Vrijwel alle boeken over klasse beginnen hetzelfde: de schrijver groeit op in armoede, worstelt zich omhoog en beschrijft vervolgens de elite als buitenstaander. De Duitse filosoof Hanno Sauer (1983) besloot het tegenovergestelde te doen. Hij groeide op in een hogere klasse, met veel vakanties, culturele uitjes en ouders met een academische opleiding, en schreef een boek vanuit het perspectief van iemand die zelf tot de elite behoort. Klasse. Het ontstaan van boven en onder is een analyse van wat klasse is en gaat over chique restaurants, dure horloges en andere statussymbolen. ‘Ik probeer daar een beetje mee te spelen,’ vertelt Sauer, nadat hij tegenover me heeft plaatsgenomen in een Amsterdams café. ‘Door af en toe wat patserig te doen. Ik hoop dat de lezer de ironie ziet.’
Dat spel met status raakt aan de kern van Sauers theorie. Volgens hem draait klasse niet in de eerste plaats om bezit, maar om de strijd om erkenning en sociale positie. En daarin verschilt hij van die ene grote denker over klasse: Karl Marx (1818-1883). ‘Ik vind Marx een fantastische schrijver,’ zegt Sauer. ‘Hij is lekker agressief en leuk om te lezen, maar ik ga niet mee in zijn analyse. Hij zag in de maatschappij een constante strijd tussen de kapitalisten en de proletariërs om de schaarse middelen en dacht dat als je de voorwaarden voor die strijd wegneemt, ook de verschillende klassen verdwijnen. Als je materiële overvloed creëert, verdwijnt de basis voor klassenstrijd. Op een bepaalde manier was Marx dus een fan van het kapitalisme, want het zou voor overvloed zorgen en dan zouden klassen verdwijnen.’
Hanno Sauer (1983) is een Duitse filosoof. Hij is universitair hoofddocent filosofie en doceert ethiek aan de Universiteit Utrecht. Eerder verscheen van zijn hand de bestseller Moraal. Goed en kwaad van prehistorie tot polarisatie (2023). Sauer woont met zijn gezin in Düsseldorf.
Volgens Sauer is dat een misvatting: in grote delen van de wereld is nauwelijks schaarste en toch bestaan daar nog klassen. Sauer: ‘Kijk om je heen. Al deze mensen in dit café zitten hier koffie te drinken en croissantjes te eten, terwijl dat thuis veel goedkoper kan. Maar het geeft ze een goed gevoel en ze kunnen het zich permitteren. De hoeveelheid geld die wij uitgeven aan dingen die we niet nodig hebben om te overleven is enorm. Ik heb verschillende winterjassen, terwijl ik er maar eentje nodig heb. Dat is welvaart. En toch blijft de competitie bestaan.’
Hebben klasse en schaarste dan niets met elkaar te maken?
‘Jawel, dat had Marx goed gezien. Op een bepaald moment in de geschiedenis leefden mensen niet meer van dag tot dag, maar produceerden ze meer dan ze nodig hadden. Er ontstond een sociaal surplus. Daarop gingen verschillende groepen strijden om hoeveel ze van dat overschot zou krijgen. Sommige groepen deden dat beter dan andere; zo ontstonden klassenverschillen, die vervolgens van generatie op generatie worden doorgegeven.
Marx dacht dat die strijd zou verdwijnen zodra er genoeg welvaart was, want hij zag niet dat mensen bij gebrek aan natuurlijke schaarste zelf nieuwe vormen van schaarste creëren om de competitie voort te zetten. Mensen willen niet zomaar genoeg hebben, ze willen rijker en machtiger zijn dan anderen. Dat zijn mechanismen in de samenleving en misschien ook wel in de menselijke natuur die je nauwelijks kunt tegengaan.
Klassen verdwijnen dus niet wanneer een samenleving rijker wordt. Wél verandert de strijd van vorm en ontstaan er op andere manieren elites. Wij hebben de wereld bijvoorbeeld zo ingericht dat de rijkste 0,1 procent van de mensen absurd rijk is. Dat is niet vanzelf gegaan, maar komt door hoe wij onze instituties en samenleving hebben opgebouwd.’
‘Klasse gaat niet om geld, maar om status’
Maar is die competitie niet alsnog het product van het kapitalisme? Haalt het die strijd niet juist in ons naar boven?
‘Veel mensen zeggen inderdaad dat de strijd om status een probleem is van het kapitalisme, maar ik denk dat kapitalisme de statuscompetitie alleen maar een specifieke vorm geeft. In ieder geval zie je diezelfde strijd om schaarse goederen ook bij andere economische systemen. Toen de eerste westerlingen in Hawaï aankwamen, droegen de koningen daar bijvoorbeeld juwelen en kronen. Of kijk naar de nomenklatoera, de bestuurlijke elite van de Sovjet-Unie. De leden daarvan vormden misschien 1,5 procent van de bevolking en zij dronken champagne en aten kaviaar, precies zoals eerder de aristocratie, die ook ongeveer 1,5 procent van de bevolking uitmaakte.
Zelfs in een ultra-stalinistische samenleving zie je dat status uitgedrukt wordt door luxe. De Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-un reist met zijn eigen trein met speciale wagons. Het idee dat het kapitalisme dit heeft gecreëerd is niet aannemelijk, want het gaat niet om geld, maar om status. Al kan geld daarvoor wel een signaal zijn. Maar geld heeft alleen invloed op je klassenpositie als het ook het juiste signaal afgeeft. Je kunt steenrijk worden op een manier die je klassenpositie niet verbetert. Stel dat je tien bordelen bezit. Dan heb je veel geld, maar je wordt alsnog niet tot de elite toegelaten.’
