Home ‘Vrij zijn in je eentje? Dat bestaat niet’

‘Vrij zijn in je eentje? Dat bestaat niet’

Door Daan Roovers op 31 oktober 1999

09-1999 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Ik denk dat mensen die bereid zijn om in een talkshow over hun privé-leven te praten, in de publieke sfeer erkenning of waardering zoeken voor privé-zaken.’ Een interview met Axel Honneth over Hegels’ balans tussen vrijheid en onvrijheid.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Hegel zat in geldnood. Een paar baantjes als huisleraar en een enkel college aan de universiteit van Jena brachten te weinig op om gedurende zijn jarenlange studie te voorzien in zijn levensonderhoud. Met zijn uitgever had hij dan ook een harde deadline afgesproken: 13 oktober 1806. Als hij te laat zou zijn met zijn manuscript, kon Hegel naar zijn voorschot fluiten. Om zijn afspraken na te komen moest hij nog even flink doorpezen. Maar jawel, precies op tijd liet hij het manuscript – het enige exemplaar – naar de uitgever koerieren. Het was dezelfde dag dat de Franse troepen onder leiding van Napoleon de stad binnenvielen en het mag een historisch wonder heten dat Hegels meesterwerk Phänomenologie des Geistes een paar maanden later ongeschonden van de drukpers afrolde.
De belegering van Jena door Napoleon was de eerste historische omwenteling waarvan Hegel werkelijk getuige was. De bestorming van de Bastille in 1789 had hij alleen van een afstand kunnen volgen, maar ze maakte een dermate grote indruk op hem dat hij in zijn werk voortdurend op zoek was naar ‘het doel in de geschiedenis’. De Franse Revolutie had de individuele autonomie van de burgers tot uitgangspunt van alle sociale en politieke instituties gemaakt. Nu trokken de troepen van Napoleon plunderend onder het raam van Hegels studeerkamer voorbij, en ondanks zijn afkeer van de bezetting kreeg Hegel grote bewondering voor Napoleon: ‘De keizer – deze wereldziel -, ik zag hem door de stad rijden om zijn troepen te inspecteren. Het is fantastisch om een mens te zien, die geconcentreerd in één punt, zittend op zijn paard, zich uitstrekt over de hele wereld en die regeert.’

Heer en knecht
De geestelijke erfenis van de Franse Revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – werd door de inval van de Franse troepen in één beweging teniet gedaan. Of toch niet? Hegel, die het als taak van de filosofie beschouwde om ‘zijn tijd in gedachten te vatten’ geloofde niet in een lineaire vooruitgang. De geschiedenis kent een ontwikkeling, weliswaar doelgericht, maar niet lineair. Met sprongen en terugvallen. Maar alle gebeurtenissen in de geschiedenis zullen uiteindelijk tot meer individuele vrijheid leiden. ‘Het hele werk van Hegel draait om de realisering van individuele vrijheid’, concludeert Axel Honneth (1949), hoogleraar aan de universiteit van Frankfurt en afgelopen zomer als Spinoza-hoogleraar te gast aan de Universiteit van Amsterdam.
En daarmee staat zijn werk tegelijkertijd in het teken van de onvrijheid. Hegel benadrukt steeds weer hoe iets – bijvoorbeeld een begrip als ‘vrijheid’ – bepaald wordt door zijn tegendeel. Door dat wat het niet is; door onvrijheid in dit geval. In de Phänomenologie beschrijft Hegel in een beroemde passage de verhouding tussen heer en knecht, de ‘metafoor’ waarin twee individuen elkaar in hun streven naar individuele vrijheid en erkenning naar het leven staan. Als deze confrontatie uitmondt in een strijd op leven en dood, kiest één van de twee eieren voor zijn geld en onderwerpt zich aan de ander. Liever onvrij dan dood. Dan ontstaan de knecht en de heer. De tekst speelt een sleutelrol in Hegels verhandeling over de ontwikkeling van de menselijke geest. En zoals elk stadium bij Hegel is de verhouding tussen heer en knecht een dynamisch proces. Honneth: ‘Er zijn verschillende manieren om die passage te lezen. De meest veelbelovende is om het te begrijpen als het wederzijdse besef van afhankelijkheid tussen twee mensen. Heer en knecht zijn voor hun voortbestaan op elkaar aangewezen. Beiden realiseren zich dat. De heer is voor het werk op het land afhankelijk van de capaciteiten en vermogens van de slaaf, en de slaaf is voor de bescherming van zijn bestaan afhankelijk van de heer. Op dat moment maken ze een revolutionaire stap, omdat ze beiden beseffen dat “vrijheid” – voorzover er in dit eenvoudige voortbestaan sprake is van vrijheid – een intersubjectief proces is. Het is niet iets wat je in je eentje kunt verwerven. Echte vrijheid, in zijn veeleisende vorm van zelfverwerkelijking is alleen mogelijk binnen sociale praktijken: in interactie met anderen.’

