Home We hebben het beste met u voor

We hebben het beste met u voor

Door Ivana Ivkovic op 05 december 2005

10-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

Wie ziek, zwak of het slachtoffer van een tsunami is, kan rekenen op het 'humanitaire engagement' van betrokken burgers. De opmars van het humanitaire engagement – waarvan de keerzijden niet genoeg kunnen worden benadrukt – gaat ten koste van het ware, politieke engagement.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Nederland is kampioen engagement als het om hulp aan slachtoffers gaat. Niet alleen slachtoffers van rampen hebben onze onverdeelde aandacht; het gaat om hulp in de breedste zin van het woord, aan iedereen die op een of andere wijze minder bedeeld is, of in gevaar verkeert. Het verwijt dat wel eens klinkt – ‘dit is louter giro-engagement’ – doet geen recht aan het legioen vrijwilligers dat klaarstaat om te koken voor de voedselbank, of om met kinderen met het syndroom van Down op vakantie te gaan. We krijgen elke dag reclame voorgeschoteld, die het verbieden van dierproeven propageert. Verzekeraars, banken en energieleveranciers zijn zeer begaan met mensen in het algemeen – ‘eerst mensen, dan regels’ –, met arme boeren in Afrika in het bijzonder of met het milieu. Zelfs de bananen zijn tegenwoordig geëngageerd, getuige de groene kikker die op de sticker prijkt. De positie van de vrouw in islam heeft onze volle aandacht, de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan kunnen – na een aanvankelijke stilte, en na een show die aan de goede ouwe tijden van ‘Open het dorp’ deed denken – de toeloop van de NGO’s verwachten. Geen vuiltje aan de lucht – zo lijkt het.
Of ontbreekt er iets? Het is opvallend dat het engagement van nu vooral om hulp draait, hulp voor slachtoffers van rampen, van politiek en van brute echtgenoten. We bekommeren ons om het kwetsbare leven dat onze steun en bescherming nodig heeft. De betrokkenheid geldt zowel mensen als dieren die aan onze genade (of genadeloosheid) zijn overgeleverd als de natuur en het milieu.

Engagement lijkt niet langer een politieke zaak, het is ‘humanitair’ engagement geworden. Het is ontdaan van een gevaarlijk randje dat elk politiek engagement omgeeft, van het risico om de wereld uit het oog te verliezen of zich voor een verkeerde zaak in te zetten. Wellicht ligt daarin ook de grote aantrekkingskracht van het humanitaire – het is hoe dan ook goed.

Wie zich gerustgesteld verheugt over de humanitaire tijden die lijken te zijn aangebroken, vergeet de maar al te vaak verborgen schaduwzijden ervan. Omdat het humanitaire engagement uitgaat van het beste voor de mens – en wie wil dat nu niet? – verliest uit het oog dat over publieke zaken een dergelijke eensgezindheid niet mogelijk, en zelfs gevaarlijk is. Wie mag er nog van mening verschillen met hen die vol afgrijzen aandacht vragen voor de wandaden die hier of elders worden gepleegd? Het humanitaire engagement verlaat het domein van de vrijheid – zo kenmerkend voor de politiek – en loopt de kans zelf in een nieuwe dictatuur te ontaarden.

Schipholbrand

Het probleem van het humanitaire engagement wordt duidelijk wanneer politieke kwesties als humanitaire kwesties worden gepresenteerd. En dit is precies wat er vaak gebeurt. Zo heeft Ayaan Hirsi Ali na de recente brand op Schiphol ervoor gepleit de brand als een humanitaire ramp te bestempelen. De vraag is waarom een politica juist dit humanitaire aspect benadrukt, in plaats van de politieke dimensie van de gebeurtenis aan de orde te stellen. Bij een ramp draait het allemaal om onze betrokkenheid bij de slachtoffers, zoals bij de aardbevingen of overstromingen. Daardoor bestaat de kans dat bij een humanitaire ramp lastige vragen onbeantwoord blijven: vragen over het wel of niet adequaat handelen, over de omstandigheden waaronder de asielzoekers werden (en nog steeds worden) opgesloten en ten slotte ook over de politieke verantwoordelijkheid.

