Home Schuld ‘Schuld geeft gewicht aan handelingen’
Schuld

‘Schuld geeft gewicht aan handelingen’

Door Mirella van Markus op 30 januari 2014

Cover van 02-2014
02-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Voelen moordenaars, zedendelinquenten en overvallers zich schuldig? Jazeker, en daarom proberen ze hun daden vaak te rechtvaardigen, merkt humanistisch raadsman Patrick Vlug. ‘Maar als je hoopt op verbetering van de dader kom je wellicht bedrogen uit.’

Wanneer ik van huis vertrek om naar de penitentiaire inrichting te gaan voor het interview met humanistisch raadsman Patrick Vlug, staan er twee politiewagens in onze straat. Er is een vrouw beroofd en er zijn schoten gelost. Ook heeft de vrouw een bijtende vloeistof in haar gezicht gekregen. Mijn bezoek aan de gevangenis voelt meer beladen nu ik van dichtbij meemaak waar de jongens die ik zo zal ontmoeten toe in staat zijn.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Als ik in Zoetermeer ben aangekomen laat het gebouw niets aan de verbeelding over: beton, tralies en prikkeldraad. Onmiskenbaar een huis van bewaring (HvB). Bij de receptie moet ik al mijn spullen afgeven. Als ik door het detectiepoortje heen ben, wordt mij vriendelijk de hand toegestoken door de bijna twee meter lange Patrick Vlug. Zo’n fysiek lijkt mij in deze omgeving een pre. Vlug neemt me mee via gangen en deuren naar het onderwijslokaal, waar hij als humanistisch geestelijk verzorger een gespreksgroep met gedetineerden zal leiden. Hij houdt ook bezinningsbijeenkomsten en een-op-eengesprekken.

Overvallers, zedendelinquenten, veelplegers, moordenaars – alles zit hier door elkaar. De meesten zitten in voorarrest; sommigen zijn inmiddels veroordeeld en wachten op overplaatsing naar een gevangenis. De koffie en de koeken staan klaar en de mannen komen binnen. Het is pas elf uur, maar ze hebben er al een aardige dag op zitten. ‘Ik ben om zes uur opgestaan, heb even gelucht en gesport’, zegt de een. ‘Ik had een afspraak met mijn advocaat’, vertelt de ander. De dagbesteding bestaat verder uit een halve dag arbeid – sponsjes inpakken – en de overige tijd brengen de gevangenen alleen in hun cel door. Soms telt de groep tien man. Vandaag zijn er vijf. ‘Dat komt doordat er een fotograaf bij is’, zegt iemand. ‘Ze zijn cameraschuw.’

‘Dat lijkt me sterk’, reageert een ander. ‘Het hele gebouw hangt vol camera’s.’
Er wordt gelachen, de sfeer is goed. Ik schat de mannen tussen de vijfentwintig en veertig jaar, van verschillende komaf. Opvallend is de hoeveelheid tatoeages op hun handen en nek.

‘Ik zit onterecht vast’

Vlug introduceert het gespreksthema ‘schuld’. Schuld ontstaat doordat een persoon schade berokkent aan een ander. Die verstoring van de wederzijdse relatie moet ongedaan worden gemaakt. Schuld staat uit zolang de situatie nog niet is gerepareerd en het oorspronkelijk evenwicht niet is hersteld. Vlug onderscheidt drie soorten schuld: financiële, juridische en morele schuld. ‘Ik ben onschuldig’, wordt er direct geroepen.

‘Is iemand jou iets verschuldigd?’ vraagt Vlug.

‘Justitie is me mijn vrijheid verschuldigd’, roept een man. ‘Want ik zit hier onterecht vast. Ik zou iemand mishandeld hebben, maar dat heb ik nooit gedaan. Iemand noemde mij kankerneger; toen heb ik alleen zijn tablet vernield.’

‘Ik zit hier door de schuld van een ander’, reageert zijn buurman. ‘Ik moest een pakje te snuiven met hem ophalen. Hij ging naar binnen, maar bleef lang weg. Toen ik poolshoogte ging nemen, werd er gevochten. Ik heb ze uit elkaar gehaald. Nu word ik beschuldigd van een overval, maar ik heb juist het leven van die man gered. Als ik eerst 112 had gebeld, was hij nu dood geweest. Ik houd hem verantwoordelijk voor het feit dat ik nu vastzit.’ Vlug verschuift het perspectief: ‘Ben jij iemand iets verschuldigd?’

‘Nee, want ik had geen keus. Ik moest op mijn twaalfde het huis uit, ik móést wel stelen om te overleven.’

