Als er een zin is waar ik acute buikkrampen van krijg, dan is het deze wel: ‘Laten we het vooral gezellig houden’. Menig familieweekend of kerstdiner is bepaald niet gezelliger geworden door deze uitspraak. Er is een plaats en een tijd voor gedoe en conflict, dat snap ik heus wel. Maar hoe vaak wordt dit zinnetje niet preventief uitgesproken? Nog voordat er iets wezenlijks is gezegd?
Gezelligheid wordt erdoor verheven tot prioriteit, tot iets wat beschermd moet worden. Maar waartegen beschermd? Tegen een mening? Tegen eerlijkheid, oprechte gevoelens en openheid? Tegen een gesprek dat ergens over gaat?
Je hoort erbij, mits je je voegt
En wie is die ‘we’? Het klinkt zo inclusief, samenzweerderig haast. Maar is het dat? Of is ‘we’ hier eigenlijk een vriendelijk verpakte ‘jij’? Jij moet je aanpassen. Jij moet dimmen. Jij hoort erbij, mits je je voegt. Degene die het meest profiteert van die ‘gezelligheid’ is vaak degene die deze zin uitspreekt. En meestal is dat iemand die wat te verliezen heeft als het ongezellig wordt en het gesprek wél ergens over gaat.
Wordt het niet ook per definitie ongezellig als iemand dit zinnetje uitspreekt? De sfeer is dan al verschoven, er hing al iets in de lucht. ‘Laten we het gezellig houden’ is dan geen uitnodiging, het is een waarschuwing.
En dan vraag ik me af: wat gebeurt er met alles wat nu niet gezegd wordt? Lost dat op tussen de koffie en kleffe cake of kaasblokjes met augurk? Of woekert het ondergronds tot het volgende familieweekend?
Is geforceerde gezelligheid niet gewoon uitgestelde ongezelligheid?
Even tussendoor …
Meer columns lezen van Elke Wiss? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
