Filosoof en polarisatiedeskundige Bart Brandsma (1967) kan zich nog goed herinneren wanneer hij zich voor het eerst een niet-moslim voelt. Het is begin jaren nul en hij werkt als journalist met collega’s die wel moslim zijn. Op een ochtend boren twee vliegtuigen zich in de Twin Towers in New York en in Nederland worden kort daarna Pim Fortuyn en Theo van Gogh vermoord.
In deze periode komt ‘de moslim’ tegenover ‘de niet-moslim’ te staan, vertelt Brandsma. Zelf krijgt hij ook het gevoel dat er een ‘wij’ en een ‘zij’ bestaat en dat hij tot een andere ‘wij’ behoort dan zijn moslimcollega’s. ‘Wat me intrigeerde was dat ik er niets voor hoefde te doen om een niet-moslim te worden. Ik had er nooit eerder bewust over nagedacht en bovendien was de directe relatie tot mijn collega’s niet veranderd,’ vertelt Brandsma. ‘Ik vroeg me af: hoe kan het dat we tegenover elkaar komen te staan? Met wat voor dynamiek hebben we hier te maken? En zijn we eraan overgeleverd of is er een ontsnappingsroute mogelijk?’
Na deze ervaring besluit Brandsma om ‘wij-zij-denken’, zoals hij polarisatie ook wel noemt, in de praktijk te onderzoeken. Inmiddels is hij een internationaal erkend polarisatie-expert, die zijn training in helder denken inzet wanneer de vlam in de pan slaat en groepen lijnrecht tegenover elkaar staan. Brandsma adviseert organisaties, bedrijven en overheden en reist naar brandhaarden zoals Oekraïne, Israël, Myanmar, Noord-Ierland en voormalig Joegoslavië om bij te dragen aan depolarisatie. Daarnaast heeft hij meerdere boeken geschreven, zoals De hel, dat is de ander (2006) en Meesterschap in polarisatie (2025).
‘Als we alle dilemma’s vermijden, raken we afgesneden van het leven’
‘Wat polarisatie zo glibberig maakt is dat je het niet in je concrete omgeving kunt aanwijzen,’ legt Brandsma uit. ‘Polarisatie speelt zich af tussen de oren. De gedachteconstructie bestaat uit alles wat er bedacht kan worden over de wij en de zij.’ Regelmatig verschijnen er opiniestukken in de krant of interviews op de televisie waarin wordt gesteld dat het met polarisatie wel meevalt. In werkelijkheid zouden we het best met elkaar eens zijn, bijvoorbeeld over de komst van migranten naar ons land. Maar volgens Brandsma is dat de kwestie niet: ‘De vraag is niet of we anders denken dan de ander, maar in hoeverre we geneigd zijn over onszelf en de ander te denken en te spreken in termen van wij en zij.’
Polarisatie draait dus om een manier van denken. Waarom is dat een belangrijk inzicht?
‘Omdat het je in staat stelt polarisatie te onderscheiden van bijvoorbeeld conflict, dat een andere aanpak vergt. Bij een conflict kun je tijd, plaats en betrokkenen aanwijzen. Je kunt erbij aanwezig zijn. Dat maakt een oplossing relatief eenvoudig: je onderzoekt waar de belangen botsen en probeert vervolgens te bemiddelen en compromissen te sluiten. Een conflict kan de brandstof zijn voor een sluimerende polarisatie om weer op te laaien, zoals in Amsterdam gebeurde bij de Maccabi-rellen. Maar bij polarisatie neemt een primitieve gevoelsdynamiek de overhand. Die gaat soms al generaties terug. Het is bij polarisatie niet de logos die telt, zou de filosoof zeggen, maar het pathos. Een rationeel tegenwoord komt niet aan bij het publiek, het is de onderbuik die ons overneemt.
