studenten zich gedragen zoals ze doen, en alumni waarom de universiteit vandaag de dag niet meer hetzelfde is als in de bloeiperiode van hun jeugd’. Hij stichtte vrede.
Boris Johnson
Kenny herintroduceerde tradities die waren afgeschaft, zoals ‘Master’s essays’, waarbij eerstejaarsstudenten met de ‘master’, de rector, een essay moeten lezen over een algemeen onderwerp dat geen verband houdt met hun academische disciplines. Hij koesterde een goede relatie met studenten. Toen een Lagerhuislid van de Labour Party aan Kenny vroeg of hij toevallig nog een stagiair wist, raadde hij de jonge Boris Johnson aan, een ambitieuze en bekende student. Toen Kenny de toekomstige premier over de baan vertelde, lachte hij: ‘Master, weet u dan niet dat ik een rasechte Tory ben?’
Sir Anthony bekleedde talrijke functies, zoals het voorzitterschap van zowel de British Academy als het Royal Institute of Philosophy. In 1992 werd hij door koningin Elizabeth II tot ridder geslagen. Door de jaren zou hij steeds meer boeken over de geschiedenis van de filosofie schrijven. ‘Ik denk dat hij op een gegeven moment besefte dat hij niets echt nieuws in de filosofie zou gaan doen,’ aldus Balliol-alumnus John Mackinnon, ‘en zich daarom concentreerde op de geschiedenis van de discipline. Dat was nodig, aangezien angelsaksische filosofen dat aspect vaak verwaarlozen.’