Het is opvallend dat ook de protesten tegen het asielbeleid, bijvoorbeeld de roep om een generaal pardon voor de 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers, vooral een appèl doen op onze ruimhartigheid – of die van de vorstin. Dat mag dan zeer geëngageerd zijn, maar de politieke dimensie is ook in deze kwestie zoek. Asielzoekers worden bij voorbaat voorgesteld als slachtoffers die onze hulp en onze bescherming behoeven. Dat er ooit zoiets als een recht om asiel aan te vragen bestond, dreigt vergeten te worden. En dit heeft weer reële gevolgen voor de problemen die aan de orde gesteld kunnen worden, en die waarvoor dat niet geldt. Het is namelijk goed mogelijk om de asielzoekers – als slachtoffers – op een ‘humane’ manier op te vangen en hun bescherming te bieden in de speciale opvangcentra, waarin zij afgescheiden van de samenleving hun tijd kunnen uitzitten, totdat de storm in hun land van herkomst is gaan liggen. En dit is precies de richting waarin het Europese asielbeleid – dat officieel ook beschermbeleid gaat heten – zich ontwikkelt. De protesten hebben bijzonder weinig invloed op deze ontwikkeling, want alleen de gevolgen van het beleid worden aan de orde gesteld, niet het principe waarop het gebaseerd is. En het is ook niet te verwachten dat deze principes kunnen worden bekritiseerd vanuit een humanitair paradigma. Als het om deze premissen gaat, is de kloof tussen het officiële beleid en het protest daartegen opeens een stuk minder diep: beide gaan er vanuit dat asielbeleid om hulp en bescherming draait.

We dreigen te vergeten dat politiek engagement iets anders was dan hulpverlening. Politiek engagement hoeft niet samen te hangen met sympathie, genade, gulheid noch medelijden. Het is – om de grote woorden niet te mijden – opkomen voor iemand of voor een zaak uit de naam van rechtvaardigheid. En het gevoel voor rechtvaardigheid is niet hetzelfde als een groot hart. Het is inmiddels een tijd geleden dat de schrijfster Karin Spaink een relletje veroorzaakte toen zij auteursrechterlijk beschermde teksten van Scientology op haar website had gepubliceerd. Dat deed ze omdat ze vond dat het recht op vrije meningsuiting zwaarder zou moeten wegen dan het auteursrecht. Spaink werd vrijgesproken nadat Scientology een rechtszaak tegen haar had aangespannen. Nadat Scientology telkens hoger beroep bleef aantekenen, moet de Hoge Raad nu beslissen of ze er een uitspraak over zal doen. De consternatie die deze actie veroorzaakte, is het symptoom van de huidige categorieverwarring. Politiek engagement zou, in de eerste plaats, een bepaald onrecht aan de kaak moeten stellen, dat mij, ons, of een derde wordt aangedaan. Maar zeggen dat iemand onrecht wordt aangedaan is niet hetzelfde als iemand bestempelen als slachtoffer. Het verschil ligt dus niet alleen in de motivatie voor engagement, maar ook in de relatie van diegene die zich engageert tot zijn ‘zaak’. De relatie van de hulpverlener met het slachtoffer is geen relatie tussen gelijken, en politiek engagement zou wel uit gelijkheid moeten vertrekken. Niets is meer vernederend dan degene die voor zijn plek onder de zon opkomt als slachtoffer bestempelen. Dat is net zoiets als homoseksualiteit bestempelen als ziekte, maar ervan overtuigd zijn dat homo’s, omdat ze er toch niets aan kunnen doen, er wel mogen zijn. Het politieke engagement verwarren met het humanitaire heeft hier een bijzonder kwalijk gevolg: de mens louter als slachtoffer beschouwen leidt, paradoxaal genoeg, naar ontmenselijking.

Unicef

Doordat politieke kwesties als humanitaire kwesties worden gepresenteerd, doet engagement zich ‘neutraal’ voor. Engagement pretendeert geen politiek standpunt te vertegenwoordigen, maar heeft gewoon het beste voor met de mensen – of met de dieren, of met de aarde. . Maar engagement en politieke neutraliteit vormen een vreemde combinatie; die klinkt als: de nek uitsteken, maar niet de kop boven het maaiveld. Daarom is een voor de hand liggende tegenwerping dat deze neutraliteit slechts een masker is, waarachter een politieke agenda schuilgaat. Soms lijkt engagement inderdaad louter retoriek. Zo heeft ‘het lot van de vrouwen van Afghanistan’ een rol gespeeld bij het klaarstomen van de publieke opinie voor de militaire interventie die in 2001 ophanden was. De echtgenotes van Bush en Blair verschenen op de televisie om te wijzen op de schandalige onderdrukking van vrouwen door de Taliban. Een militaire interventie werd gepresenteerd als een vorm van humanitair engagement:we mochten de Afghaanse vrouwen immers niet aan hun lot overlaten.

