Naast me op het terras zijn twee vrouwen aan het praten. Een van hen heeft net verteld over stroefheid op het werk. En het is allemaal geen ramp, zegt ze uiteindelijk, maar het bepaalt wel de sfeer.
Haar vriendin bevestigt het gevoel. Zoiets ‘zet de toon’ – een uitdrukking die je wel vaker hoort, maar waarin ik vandaag alle muzikale connotaties opeens weer opmerk.
De toon zetten: een toonsoort kiezen. Dat bepaalt welke andere tonen goed samenklinken en welke niet. Het eerste voorbeeld dat in me opkomt is een zakelijk gesprek, waarin een informele opmerking soms niet past. Maar daarna denk ik aan het omgekeerde: een luchtig gesprek waarin je een serieuze of belangrijke opmerking niet durft te maken, omdat het de sfeer zou verstoren.
Misschien wil je iemand aanspreken op een nare grap, maar dat kan alleen als je het gesprek min of meer stillegt. Je zou het ongezellig maken voor de rest, dus laat je het zitten.
Maar daar gaat de vergelijking eigenlijk mank, want voor jezelf is het al ongezellig geworden, dóór die grap. Alsof je hetzelfde gesprek in een andere toonsoort voert, zonder dat de anderen het doorhebben. Je speelt nog wel mee, maar het klinkt niet meer.