Wat is de logica achter die sociale signalen?
‘Met sociale signalen laten we zien hoe belangrijk we zijn. Maar we kunnen die signalen ook proberen te faken. Je kunt je rijk voordoen of slim of sportief. Daarom zijn moeilijk te faken signalen kostbaar. Als je naar mij kijkt, weet je niet of ik te vertrouwen ben. Het zou handig zijn als ik dat kan laten zien op een manier die moeilijk te simuleren is. Hard to fake-signalen zijn signalen die dicht bij de eigenschap zelf liggen. Als je mij twee meter hoog ziet springen, is de kans erg groot dat ik fysiek fit ben. Als ik een PhD heb, ben ik waarschijnlijk slim – al kun je dit alweer wat makkelijker faken. Je kunt bij sommige bedrijven een PhD kopen.
Dat is de basis van de statussymbolentheorie. Als ik een duur huis heb of een duur horloge, moet ik wel rijk zijn. Mensen proberen elkaar te overtreffen met kostbare signalen. Maar zodra je meer dan twee klassen hebt – bijvoorbeeld drie: onder, midden en top – wordt het ingewikkelder. De middengroep laat zien dat ze beter is dan de onderste groep door dure signalen af te geven. Maar de top kan zich niet op dezelfde manier onderscheiden. Dan ontstaat er zoiets als countersignaling: mensen die zo vanzelfsprekend tot de hogere klasse behoren, dat ze het zich kunnen veroorloven om nonchalant te zijn, bijvoorbeeld door een gat in hun shirt te hebben of in een oude auto rond te rijden. Het niet versturen van een signaal kan zelf een signaal worden. Je bent zó zeker van je zaak dat je niet eens je best hoeft te doen.’
Is er helemaal niets te doen aan het bestaan van klassen?
‘Niet op een manier die we acceptabel vinden. Je kunt de mensen in de hoogste klasse vermoorden of kinderen van hoogopgeleide ouders de toegang tot de universiteit weigeren. Dat zou ongetwijfeld de ongelijkheid verminderen, maar dat vinden we in landen als Nederland en Duitsland toch niet zo’n goed idee. Het huwelijk is ook een instituut dat klassen in stand houdt. Maar je kunt het moeilijk verbieden om met iemand uit je eigen klasse te trouwen.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Kunstmatige overvloed
De klassenstrijd is dus onontkoombaar. Maar, stelt Sauer, de samenleving moet wel proberen de nadelige gevolgen ervan te beperken. Aan het einde van zijn boek doet hij daartoe tien voorstellen. Een daarvan is dat de politiek een situatie van ‘kunstmatige overvloed’ moet creëren: alle sociale voorzieningen moeten van topkwaliteit en voor iedereen toegankelijk zijn, zodat de gevolgen van tot een arme klasse behoren een stuk minder erg zijn. Maak niet alles afhankelijk van klasse, is Sauers boodschap.
Hoe verhoudt klasse zich tot racisme?
‘Racisme is een fout: huidskleur zou net als de kleur van je ogen iets triviaals moeten zijn. Jij hebt bruine ogen, ik blauwe. Dat is niet zo belangrijk. Maar klassenverschillen zijn niet altijd een fout – al hangen veel vormen van ongelijkheid, zoals racisme en seksisme, vaak samen met klasse. Maar het is niet zo behulpzaam om alles in termen van racisme te analyseren. Dan mis je de onderliggende structuur. Stel je een samenleving voor waarin de representatie perfect is: twintig procent van de bevolking is zwart en twintig procent van de studenten aan de beste universiteit is zwart. Dan kan die samenleving nog steeds onrechtvaardig zijn. Dus je lost maar een deel van het probleem op als je je alleen richt op identiteit.’
Wat betekent dat voor hoe we ongelijkheid moeten begrijpen?
‘Je kunt op verschillende manieren status vergaren. Geld is er één, maar er bestaat ook zoiets als cultureel kapitaal of moreel kapitaal. Als jij een podcast hebt met heel veel luisteraars, ben je een miljonair in termen van bereik. Kijk naar Jeff Bezos, Elon Musk en Mark Zuckerberg. Ze bezitten meer dan honderd miljard dollar. Wat doen ze? Ze kopen media, bouwen platforms. Ze willen een publiek. Musk had ook lekker cocktails kunnen drinken op een privé-eiland, maar hij schrijft liever tweet na tweet.
Wij zijn culturele dieren. We zoeken erkenning, impact en een sociale omgeving waarin we iets betekenen. Statuscompetitie zit overal, ook in progressieve bewegingen. Mensen strijden daar met taal en ideeën. Dat kan goed zijn. Het heeft bijvoorbeeld geleid tot het verdwijnen van sommige beledigende termen. Toen ik op de middelbare school zat was het nog heel gewoon om iets wat stom was “gay” te noemen. Gelukkig is dat nu niet meer normaal. Maar het kan ook doorschieten, waardoor mensen worden buitengesloten. Iemand die even niet heeft meegekregen dat je niet “homofiel”, maar “queer” moet zeggen, kan nog steeds best aardig zijn.’
Sauer neemt een slok koffie en kijkt even om zich heen in het café. Aan de tafeltjes zitten mensen achter laptops, met dure koptelefoons en cappuccino’s van vijf euro. Hij glimlacht. ‘Al deze mensen zijn zonder zich ervan bewust te zijn sociale signalen aan het afgeven. En het grappige is dat wijzelf dat net zo goed doen: jij met je notitieboekje en je vulpen, ik met mijn espresso.’
Klasse. Het ontstaan van boven en onder
Hanno Sauer
vert. Laura Molenaar
De Bezige Bij
368 blz.
€ 29,99

