Vier volleerde weifelaars over het voor- en nadeel van de twijfel.
‘Als arts voel je druk om zekerheid te bieden’
Danka Stuijver (43) is huisarts en columnist in de Volkskrant. In 2025 verscheen haar boek Dit kost ons de zorg over de werking van het zorgsysteem.

‘Een diagnose stellen is relatief makkelijk. Het moeilijkste is accepteren dat je het soms gewoon niet weet. Als huisarts werk je voortdurend met onvolledige informatie. Iemand komt met klachten, je onderzoekt, stelt vragen, maakt een inschatting. En dan moet je beslissen: kunnen we dit veilig aankijken? Of moet ik doorverwijzen naar een specialist? Twijfel hoort daarbij. Die zorgt ervoor dat je jezelf de vraag blijft stellen: klopt mijn eerste indruk wel? Een goede arts moet bereid zijn zichzelf te bevragen en soms ook te zeggen: ik weet het nog niet. Dat is geen zwakte. Het is pas een zwakte als je uit angst voor die onzekerheid een antwoord geeft dat je eigenlijk niet hebt. Dokters die doen alsof ze alles zeker weten, wantrouw ik altijd een beetje.
Tegelijk ervaar je als arts de druk om zekerheid te bieden. We zijn gaan geloven dat we risico’s kunnen opsporen, beheersen en controleren. De twijfel en de kwetsbaarheid die we allemaal ervaren, vinden we ontzettend ongemakkelijk. En dus gaan we meer meten en scannen, maar meten is niet altijd weten. Als een scan een afwijking laat zien, weet je nog niet of dat de klachten veroorzaakt. Was die afwijking er al? Moeten we die behandelen? Moeten we het juist met rust laten? Dat is de paradox van onze geneeskunde: de technologie die ons meer zekerheid moet geven, kan nieuwe onzekerheid creëren.
Je kijkt als arts naar alarmsymptomen, maar het is ook een kwestie van luisteren naar je onderbuikgevoel: het pluis/niet-pluisgevoel. Natuurlijk gaat dat ook weleens mis, want niemand heeft een feilloze onderbuik. Vaak wordt een arts daarna defensiever: die gaat twijfelen aan het eigen gevoel en grijpt eerder naar allerlei tests. Maar als twijfel omslaat in angst, kan twijfel je juist minder scherp maken. Je moet dus niet leren om zonder twijfel te werken, maar om mét twijfel goede beslissingen te nemen.’
Leidt twijfel tot een beter leven?
‘Twijfel betekent voor mij: je blik openhouden’
Elianne van Rens (69) is strafrechter.

‘In het strafrecht is twijfel essentieel. Je moet in de rechtszaal altijd rekening houden met de optie dat de verdachte niet schuldig is. Twijfel is daarbij een belangrijk instrument, dat ben ik mij steeds meer gaan realiseren.
Toen ik net strafrechter was, moesten we een verkrachtingszaak beoordelen. We lazen het politiedossier met daarin het bewijs dat erop duidde dat de verdachte de dader was. Tijdens de zitting bespraken we vooral het scenario van de politie; we vroegen de verdachte niet echt naar zijn verhaal. Na de zitting in de raadkamer hebben we hem met volle overtuiging veroordeeld. Geen twijfel. Hij ging in hoger beroep; er bleek niet genoeg bewijs. We hebben ons laten leiden door onze overtuiging dat hij het had gedaan, maar er had twijfel moeten zijn.
Twijfel betekent voor mij: je blik openhouden. Je moet kritisch kijken naar het politiedossier en je elke keer afvragen: kan dit ook anders uitgelegd worden? Wat is het verhaal van de verdachte? Als ik lees dat het bloed van de verdachte is aangetroffen in de woning van het slachtoffer: hoe komt dat daar dan? Welk scenario biedt de verdachte? Als daaruit een verhaal naar voren komt dat logisch past bij het bewijs, volgt er vrijspraak. Er is dan wel wettig bewijs, maar wat mij betreft mist dan de overtuiging.
Om goed gemotiveerd te kunnen oordelen, is twijfel onontbeerlijk. Elke rechter realiseert zich dat hij de waarheid niet in pacht heeft. Ik kan nooit met honderd procent zekerheid zeggen dat iemand de dader is, zeker als de verdachte ontkent of zwijgt. Maar ik kan wel met honderd procent zekerheid zeggen dat ik alles heb afgewogen en een zorgvuldig gemotiveerde beslissing heb genomen, wetende dat ik in veel zaken uiteindelijk nooit zeker zal weten of het klopt.’
‘Twijfel maakt een spel leuk’
Ajuna Soerjadi (25) is voormalig Jonge Denker der Nederlanden en oprichter van het Expertisecentrum Data-Ethiek. Ook doet ze mee aan het WK schaakproblemen oplossen.