Het kan soms lastig zijn om in een bepaalde polarisatie te bepalen wie er onderdeel van uitmaken. Meestal wordt polarisatie begrepen als links versus rechts, met in het midden een stille meerderheid. Maar er bestaan ontelbare polarisaties: man versus vrouw, jong versus oud, stad versus platteland, voor of tegen de wolf, voor of tegen het systeem. Ieder mens maakt onderdeel uit van meerdere spanningsvelden, die met elkaar kunnen overlappen, en soms ook juist niet. Het cliché wil bijvoorbeeld dat mensen uit de stad voor de wolf zijn en plattelanders tegen, maar dat gaat lang niet altijd op.’
Om meer inzicht te krijgen in hoe wij-zij-denken werkt, onderscheidt u in uw boek verschillende rollen: de pushers, de joiners, het stille midden, de zondebok en de bruggenbouwer. Die laatste wil polarisatie graag oplossen, maar draagt er daardoor juist aan bij. Hoe werkt dat?
‘De bruggenbouwer is vaak een journalist, wetenschapper of overheidsmedewerker. Zij zien hoe groepen tegenover elkaar staan, en ze denken: ik sta erboven, ik ga uitzoeken hoe het zit, dan kan ik het oplossen. Maar op het moment dat je meepraat over identiteit, ben je gewicht eraan aan het toekennen, lees: aan het polariseren. Stel dat iemand de uitspraak doet: “Homo’s zijn watjes.” Als je daar iets tegenin brengt, zoals dat homo’s juist sterk of moedig zijn, draag je bij aan wij-zij denken. Bij polarisatie besluit je bovendien niet alleen zelf waar je staat, dat doen anderen ook voor jou. Als je bij de overheid werkt, word je vanzelf naar een bepaalde kant geduwd. Het kan helpen om te proberen inzicht te krijgen in welke positie je hebt op wat ik de “polarisatiekaart” noem. Dan kun je daarna bedenken wat je vanuit die positie te doen staat.’
Aan beide polen bevinden zich de pushers, die het wij-zij-denken aanjagen. Zij richten zich niet zozeer op elkaar, als wel op het midden. Kunt u dat uitleggen?
‘Beide polen willen het midden oncomfortabel maken, zodat het het gevoel krijgt te moeten kiezen. Pushers willen nog liever dat het midden tégen hen kiest, dan dat het niet kiest. Het is dus risicovol om ondanks toenemende polarisatiedruk in dat midden te blijven staan. Je bent een doorn in het oog voor de pusher en dus treedt er een zondebokmechanisme in werking: wie als laatste overblijft in dat midden krijgt de schuld. Bovendien ben je in het midden minder zichtbaar dan als je op een van de polen gaat staan; de Nobelprijs zul je er niet mee winnen. Overeind blijven in het midden doet niet zozeer een beroep op je vaardigheden, als wel op wie je ten diepste bent.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Is polarisatie eigenlijk altijd slecht?
‘Absoluut niet. We hebben polarisatie hard nodig. Het hoort bij een gezonde democratie dat ideeën worden opgeschud en dat we worden uitgedaagd om na te denken over hoe we met elkaar willen samenleven. Het wordt problematisch als je op een van de polen gaat staan en gelooft dat je vanuit die positie het antwoord voor alles in handen hebt. Het is de kunst om, ook als activist, op te komen voor wat je belangrijk vindt en tegelijkertijd het midden te honoreren. In dat midden houd je het uit in niet-weten, daar laat je dilemma’s bestaan, maak je ruimte voor complexiteit en meerduidigheid. En daar spelen filosofen een cruciale rol, omdat zij vragen niet enkel willen oplossen, maar blij worden van een nieuwe vraag.’
Na een korte pauze voegt Brandsma toe: ‘Je zou ook kunnen zeggen: het uithouden in een dilemma is wat het betekent om te leven.’
Wat bedoelt u daarmee?
‘Ik geloof dat het leven een vraagstuk is, met tal van dilemma’s. We staan als het ware onder spanning en onder die spanning gebeurt het: dan zijn we afhankelijk van de ander, dan vindt de ontmoeting plaats. Dat is geen wereldse logica; je betreedt een haast religieus veld. We leven in een oplossingsgerichte maatschappij waarin we dilemma’s continu proberen weg te snijden. In feite raken we daarmee afgesneden van het leven. Op het moment dat je een oplossing voor een dilemma voorstelt, bijvoorbeeld dat we allemaal moeten stoppen met vlees eten, is dat vooral jouw oplossing, met uitsluiting van de ander. Daarmee verklaar je de inbreng van die ander overbodig.’
