Praktisch filosoof Elke Wiss stelt elke maand vragen bij stellige uitspraken die ze tegenkomt.
Op een verjaardag, aan een tafel met taart en slingers, kwam een gesprek op gang over… gut, ik weet het niet eens meer. Iets met school of de buurt. Het werd net interessant, toen iemand zei: ‘Nou ja, dat mag jij vinden.’ Glimlach erbij. De hele boel, het gesprek, de sfeer en zelfs de taart – als je goed keek – zakten als een plumpudding in elkaar.
Wat zegt ‘Dat mag jij vinden’ eigenlijk? Vooral dat ‘mag’ fascineert me. Wie geeft hier toestemming? Heb ik een vergunning nodig om iets te vinden? Het klinkt zo ruimdenkend: ieder zijn mening, leven en laten leven. Maar is het dat ook? ‘Dat mag jij vinden’ nodigt niet uit tot ‘vertel eens meer’. Het zegt eerder: hiermee is het gesprek klaar.
En er zit nog iets onder, een soort mildheid van bovenaf. De implicatie is dat iemand het eigenlijk beter weet, maar dat hij zo grootmoedig is om je in je waarde te laten.
Heb ik toestemming nodig om iets te vinden?
Het valt me trouwens op dat we dit zinnetje nooit uitspreken als we het eens zijn. ‘Goh, jij vindt die soep ook te zout. Dat mag jij vinden!’ We bewaren het zinnetje doorgaans voor een gesprek dat we willen afkappen.
Wat zeg je eigenlijk tegen iemand wiens afwijkende mening je wel nieuwsgierig maakt? En is dat ooit ‘Dat mag jij vinden’?
