‘De meeste filosofen schrijven voor andere filosofen,’ schrijft Martin Stokhof. Een betreurenswaardige constatering, want met ‘andere filosofen’ doelt hij niet op jou en mij. Toch heeft Stokhof, emeritus hoogleraar taalfilosofie, besloten om nu eens te schrijven voor ‘een geïnteresseerde maar nog niet ingevoerde lezer’, om deze kennis te laten maken met het werk van Ludwig Wittgenstein (1889-1951). Hij licht daarbij het begrip ‘betekenis’ uit als een centraal thema in het denken van Wittgenstein, en deze keuze is meteen raak.
Stokhof schrijft gelukkig niet om de Tractatus logico-philosophicus heen, Wittgensteins eerste en tegelijkertijd ook lastigste werk. Hij heeft de juiste aandacht voor de merkwaardige aard van Wittgensteins eersteling, in die zin dat hij onverschrokken ingaat op de vraag wat de betekenis van deze tekst kan zijn. Zijn uitleg van Wittgensteins uitleg van betekenis is niet altijd even makkelijk te volgen voor ‘de nog niet ingevoerde lezer’. Zo schrijft hij samenvattend: ‘Het basisidee van een betekenisvolle zin is inzichtelijk en simpel: logisch gezien is het een waarheidsfunctionele combinatie van, uiteindelijk, elementaire zinnen.’ Helemaal mee eens, maar of hij alle lezers meekrijgt naar dit inzicht? Daar staat tegenover dat hij helder is over de vraag die Wittgenstein zelf ook stelt over de Tractacus: veegt die tekst zich na aanschaf vanzelf uit, als een soort Banksy-creatie?
Geestelijk wolkje
Stokhof bemoeit zich niet of nauwelijks met het leven van Wittgenstein. De Eerste Wereldoorlog betekende biografisch en geestelijk een aanzienlijke onderbreking in Wittgensteins denkarbeid; toch laat Stokhof zien hoe Wittgensteins latere werk eerder een fascinerende voortzetting is van zijn eerdere overwegingen dan een totale ommekeer.
Taal is dichten, liefhebben, gissen, vloeken, groeten, bedanken, bidden
Na de Tractatus steekt Stokhof over naar de Filosofische onderzoekingen, waar betekenis opnieuw een belangrijk richtsnoer in Wittgensteins denken is. In de Tractatus ligt de essentie van taal in het afbeelden van de wereld: beschrijven, meedelen, zeggen hoe de zaken ervoor staan. In de Filosofische onderzoekingen blijkt dat het Tractatus-idee van taalgebruik maar één klein golfje beschrijft van wat bij nader inzien een hele zee is. Taal is niet alleen zeggen dat iets het geval is. Taal is dichten, liefhebben, gissen, zingen, componeren, amuseren, vloeken, groeten, bedanken, bidden. De lijst is inderdaad eindeloos, in feite zo grenzeloos als het leven zelf. En de betekenis van een woord is niet een geestelijk wolkje dat er omheen hangt. De betekenis zie je in het gebruik, en voor het gebruik moet je naar het leven van alledag. Je kunt een week lang naar een verkeersbord staren, maar je snapt pas wat het betekent als je ziet hoe weggebruikers ermee omgaan.
Buitenwereld
In Stokhofs bespreking van Wittgensteins laatste werk, Over zekerheid, lezen we hoe Wittgenstein vertrekt vanuit een voordracht van G.E. Moore met de titel: ‘Proof of an external world‘. We raken hier aan iets dat filosofiehaters gretig verfoeien: de vraag of er wel een buitenwereld is. Wat de haters niet weten, is dat je deze kwestie op een subtiele manier kunt omsingelen. Wij menen zeker te weten dat er een buitenwereld is, en Wittgenstein toont ons de leegte van deze zekerheid. Het gaat hem daarbij niet om de vraag wát we zeker weten. Het gaat erom te kijken naar situaties waarin wij zéggen iets zeker te weten. Vanzelfsprekend komt daarbij de aard van twijfel ook aan bod. Wittgenstein toont aan dat sommige ‘zekerheden’ geen betekenis hebben omdat ze niet bruikbaar zijn. Als iemand die anatomisch gaaf is ineens zegt: ‘Ik weet zeker dat ik twee handen heb,’ dan is de reactie van de omstanders niet: ‘Wat fijn voor je.’ Nee, men zal zich eerder afvragen waarom hij dat ineens opbrengt. Stokhofs nadruk op ‘betekenis’ blijkt ook in dit hoofdstuk uitstekend te werken.
Tenslotte besteedt Stokhof aandacht aan Wittgensteins waardevolle gedachten over Freud, esthetiek, rituelen en religie. Wittgenstein vocht altijd tegen religie als feitenrelaas. Lijkt de God van Michelangelo eigenlijk wel op God zelf? Onzin, want er is geen God waar iets op kan lijken. Maagzuur voor theologen die God toch wel enigszins als een feit willen koesteren.
Stokhof heeft kennelijk jaren voor filosofen geschreven en daar is het adagium: niet leuk doen. Zijn betoogtrant is altijd keurig maar nooit erg kleurig. Geeft niet. Er is toch maar weer een nieuwe toegangsweg geopend naar het bijzondere werk van Ludwig Wittgenstein.
Wittgensteins Betekenis. Hoe taal, handelen & wereld betekenis bepalen
Martin Stokhof
Athenaeum
256 blz.
€ 22,99