‘Als je handelen alleen gebaseerd is op je eigen overwegingen, ben je Frei vom Dasein’


Uiteraard vindt Hegel niet dat in een verhouding tussen heren en knechten de ideale vrijheid gerealiseerd is, verduidelijkt Honneth. ‘Hegel was natuurlijk ook van mening dat de slaaf niet vrij was omdat deze geen basale vrijheidsrechten had. En dat maakt het voor slaven onmogelijk om vrijheid te ervaren. Het is slechts een stadium in de ontwikkeling naar vrijheid toe. Niet zozeer een politiek stadium, maar een fase in de ontwikkeling van het bewustzijn.’
Hegel onderscheidt drie niveaus waarop vrijheid gestalte moet krijgen. ‘De ontwikkeling van de soort en de ontwikkeling van het individu lopen bij Hegel parallel’, vertelt Honneth. ‘Ieder mens moet verschillende stadia doorlopen. In eerste instantie bén je alleen maar. Dasein, dat is alles. Dan komt de fase, al vrij vroeg in de ontwikkeling van kinderen, van het afwijzen, van het louter negatief reageren op alle eisen en vragen van de buitenwereld. Trotzphase, koppigheidsfase noemen wij dat. In de puberteit leeft dit weer even op. Ieder mens moet door een fase gaan waarin hij protesteert tegen elke vorm van bepaling van buitenaf, omdat dat de enige manier is om te ervaren dat je bepaald bent door vreemde structuren: opvoeding, milieu, omgeving. Vrijheid is dan nee-zeggen. Geleidelijk loopt deze fase over in een begrip van vrijheid als het resultaat van een weloverwogen keuze, van een reflexieve afweging. Vrijheid betekent dan: doen wat je verkiest te doen. Dat is volgens Hegel nog steeds een beperkte vorm van vrijheid want je handelen is dan alleen gebaseerd op je eigen overwegingen. Het is Frei vom Dasein, negatieve vrijheid. Je bent vrij ván, in plaats van vrij tót.’

Vriendschap
‘Het laatste stadium is het reflexief accepteren van sociale praktijken, waarmee je instemt omdat ze je de mogelijkheid geven vrij te zijn. Dat betekent vrij worden door in te zien dat alleen als je je verlangens reflexief modelleert, als je bepaalde neigingen binnen de perken houdt, je werkelijk vrij kunt zijn. Deze communicatieve vrijheid vereist dat je rechten en plichten accepteert die aan de sociale interactie verbonden zijn. Dan ben je Frei im Dasein. Het combineert de eerste twee bestaansvormen. Deze sociaal bemiddelde vorm van vrijheid doet recht aan je behoeftige, individuele bestaan en aan de sociale werkelijkheid.’

Vrijheid is volgens Hegel het ‘uitdrukking geven aan je eigen subjectiviteit’. Drie soorten sociale praktijken vertalen zich naar drie soorten erkenning waaraan de mens volgens hem behoefte heeft. Weer een ontwikkeling op drie niveaus; Hegels idee over de menselijke geest zit bijna mathematisch in elkaar. Honneth: ‘Er zijn op zijn minst drie sterk geïnstitutionaliseerde types van erkenning in onze samenleving. Het paradigmatische model voor de meest basale vorm van erkenning is vriendschap. Hierin zoekt men erkenning voor het bestaan als emotioneel wezen. Vrijheid betekent dan “bei sich sein im Andern”. In vriendschap toom je je eigen wensen en neigingen in het belang van een ander in, om voor die ander te zorgen. We kunnen vriendschap niet als een sociale praktijk beschrijven zonder bepaalde morele normen en plichten te accepteren. Maar die zorg voor de ander wordt tegelijkertijd ervaren als een vorm van vrijheid.’

‘De markt is een geschikt instrument om egoïstische verlangens te bevredigen, omdat het strategisch handelen toestaat’


‘De tweede behoefte waaraan voldaan moet worden om jezelf te verwerkelijken is de vervulling van egoïstische verlangens. In de civil society kan het individu zijn eigen belangen nastreven. Vrije contracten, bijvoorbeeld tussen baas en werknemer, garanderen de sociale interactie. De markt is hiervoor een geschikt instrument omdat het strategisch handelen toestaat. Hegel geeft dus een morele legitimering van de markt, omdat het de egocentrische behoeftes van de mens erkent. En ten slotte is er de sfeer van de staat. De staat accepteert je als burger, als lid van een juridische gemeenschap, als waardevol onderdeel van de samenleving.’