‘Sinds vijf jaar doe ik mee aan het WK schaakproblemen oplossen. Dat is heel anders dan schaken. Je krijgt een schaakpositie te zien met een probleemstelling, bijvoorbeeld: zet mat in twee zetten. Met zo’n tweehonderd mensen zit je in een grote zaal. Iedereen heeft een of meerdere schaakborden op tafel en een papiertje voor zich. Er zit niemand tegenover je – dit doe je in je eentje.
Schaakproblemen oplossen is een zwart-witte wereld: er is één unieke oplossing en als jouw zet niet tot de oplossing leidt, moet je concluderen dat het niet de juiste zet is. Twijfelen heeft geen zin. Toch zijn er wel relevante zaken om over te twijfelen. Het is bijvoorbeeld handig om je af te vragen wat de functie van een stuk is. Wat doet die loper daar helemaal in de hoek? Elk stuk op het bord speelt namelijk een rol in het vinden van de oplossing.
Ik denk dat je kunt spreken van twijfel als je iets niet weet en het ook niet te weten valt. Bij schaakproblemen speelt dat soort twijfel dus niet, want de oplossing valt altijd te weten. Bij een normale schaakpartij is er meer ruimte voor twijfel, want je weet niet hoe je tegenspeler reageert.
Een schaakcomputer als Deep Blue is niet te verslaan. Die weet altijd wat de beste zet is. Hoe minder twijfel, hoe beter de schaker, in zekere zin. Maar schaken doe je omdat je het leuk vindt. Een goede schaker is niet per se iemand die alle partijen uit zijn hoofd heeft geleerd. Stel, je zou net als een computer alle twijfel uitschakelen en alle mogelijke zetten uit je hoofd leren: ben je dan nog wel echt aan het schaken? Ik denk dat weinig mensen naar een schaakwedstrijd kijken waarin twee schaakcomputers tegen elkaar spelen. Er moet iets van twijfel zijn om het een spel te maken.’
‘Ik weet nog niet zo goed wie ik zelf ben’
Niklas Bartel Simon (18) studeert psychologie in Groningen.

‘Voordat ik eindexamen deed, was ik eigenlijk niet zo bezig met mijn studiekeuze. Ik ging wel naar open dagen, maar als iets zo ver in de toekomst ligt, kan ik niet goed aanvoelen wat ik graag zou willen. Ik was alleen maar bezig met dat eindexamen – en daarna een herkansing – halen. Pas toen ik hoorde dat ik geslaagd was, dacht ik: oké, wat wil ik nu doen?
Ik twijfelde tussen rechten, sociologie en psychologie. Maar waar ik vooral over twijfelde, was of ik een tussenjaar wilde doen om te reizen of meteen wilde gaan studeren. Zo’n tussenjaar vind ik erg aantrekkelijk – die vrijheid lijkt me gaaf – maar ook best spannend. Je weet niet wat er in zo’n jaar gaat gebeuren en ik wist ook niet precies wat ik dan in dat jaar wilde doen.
Ik ben best een twijfelaar; ik denk vaak lang na over iets. Dat heb ik altijd al wel gehad. Ik wil weten wat ik kan verwachten voordat ik een keuze maak. En juist dat kan met een studiekeuze of een keuze voor een tussenjaar niet. Alles ligt open en alles is mogelijk: dat is leuk, maar ook eng.
De omslag was het moment dat ik uitgeloot werd bij de studie psychologie. Ik merkte dat ik er echt van baalde. Toen pas had ik door dat ik het liefst meteen wilde studeren. Uiteindelijk werd ik via een latere ronde toch nog ingeloot. Mijn keuze heb ik dus een beetje aan het lot overgelaten. Soms moet je doen wat er op je pad komt; je kunt niet alles zeker weten.
Mijn twijfel komt denk ik ook doordat ik nog niet precies weet wie ik zelf ben. Ik weet niet zo goed wat ik leuk vind en wat mij goed ligt. Wat dat betreft zou een tussenjaar dan weer fijn zijn: dan kan ik ontdekken wie ik nu echt ben.’