Home Volgens Camus is er zonder solidariteit geen sprake van rechtvaardigheid

Volgens Camus is er zonder solidariteit geen sprake van rechtvaardigheid

Gestimuleerd door de honger en het geweld in zijn geboorteland Algerije schreef Albert Camus een belangrijk boek over gerechtigheid en solidariteit.

Door Koen Schouwenburg op 28 januari 2022

Volgens Camus is er zonder solidariteit geen sprake van rechtvaardigheid
Cover van 02-2022
02-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

In 1913 kwam Albert Camus ter wereld in het toenmalige Mondovi, in het noordoosten van Algerije. Wie Camus wil begrijpen, kan niet om zijn relatie met Algerije heen. Zo schrijft hij in de bundel Algerijnse kronieken (1939-1958): ‘Wat mijzelf betreft, ik heb vurig van deze grond, mijn geboortegrond, gehouden, alles wat ik ben komt hier vandaan.’

Algerijnse kronieken verscheen in 1958 en is het laatste boek van Camus dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd. Eindelijk is deze bundel beschikbaar in het Nederlands, in een sublieme vertaling van Eva Wissenburg. Op het eerste gezicht lijkt de inhoud van Algerijnse kronieken gedateerd; het zijn tijd­gebonden opiniërende en journalistieke artikelen waarin Camus reageert op de actualiteit die nu al decennia tot de geschiedenis behoort. Maar niets is minder waar, want voor de goede verstaander gaat het belangrijke boek over rechtvaardigheid en solidariteit.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Sinds het midden van de negentiende eeuw was Algerije een kolonie van Frankrijk. De Arabieren en Berbers hadden niet dezelfde rechten als de 1,2 miljoen Franse inwoners van het gebied. Van gelijkheid was geen sprake, want de kolonisten hadden andere rechtbanken en een ander wetboek van strafrecht. Slechts een kleine minderheid van de 8 miljoen inwoners van Algerije was volwaardig burger.

Camus, die zelf behoorde tot de koloniale bovenlaag, had een hechte band met zijn geboorteland. Hij hield van het landschap, de zee en de mensen. In zijn fictie had hij vooral oog voor de Franse inwoners van Algerije, maar in zijn journalistieke werk kwam hij op voor de Berbers en de Arabische inwoners.

Zwarte lijst

Het eerste deel van Algerijnse kronieken is een serie artikelen uit juni 1939 over de armoede en hongersnood in Kabylië. De helft van de bevolking is werkloos en driekwart is ondervoed. Camus kaartte de misstanden aan en dat werd hem niet in dank afgenomen: de krant waarvoor hij schreef mocht niet meer verschijnen en hij belandde op een zwarte lijst van de Franse regering, waardoor hij geen baan kon vinden bij een andere krant.

Vijftien jaar na de reeks over Kabylië, in 1954, brak de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog uit. Tot teleurstelling van velen was Camus niet voor een onafhankelijk Algerije. Toch schreef hij in Algerijnse kronieken: ‘De tijd van het kolonialisme is voorbij, daar moeten we van doordrongen zijn en consequenties aan verbinden.’ Camus was voor gelijkheid en gelijke rechten voor iedereen, maar hij was bang dat er in een onafhankelijk Algerije geen plek meer zou zijn voor de Franse inwoners. Daarom hoopte hij op een federatie, waarin Algerije aan Frankrijk verbonden zou blijven, zodat de verschillende bevolkingsgroepen vreedzaam zouden kunnen samenleven.

Het ging anders, en in de onafhankelijkheidsstrijd werd hard gevochten. De vrijheidsbeweging Front de Libération Nationale (FLN) pleegde terroristische aanslagen en het Franse leger martelde Algerijnse gevangenen. Camus keurde het beleid en de daden van het Franse leger af, maar was, vanwege zijn afkeer van geweld en terreur, ook zeer kritisch op het handelen van het FLN.

Nadat Camus in 1957 de Nobelprijs voor de literatuur had ontvangen, ging hij in Stockholm met studenten in debat. Toen werd hem gevraagd waarom hij het FLN niet steunde. ‘Terreur heb ik altijd veroordeeld,’ zei Camus. ‘Ik moet ook terrorisme veroordelen dat blindelings te werk gaat, in de straten van Algiers bijvoorbeeld, en dat op een dag mijn moeder of mijn familie kan treffen. Ik geloof in gerechtigheid, maar eerder dan de gerechtigheid zal ik mijn moeder verdedigen.’

De laatste zin was olie op het vuur. Voorstanders van de onafhankelijkheid verweten Camus gebrek aan logica en vonden de uitspraak sentimenteel en egoïstisch. Maar wat hij in Stockholm impliceerde, staat expliciet in Algerijnse kronieken: ‘Wat de oude, diepe bronnen van de Algerijnse tragedie ook zijn, één feit blijft overeind: geen enkele zaak rechtvaardigt de dood van een onschuldig individu.’ Zonder solidariteit was er voor Camus geen sprake van rechtvaardigheid, en gewetensbezwaren wogen zwaarder dan onberispelijke logica.

Gepassioneerd verdedigde Camus in Algerijnse kronieken zijn principes. En door zijn soepele en sensitieve zinnen klonk hij oprecht, integer en betrokken. Dat maakt Algerijnse kronieken tot een indringend boek, dat hij zelf karakteriseerde als ‘het verhaal van een mislukking.’

Na een bloedige strijd werd Algerije in 1962 eindelijk onafhankelijk. Camus zou het niet meer meemaken. Hij overleed op 4 januari 1960.

Algerijnse kronieken (1939-1958)
Albert Camus | Vert. Eva Wissenburg | Uitgeverij Vleugels | 171 blz. | € 24,50