Maar verklaren dat alle engagement louter retoriek is geworden, zou veel te ver gaan. Bovendien verklaart een dergelijke kritiek weinig: zij stelt alleen dat wat zich als engagement voordoet, eigenlijk geen engagement is. We dreigen dan uit het oog te verliezen dat zich hier werkelijk een verandering heeft voltrokken, een heuse paradigmawisseling, en deze verandering raakt aan de aard van het engagement zelf. We moeten eerder vragen: hoe is het zover gekomen dat engagement als neutraal gepresenteerd kan worden? Engagement gold in de jaren zestig en zeventig als links, en werd sinds de tweede helft van de negentiende eeuw vooral gedragen door grote bewegingen zoals het pacifisme, het feminisme of de burgerrechtenbeweging. De situatie is nu een stuk minder overzichtelijk. Was het engagement van de jaren zestig gericht tegen de ‘onderdrukking door het heersende systeem’, tegenwoordig profileert de overheid zich graag als geëngageerd. Was engagement uitgesproken antikapitalistisch, nu doneert Gucci 20 procent van de kerstcadeauomzet aan UNICEF. Vrijheid van meningsuiting of de positie van de vrouw staan nog steeds in de schijnwerpers, maar de voorvechters ervan zijn nu juist zo vaak diegenen die de erfenis van de ‘linkse kerk’ ver van zich werpen. Deze onoverzichtelijkheid is voor een belangrijk deel te wijten aan het grote succes van het engagement, van vrouwenkiesrecht tot homohuwelijk – vele onderwerpen van strijd zijn inmiddels geaccepteerd en geïnstitutionaliseerd.

De institutionalisering kan wel verklaren waarom hedendaags engagement vanuit een neutrale positie pretendeert te spreken. En precies daarom is het vissen naar een ‘werkelijke politieke agenda’ achter het hedendaagse engagement een loze bezigheid.

Want: allerlei politieke kleuren scharen zich onder dezelfde paraplu. De meest uiteenlopende onderwerpen en de meest uiteenlopende agenda’s ontmoeten elkaar in het engagement. Of het nu om de vrouwenbesnijdenis gaat (een barbaarse gewoonte), of om de dierproeven (Wilt u pentohexanol in de neus van uw hond spuiten? Ga toch weg, gek!) – de boodschap is steeds dezelfde: het is onbegrijpelijk, onbeschaafd, en we leven mee met de slachtoffers. Wie het hedendaagse engagement wil begrijpen, moet daarom de ogen op de bal houden; als engagement in een ‘humanitair’ jasje wordt gepresenteerd, is dit jasje juist belangrijk. Als engagement zich als neutraal presenteert, dan is de vraag wat de consequenties hiervan zijn.

Neutraliteit is een gebied vol valkuilen. Het gevaar van institutionalisering is dat engagement niet langer beoogt de wereld te veranderen, maar de veroverde waarden te verdedigen, waarna alles bij de oude kan blijven. Engagement loopt het gevaar om een eigenaardig hedendaags reactionair moralisme te worden. Dit is nog het meest zichtbaar in de discussies over de positie van de vrouw. Zo heeft Cisca Dresselhuys, de hoofdredacteur van het feministische maandblad Opzij, verklaard dat vrouwen die een hoofddoek dragen niet welkom zijn op de redactie. De hoofddoek, als symbool van de onderdrukking van de vrouw, zou datgene ondergraven waar de feministes jarenlang voor gestreden hebben. Institutionalisering, het feminisme dat Dresselhuys voorstaat, is cultureel dominant geworden. Daarmee is het van een emancipatoire beweging verworden tot een conservatieve beweging, die met hand en tand een visie op de vrijheid van de vrouw verdedigt, die verheven is tot de sociale, zelfs universele norm. Wat daarin als eerst sneuvelt, is de solidariteit. Het vreemdstee is dat dit engagement een klassieke fout van links begaat door een abstracte logica te volgen, waarbij het zicht op de concrete werkelijkheid en de concrete mensen vergeten wordt. Daardoor loopt dit engagement het risico datgene, of diegene waar het eigenlijk over gaat laat vallen. De vrouwen worden niet verdedigd uit naam van de rechtvaardigheid;de ‘universele waarden’ worden verdedigd uit de naam van de vrouwen.