Wat voor de mens geldt, gold ook voor Hegel. Hij zocht zijn erkenning in de verschillende domeinen van het bestaan. Als een van de weinige intellectuelen van zijn tijd onderhield hij een gezinsleven. Hij was sociaal actief, schreef in kranten en was een echte negentiende-eeuwse burger. Dat laatste maakt dat Hegel vaak conservatief wordt benaderd. Honneth. ‘Maar je moet de bestaande instituties uit zijn tijd – de bourgeois familie, de negentiende-eeuwse staat – niet als noodzakelijke invulling van die drie niveaus beschouwen. Het is juist onze taak om daaraan een moderne invulling te geven.’ En daar werkt Honneth volop aan mee. Hij gebruikt Hegels analyse om sociale strijd te interpreteren als een strijd om erkenning. In zijn boek Kampf um Anerkennung (1992) heeft Honneth ‘de morele grammatica van sociale conflicten’ beschreven. Met succes gaf hij een sociaal-wetenschappelijke onderbouwing voor Hegels speculatieve ideeën. ‘Onze samenleving stelt hele hoge eisen aan erkenning. Een ervaring van onrechtvaardigheid ontstaat bijna altijd uit het gevoel niet genoeg erkend te worden’, constateert Honneth.

Immigrant
‘In de sfeer van het privé-leven zoeken mensen wederzijdse erkenning in liefde en vriendschap. Gebrek aan liefde is een bron voor conflicten. Hetzelfde geldt voor de sfeer van de arbeidsmarkt en de economie. Daar kun je erkenning verdienen met wat je bereikt. Conflicten in die sociale sfeer gaan over hoe je tegen prestaties moet aankijken. De strijd om de erkenning van huishouden als “werk” is een aanval op de manier waarop een kapitalistische samenleving tegen prestaties aankijkt. Wij zijn gewend om erkenning op de arbeidsmarkt te vertalen in loon. Dus moet ook huishoudelijk werk beloond worden. Het lijkt een strijd om geld, maar in feite is het een strijd om erkenning. In de sfeer van de democratie geldt de vraag: wie telt als burger en wie mag er deelnemen aan de democratie? Bijvoorbeeld: vanaf welk moment geldt een immigrant als een volwaardige burger?’
‘Het zou een ramp zijn als we het prestatieprincipe als grond voor erkenning toelaten in het privé-leven of in de politiek sfeer’

‘We moeten de structuur en het ontstaan van onze sociale instituties vanuit een ethisch gezichtspunt bekijken. In welk opzicht zijn ze voorwaarden voor individuele vrijheid? Dat leidt automatisch tot het inzicht dat we bepaalde sferen van het sociale leven moeten verdedigen, omdat ze voorwaarden zijn voor vrijheid. Het tweede normatieve idee dat hieraan vastzit is dat de verschillende sferen gescheiden moeten blijven. Die differentiatie is noodzakelijk omdat het in verschillende behoeften voorziet.’ Een vermenging leidt tot op zijn minst merkwaardige situaties, meent Honneth. ‘Ik denk dat mensen die bereid zijn om in een talkshow over hun privé-leven te praten, in de publieke sfeer erkenning of waardering zoeken voor privé-zaken. Dat kan ik alleen maar verklaren vanuit een ernstig gemis aan erkenning in de sfeer waar het thuishoort. In plaats van liefde zoeken mensen een bepaalde vorm van “geliefdheid” in de publieke sfeer.’
‘Een ander voorbeeld: op de arbeidsmarkt wordt er strategisch onderhandeld en moet je presteren om geliefd te worden. Het zou een ramp zijn voor ons zelfbegrip als we dit prestatieprincipe als grond voor erkenning toelaten in het privé-leven of zelfs in de politiek sfeer. Een normatief te bekritiseren ramp. Er zijn wel mensen die verdedigen dat je pas recht hebt op het burgerschap van een land als je bijdraagt aan de samenleving. Mij lijkt dat een gevaarlijke vergissing. Je bent burger als je binnen de staatsgrenzen woont. De enige voorwaarde om politieke erkenning te krijgen is naar mijn mening dat je de democratische grondwet onderschrijft.’