‘Ik heb wel een geweten’, zegt een andere gevangene. ‘Een fiets met kinderzitje laat ik staan, een oud vrouwtje zal ik nooit wat afnemen. Maar als ik met tattoos nergens aan de bak kom, kan ik er ook niks aan doen.’

Dan vertelt de oudste van het stel, die jaren heeft gezeten en heel lang verslaafd is geweest, dat zijn geweten begint op te spelen: ‘Ik vind mezelf wel schuldig, omdat ik door te stelen de wet heb overtreden. Maar destijds dacht ik: als ik iemands fiets wegneem, is diegene een halfuur niet happy, maar als ik niks kan scoren ben ik de hele dag niet happy.’

‘Hoe kun je die schuld inlossen?’ vraagt Vlug hem.

‘Ik wil de hulpverlening in. Ik heb nog zoveel goed te maken. Aan één leven heb ik niet genoeg.’

Misleidende illusies

Als het uur voorbij is, verbaast het me dat deze jongens, op een enkeling na, zich niet schuldig weten of voelen. ‘Ze worden aansprakelijk gesteld, maar voelen zich moreel niet schuldig, omdat ze vanuit hun perspectief met goede intenties hebben gehandeld’, zegt Vlug. ‘Deze jongens zijn morele wezens en onderschrijven ook de meer gangbare moraliteit van de samenleving. Ze weten dus dat hun handelen niet deugt, en die schuld voelt als een last. Van die last willen ze af en dat doen ze door hun daden te rechtvaardigen. Op die manier houden ze de situatie leefbaar voor zichzelf. Maar hierdoor komen ze ook in een spagaat terecht die hen onvrij maakt. Aan de ene kant zit je vast aan datgene wat je onmiskenbaar gedaan hebt en wat het daglicht niet verdragen kan. Dat roept angst op, die vervolgens aan het werk gaat om de feiten voor jezelf en voor anderen te verdraaien “door middel van misleidende illusies”, zoals de Deense filosoof Sören Kierkegaard het noemde. Die illusies zijn bijvoorbeeld de rechtvaardigingen die je hier over tafel hoort gaan. Het gevolg is een verlies van vrijheid. Het paradoxale van schuld is dat het een last is waar je vanaf wilt, maar tegelijk is schuld van existentieel belang. Schuld geeft gewicht aan handelingen. Zonder schuld is jouw handelen blijkbaar te onbeduidend om er consequenties aan te verbinden. Jouw handelen en daarmee jijzelf doen er niet toe. Zonder schuld is alles even onverschillig.

Daarnaast functioneert de samenleving bij de gratie van schuld, zou filosoof Ger Groot zeggen. Het gegeven dat ik een ander iets verschuldigd ben en een ander mij iets verschuldigd is, verbindt ons. Schuldig zijn of iemand iets verschuldigd zijn wordt daarbij niet alleen veroorzaakt door een schadelijke handeling; ook iets goeds doen heeft een onbalans tot gevolg. Als iemand jou helpt verhuizen, blijft het evenwicht verstoord zolang jij de ander geen dienst hebt bewezen. En zolang er schuld uitstaat, zijn we met elkaar verbonden. Wanneer deze wordt afgelost, staan we quitte, maar dat betekent ook dat we eigenlijk niet meer aan elkaar verbonden zijn. Zonder schuld hebben we in feite weinig met elkaar te maken. Schuld met z’n twee kanten hoort dus bij de meest basale uitwisselingsvormen die het menselijk leven mogelijk maken. Schuld maakt menselijk leven berekenbaar en voorziet in de diepe menselijke behoefte aan een overzichtelijke en rechtvaardige wereld.’

Waar zit de noodknop?
De volgende groep komt binnen. Het zijn letterlijk en figuurlijk zware jongens. Pas nu vraag ik me af of er een noodknop is waar we op kunnen drukken, mocht het verkeerd gaan. Ik zie er geen. Er is evenmin sprake van bewaking of camera’s, want deze gesprekken zijn vertrouwelijk. Ik observeer de lichaamstaal van de gedetineerden; vooralsnog leunen ze relaxed achterover. Voor mij het signaal dat ook ik kan ontspannen.

‘Hoe denken jullie over het principe oog om oog, tand om tand?’ vraagt Vlug.

‘Ik kom op voor mijn vrouw en kinderen’, antwoordt een gevangene. ‘Mijn vrouw is door een gast verkracht en hij probeerde ook mijn zoontje wat aan te doen. Ik heb hem toen zelf maar “aangepakt”. De politie deed niks, dus moest ik het wel zelf doen. Wat zou jij doen als iemand aan je vrouw of kind zat?’
Vlug vraagt door: ‘Er is wel een keuze. Je kunt ook weggaan.’

‘Met vluchten verander je het kwaad niet, dan ben je een lafaard’, houdt de gevangene vol. De anderen knikken instemmend.