De gekken

Zo kan zelfs neutraliteit uiterst beladen worden. Dat komt niet eens doordat engagement slechts een masker is, waarachter oprechte betrokkenheid, onze verlichte waarden, de reinste islamofobie, oorlogszucht danwel winstbejag schuilgaan. Humanitair engagement toont zijn klauwen wanneer het zich ontpopt als een uiterst effectieve strategie om een grens te trekken tussen datgene wat elk weldenkend mens zou moeten vinden of doen, en de gekken. Er is engagement…, en er zijn dingen die gewoon te ver gaan. Engagement is ‘in’, meer dan ooit. Maar we moeten zorgen dat we niet aan de verkeerde kant van deze lijn terechtkomen. Door engagement niet langer te zien als uitvloeisel van een politiek standpunt, zijn degenen die het standpunt niet delen geen politieke tegenstanders, zij zijn gewoonweg niet langer te begrijpen.

Dit heeft tot gevolg dat sommige standpunten volstrekt buiten het acceptabele dreigen te vallen. Is het niet vreemd dat de spandoeken met teksten over minister Verdonk (‘Verdonk, nog steeds geen bloed aan je handen?’) worden weggehaald op het moment dat de vrijheid van meningsuiting zo belangrijk is? De boodschap is duidelijk: engagement met de vluchtelingen is goed, maar je moet het niet politiseren. De neutrale grond van het humanitaire engagement heeft als uiterste consequentie dat politiek engagement onmogelijk wordt gemaakt. De situatie is vergelijkbaar met wat de tegenstanders van de militaire acties van de Verenigde Staten na 9/11 hebben ervaren: wie kritiek had, werd beschuldigd van een gebrek aan loyaliteit, want kritiek stond gelijk aan de impliciete steun aan de terroristen. De mensen die zich tegen het verbod op de hoofddoeken in Frankrijk uitspreken, of opkomen voor de rechten van de terreurverdachten, wagen zich ook op dun ijs. Ze kunnen worden bestempeld als gevaarlijk, naïef, of – het toppunt – niet als volwaardig. Het meest extreme voorbeeld hiervan was een show van Dr. Phil, waarin een aantal demonstranten tegen de oorlog in Irak te gast waren. Dr. Phil ontving de demonstranten met zijn karakteristieke warme en toch zo prekende toon, en met vragen in de trant van: maar vind je het niet lastig dat je met de demonstraties mensen verstoort als zij naar hun werk willen gaan?Maar vind je niet dat onze soldaten in een moeilijke situatie nu al onze steun kunnen gebruiken? Het slotspektakel bestond uit een officier die uit het publiek opstond om te verklaren dat hij wil vechten voor de waarden van de vrije wereld – een wereld waarin ‘zij’ de ruimte krijgen om te demonstreren, ja zelfs tegen diezelfde oorlog. Het was een zeer geëngageerd programma, waarin een poging werd gedaan om mensen met een politiek standpunt als mensen met problemen weg te zetten, die tenslotte ook onze hulp en onze steun behoeven.

Zo kan uiteindelijk het engagement een prop in de mond worden. De redelijkheid van het humanitaire engagement bevindt zich binnen de gebaande paden. Maar wie heeft ooit bedacht dat een standpunt eerst algemeen geaccepteerd moet worden, voordat iemand zich daarvoor kan inzetten? De eensgezindheid van het humanitaire rijmt niet met de spanning die aan elk politiek engagement eigen is. Want betekent politiek engagement niet altijd: zich op het dunne ijs bevinden? Opent engagement niet altijd een onenigheid en strijd? Er zit nu eenmaal een gevaarlijk kantje aan het engagement. Het is tenslotte mogelijk om voor de verkeerde zaak op te komen. In deze humanitaire tijden wordt die spanning tenietgedaan of gedemoniseerd. Wat een ongemak met het politieke! Daarmee gaat de enige ruimte waarin engagement leeft alsnog verloren. En zo zijn we lang niet altijd beter af door het beste met de mens voor te hebben.