Hoe weet je eigenlijk of je in het midden staat?
‘Je zult het antwoord op die vraag niet buiten jezelf vinden. Je moet je afstellen op de antenne die zich binnenin jou bevindt. Je kunt soms voelen dat je een grens overgaat. Ik ben aan het radicaliseren, zeggen mensen dan. Als je die hardvochtigheid bij jezelf voelt, zit je heel dicht tegen een omslagpunt: het moment dat de verbinding wegvalt.’
Het gaat er dus om het andere perspectief te blijven toelaten.
‘Ja, en dat je daar een taal voor vindt. Ik krijg de kriebels van mensen die zeggen: “We moeten de verschillen omarmen.” Wat beter werkt, is om een verhaal te vertellen dat kan resoneren bij anderen en waarin verschillen overeind blijven. Het liefst is dat een klein verhaal waarin je ook iets van jezelf legt, zonder dat het uitsluitend jouw verhaal is. In zo’n verhaal spreek je een waarheid die niet gaat over feiten. Je kunt dat ook bij de ander naar boven brengen door te luisteren en vervolgens woorden te geven aan de vertelde ervaring. Als je voor iemand kunt verwoorden wat diegene meemaakt, ben je al een heel eind. Filosofen zouden daar goed in kunnen zijn, net als sommige docenten en burgemeesters.
Ik vind het bemoedigend te merken dat veel mensen een antenne hebben voor waarachtigheid; dat ze naar iemand luisteren en “weten” dat er waarheid gesproken wordt. Waarachtigheid betekent dat je jezelf inbrengt, dat je uit één stuk bent. Doorslaggevend is niet wat je zegt, maar wie je bent. In de huidige tijd wordt gevreesd dat feiten niet meer belangrijk zijn, dat we een gemeenschappelijke werkelijkheid verliezen. Maar ik geloof dat we dat wel redden met elkaar. De echte uitdaging is hoe we die antenne voor waarachtigheid behouden. Dat is een kwaliteit waarnaar de wereld verlangt.’
Heeft u een voorbeeld van iemand die daarin het verschil maakt?
‘Johan Remkes, die als bemiddelaar in het stikstofconflict gesprekken heeft gevoerd met boeren. Hij zei vooraf: ik ga geen bruggen bouwen. Ik wil zelf beslissen met wie ik ga praten. Dat ging hij doen, en vervolgens was hij een tijd lang verdwenen en werd iedereen zenuwachtig. Toen hij terugkwam, zei Remkes: “Ik wil graag vertellen wat ik heb gezien: ik heb redelijke mensen gesproken met wanhoop in hun ogen – en wat ben ik daarvan geschrokken.” Doordat hij alleen al op zo’n invoelende manier sprak, ging er een golf van verlichting door boeren-Nederland.’
U zegt dat hij een tijdje verdween. Dat doet denken aan het verschil tussen chronos en kairos dat u in uw boek bespreekt, twee verschillende vormen van tijd.
‘In onze maatschappij is chronos dominant: dat is de meetbare, lineaire kloktijd, met deadlines en agendablokjes. Wil je waarachtig leiderschap tonen vanuit het midden, dan moet je ook ruimte maken voor kairos: voor het afwachten van het juiste moment, voor de vraag wanneer iets rijp is.’
Op welke manier kunnen we als individu bijdragen aan het doorbreken van wij-zij-denken?
‘Het gaat erom dat je jezelf in een ontmoeting laat transformeren; dat je er anders uitkomt dan je erin ging, ook al had je van tevoren misschien een bepaalde agenda. Progressieve ideeën zijn beperkt houdbaar zonder een verhouding tot conservatisme, en andersom: Extinction Rebellion en Farmers Defence Force hebben elkaar hard nodig.’
Meesterschap in polarisatie. Doorbreek de dynamiek van wij-zij-denken
Bart Brandsma
Verhaal met impact
176 blz.
€ 27,50