‘Mijn moeder en zus hadden ruzie en mijn zus liet wat mannen naar ons huis komen om mijn moeder een lesje te leren. Ik heb toen mijn kanon gepakt en er eentje doodgeschoten’, verklaart een andere gedetineerde.

Ik vraag of hij zich niet schuldig voelt.

‘Nee, hoezo? Het is hun eigen schuld. Ik had ze niet uitgenodigd.’

Als ook deze jongens na een uur het lokaal verlaten, blijf ik teleurgesteld achter. Ik snap dat zij hun daden voor zichzelf rechtvaardigen, en toch had ik gehoopt iets van berouw of enig schuldbesef te horen. Ik had ook verwacht dat detentie dat met hen zou doen.

Vlug knikt instemmend: ‘“De plant van het berouw schiet niet hoog op in de gevangenis”, luidt een uitspraak van Friedrich Nietzsche. Er zijn verschillende strafdoelen, waarvan verbetering van de dader er een is. Voor sommigen die voor het eerst vastzitten heeft de gevangenis wel een afschrikwekkende werking, maar doorgaans is dit geen plek die leidt tot verbetering van de dader. Dat betekent niet dat straffen zinloos is, want een ander strafdoel, namelijk vergelding, wordt wel bereikt. Als iemand veroordeeld is tot dertig jaar en hij heeft zijn straf uitgezeten, is de straf uitgeboet, is de misdaad vergolden. In de Abrahamitische samenlevingen gold “Oog om oog, tand om tand”: als jij mijn koe doodt, dood ik jouw koe. In de Romeinse rechtspraak zijn er tabellen opgesteld: als jij mijn koe doodt, dan snijden we een reep van jouw lichaam af, als equivalent van de door mij geleden schade. Hoewel straffen nog steeds via het lichaam gaat – door mensen op te sluiten, hun tijd af te nemen die ze niet meer kunnen inhalen – is dat niet afdoende meer, omdat wij schuld verinnerlijkt hebben. Met de opkomst van het christendom heeft onze cultuur een beweging naar het innerlijk gemaakt, en daarmee is schuld met gevoelens gaan samenhangen. Jezus liet zien dat het niet om vergelding voor de bühne gaat – oog om oog, tand om tand –, maar om het geweten en het daaraan gekoppelde plichtsbesef.

Schuld werd gaandeweg schuldbewustzijn. Daardoor verlangen wij dat mensen zichzelf onderzoeken, een besef van schuld krijgen en zichzelf verbeteren. Maar het ingewikkelde is dat de strafdoelen in de rechtsfilosofie – verbetering van de dader, vergelding en beveiliging van de samenleving – met elkaar op gespannen voet staan. Mensen worden opgesloten om duidelijk te maken dat wat zij hebben gedaan in onze samenleving niet kan. Maar mensen die een klap krijgen, richten de aandacht naar de pijn en niet naar de reden die de ander heeft om de klap uit te delen. Dus als je hoopt op verbetering van de dader, kom je wellicht bedrogen uit.

Een cellulair opsluitingssysteem werkt in de hand dat ze zich verder afsluiten van een leven waarin andere perspectieven ook geldig zijn. Het is goed om de samenleving te beschermen, maar het paradoxale en ongewilde effect is dat gedetineerden niet meer in contact komen met de gevolgen van hun eigen handelen, waardoor ze zich nog meer op hun eigen pijn concentreren en het steeds moeilijker wordt voeling met de buitenwereld te houden. Mede daarom is een gespreksgroep als deze van groot belang, omdat de pure vergelding, zoals zij de straf vaak interpreteren, daarin niet het laatste woord is. In zo’n gespreksgroep ontstaat een uitwisseling van opvattingen en weerwoord. Ik kom van buiten, respecteer hen om wie ze zijn, maar ik wil ook “het perspectief van de samenleving” in het gesprek brengen. Daarmee doel ik op morele overwegingen en oordelen over hun motieven en gedrag. Ik zie mensen als wezens die in dialoog met elkaar verkeren, maar sommige van deze mannen zijn daar ver van weggeraakt. Ik probeer kritische kanttekeningen te plaatsen om de geslotenheid van hun zelfrechtvaardigingen een beetje open te breken.’

‘In de hoop dat er een schuldgevoel ontstaat’, vul ik aan.

‘Ik zou zeggen’, corrigeert Vlug, ‘dat ze een gevoel hebben bij een reële schuld. Het gaat om inzicht verkrijgen, om een toe-eigening van verantwoordelijkheid en, waar mogelijk, een gerichtheid op herstel. Dat zijn volgens mij ook voorwaarden voor vrijheid. Sommige van deze jongens zijn daar nog ver vandaan.’