Vier mensen met wonderlijke levens.
‘Als het weer een wonder lijkt, hebben wij meteorologen iets niet goed gedaan’
Philippe Schambergen (28) is meteoroloog en weerpresentator bij Buienradar en RTL Weer. Ook reist hij als stormchaser achter extreem weer aan.

‘Toen ik twaalf was, trok er een enorm heftige onweersbui over Maastricht. Hoe kan het toch dat wij zoveel onder controle hebben, maar dat dat ons bij het weer niet lukt, dacht ik. Dat heeft mijn interesse in het weer aangewakkerd. Later ontdekte ik dat er mensen zijn die achter onweersbuien aan reizen: stormchasers. Via weermodellen proberen we te bepalen waar en wanneer de onweersbui gaat zijn, dan rijden we daar zo snel mogelijk heen en proberen we de beste positie te vinden om de bui op ons af te zien komen. Waarom we dat doen? We maken foto’s, schrijven erover om bewustwording te vergroten en mensen ervoor te waarschuwen. Maar het is ook gewoon een kick. We willen de onweersbui zien en beleven. Dan ben ik weer even dat kind van twaalf dat zo onder de indruk was.
Ik beschouw het weer niet als een wonder. Als meteoroloog weet ik door welke fysische omstandigheden weerfenomenen kunnen ontstaan. En we kunnen die fenomenen ook voorspellen. Om van een wonder te spreken moet er iets onverwachts in zitten. Als het weer zich als een wonder gedraagt, hebben wij meteorologen iets niet goed gedaan. Maar dat betekent niet dat je je er niet over kunt verwonderen. Als ik de bliksemschichten links en rechts zie inslaan, ervaar ik de natuurkracht en het geweld dat in een onweersbui zit. Het is zoiets groots, waar we maar weinig tegen beginnen.
Zijn de wonderen de wereld uit?
Voor verwondering hoeft iets niet onverklaarbaar te zijn. Juist als je wel weet hoe iets werkt, kun je je erover verwonderen. Als ik bij zo‘n bui sta, probeer ik al mijn kennis te plaatsen in die woeste wolkenlucht die op me afkomt. Je kunt je verwonderen over hoe complex zo’n systeem in elkaar zit.’
‘Zodra je het woord “wonder” uitspreekt, zet je het vast’
Marianne van Praag (70) is gepensioneerd rabbijn van de Liberale Joodse Gemeente in Den Haag.

‘Mijn hele leven heb ik het gevoel gehad dat er iets voor me weggelegd was. Ik wist alleen niet wat. Op een gegeven moment was ik vijfenveertig jaar en dacht ik: leuk gevoel, maar is het niet tijd dat er wat komt? Toen kwam de rabbijnenopleiding. Ik kwam daar binnen, en ik kwam thuis. Dit is waar ik mijn hele leven op heb gewacht, dacht ik. Misschien kun je dat een wonder noemen, maar ik vind dat een lastige term. Ik spreek liever over de kosmische orde. Een wijze leraar vertelde mij ooit: toeval bestaat niet, het valt je toe. Iedere stap in mijn leven heeft geleid naar de rabbijnenopleiding.
In de Torah heb je wel wonderen, maar ik neem die niet letterlijk. Volgens de joodse mystiek zit er een diepere betekenis in de verhalen van de Torah. Ik kreeg toevallig een leraar, een niet-joodse man, die mij aan de hand heeft genomen in de joodse mystiek. Deze niet-joodse man gaf mij mijn vorm van jodendom waarin ik kon groeien en bloeien. Dat kun je als een wonder van de kosmische orde zien.
Het woord “God” is ook zo’n woord waar ik niet zoveel mee kan. In het jodendom spreek je Gods naam nooit uit. De vier letters van God samen betekenen in het Hebreeuws: was, is en zal zijn. Zodra je de naam uitspreekt, prik je het vast. Ik spreek liever van een goddelijk moment. Stel je een diamant voor die uit ontelbare facetjes bestaat. Iedere keer dat je een van die facetjes oppoetst, heb je een goddelijk moment. Zo’n moment van thuiskomen als ik ervoer op de rabbijnenopleiding, is ook een goddelijk moment. Dan wordt het facetje even opgepoetst, het begint te stralen.
Met het woord “wonder” doe je hetzelfde als met het woord “God”: je zet het vast. Ik heb meer met het woord “verwonderen”, want het is een werkwoord. Ik verwonder me over dingen die gebeuren, ik zie ze en ik doe iets met de dingen die mij toevallen.‘
‘Accepteren dat ik beter was, duurde drie jaar’
Dineke van Kooten (63) doet familie- en relatiecoaching. In 2021 verscheen haar boek Dwars door de pijn over haar ziekte en haar wonderlijke herstel.

