Laatst viel me weer eens op hoe groot het verschil tussen theoretische en praktische filosofie is. Ik las een academisch artikel over Immanuel Kant. Het stond vol misvattingen, rechtstreeks ontstaan uit een gebrek aan praktijk. Hoe komt dat? Theoretische filosofen geven college; ze doen meestal niets praktisch met hun vak. Neem Kants drie hoofdvragen van de filosofie: wat kan ik weten, wat moet ik doen, wat mag ik hopen? Het gaat veel theoretische filosofen er niet om te onderzoeken of zulke vragen zich voordoen bij iemand, en hoe en wanneer dan. Ze willen hun eigen visie erop uiteenzetten.
Praktijkfilosofen gaan anders te werk. Zij leggen Kants vragen domweg aan je voor. Vervolgens willen ze een concrete ervaring van je horen, een moment waarop je tegen een van die vragen aanliep. Als je niet in staat bent zo’n ervaring te vinden, gaat het hele onderzoek niet door. Louter abstracte gesprekken vond Socrates niet vruchtbaar. ‘Jij en ik moeten worden onderzocht,’ vermaant hij de geleerde Protagoras.
Veel mensen zijn, net als Protagoras, alleen geïnteresseerd in een abstracte vorm van filosofie. Voor hen is filosofie niet meer dan een vrijblijvend spel met gedachten en redeneringen. Het gaat dan niet over jou, over wat je werkelijk denkt of voelt, alleen over mogelijke denkwijzen. Daarvoor is les krijgen handig: dan hoef je jezelf en je eigen denken niet te onderzoeken, wat vaak confronterend is. Dat je tevens de foute opvattingen van een docent ingegoten kunt krijgen, neem je voor lief.
Jij en ik moeten worden onderzocht
Zo beweerde de auteur van het artikel dat ik las dat Kants revolutie van het denken weliswaar ingrijpend is geweest, maar dat er in de eeuwen na hem veel terechte kritiek op zijn aanpak is gekomen. Kant zou bijvoorbeeld te weinig oog hebben gehad voor ‘de innerlijke, doorleefde zelfervaring van het subject’. Dat blijft bij hem ‘een abstract en anoniem ik zonder persoonlijke geschiedenis en concrete situering’. Typisch kritiek van een theoretisch filosoof, die Kants vragen nooit met eigen ervaringen verbindt en er geen socratische gesprekken over voert. Immers, wie nadenkt aan de hand van concrete ervaringen krijgt altijd in geuren en kleuren iemands persoonlijke geschiedenis en situering te horen.
Ook zou Kant geen oog hebben gehad voor het ‘fundamenteel relationele’ van het menselijk bestaan: ‘Hij thematiseert niet het specifieke karakter ervan, dat met termen als dialoog, communicatie, ontmoeting e.d. wordt aangeduid.’ Ook zo’n typisch academische misvatting. Kant doet niet anders dan juist dat, van meet af aan. Hij zegt uitdrukkelijk dat zijn Kritiek van de zuivere rede een ‘traktaat over de methode’ van filosoferen is. Hoe zou je zo’n methode als die van Kant anders kunnen toepassen dan in gezamenlijk onderzoek, dat wil zeggen in dialoog?
Kants ‘Kritiek van de zuivere rede’
Filosofie beroemt zich er soms op zuiver theoretisch te zijn. Maar kun je zonder verbinding met de praktijk ooit verder komen dan imponerende conceptuele luchtkastelen? Ik betwijfel het.