‘Ik zat er niet op te wachten om ziek te worden, maar eigenlijk ook niet om weer beter te worden. Ik ben veertien jaar ziek geweest. Ik had last van hypermobiliteit: je gewrichten zijn dan te soepel. Dag en nacht had ik pijn; ik kon nauwelijks lopen, lag bijna vierentwintig uur per dag op bed. Op mijn negentwintigste kreeg ik te horen: het wordt niet meer beter.
In 2006 ging ik op retraite in een klooster in Gent. Tijdens de afsluitende kerkdienst had ik ontzettend veel pijn. Ik zat op mijn lichamelijk dieptepunt. “God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, u hoeft één woord te spreken en onze geest is genezen, spreek Heer,” zei de voorganger. Het bleef stil. “U hoeft één woord te spreken en onze ziel is genezen.” Stilte. “U hoeft één woord te spreken en ons lichaam is genezen.” Vanuit mijn tenen kwam een golf van kracht die mijn hele lijf doortrok. Ik voelde me vanbuiten aangeraakt en begon spontaan te huilen. Mijn pijn was weg. Was ik genezen? Moest ik juichend naar buiten lopen? Moest ik naar huis rijden en tegen mijn man en dochter zeggen dat ik genezen was? Dat kon niet. Straks was de ziekte morgen weer terug.
Accepteren dat ik ziek was, duurde drie jaar. Maar accepteren dat ik beter was, duurde ook drie jaar. Het leven was doorgegaan zonder mij en nu moest ik het normale leven weer instappen. Mijn dochter zat na dertien jaar niet echt te wachten op een moeder die opeens mee wil winkelen. Voor haar is mijn ziekte erg geweest. Dat vertellen die wonderverhalen in de Bijbel niet.
Het andere wonder was de zingeving die ik ontdekte toen ik ziek was. Neem een viooltje tussen de treinrails: het groeit door, ondanks alle treinen die eroverheen denderen. Het wonder is dat je door de puinhoop een weg vindt.’
‘Pas voor een publiek wordt een truc magisch’
Nigel Otermans (25) is illusionist. Hij tourt met de theatershow De Tijdreiziger door Nederland en heeft een vaste show in Amsterdam: Amsterdam Magical Experience.

‘Een klasgenootje liet me een truc zien met een verdwijnend muntje. Het was de eerste keer dat ik een goocheltruc zag; ik moet een jaar of elf geweest zijn. Die truc was voor mij echt een wonder. Het voelde als magie.
Ik ben toen zelf die truc gaan oefenen. Zodra je zelf een truc gaat doen, valt het altijd een beetje tegen. Er zit weinig wonderlijks aan als je een truc in je eentje op je kamer gaat oefenen. De magie zit in hoe je het overbrengt aan het publiek. Sommige trucs zijn niet zo spannend, maar de emotie waarmee je ze uitvoert, maakt het magisch. Iedere keer moet ik doen alsof ik het voor het eerst meemaak, alsof ik voor het eerst die kist op het podium zie en verrast ben door wie of wat eruit komt. Ik probeer een gevoel van verwondering te delen met het publiek. Daarvoor moet ik alle kennis van hoe de truc in elkaar steekt tijdelijk uitschakelen. De truc doe ik op de automatische piloot, ik ben alleen bezig met de emotie.
Waar een goede illusie uit bestaat? Ik probeer het publiek de hele tijd op het verkeerde been te zetten. Als het publiek de truc denkt te snappen, doe ik iets waaruit blijkt dat de truc toch anders in elkaar zit dan ze dachten. Het publiek zoekt steeds naar verklaringen en ik probeer daarmee te spelen. Op een gegeven moment geven mensen het op. Om zo’n gevoel van verwondering te krijgen, moet een illusie onverklaarbaar zijn.
Dat gevoel dat ik als kind ervoer bij dat verdwijnende muntje, zie ik nu terug bij volwassenen. Bij volwassenen is het leuker om die verwondering te zien, omdat het bij kinderen toch een soort standaardemotie is. Voor kinderen is alles nieuw. Maar juist volwassenen hebben dat gevoel van verwondering sinds hun kindertijd niet meer gehad.’