Home Liefde Paul Verhaeghe: ‘We willen versmelten en losbreken’
Liefde

Paul Verhaeghe: ‘We willen versmelten en losbreken’

De Vlaamse psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe (1955) schreef het essay Intieme vreemden ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie. Intimiteit is volgens hem ongrijpbaar, omdat ze zo verscheurend is: we willen opgaan in de ander en tegelijkertijd zijn we bang om opgeslokt te worden in naam van de liefde.

Door Alexandra van Ditmars op 25 maart 2022

Paul Verhaeghe: ‘We willen versmelten en losbreken’
Cover van 04-2022
04-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Paul Verhaeghe, emeritus hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse aan de universiteit van Gent, weet nog goed hoe hij als dertienjarig jongetje elke maandag een vroege trein terug naar de kostschool nam. Als hij weer eens in een coupé gevuld met zwijgende, halfslapende forenzen zit, ziet hij twee banken verder een jonge vrouw. Ze is een jaar of twintig, ze leest. Hij vindt haar mooi. Hun blikken kruisen elkaar herhaaldelijk. Vanaf die maandag gaat hij elke week op zoek naar de wagon waarin zij zit en kiest hij een zitplaats vanwaar hij haar goed kan zien. ‘Haar glimlach maakte dat ik de week minder eenzaam startte,’ zegt Verhaeghe. ‘In de loop van een jaar bouwden wij een woordeloze intimiteit op.’

Het schooljaar daarop gaat hij met de fiets naar school en ziet hij de vrouw niet meer. Maar terugkijkend op dit wekelijkse ritueel ziet hij er een voorbeeld in van intimiteit. ‘Intimiteit met een vreemde, het bestaat,’ schrijft Verhaeghe in zijn essay Intieme vreemden, dat hij schreef voor de Maand van de Filosofie, waarvan het thema dit jaar overeenkomt met deze titel.

Het is niet het enige voorbeeld dat Verhaeghe geeft. Zelfs een intieme levensgezel kan vreemd zijn – bijvoorbeeld als je na de dood van je partner ontdekt dat hij of zij heimelijk een passionele affaire had. En je kunt ook vreemd voor jezelf zijn, bijvoorbeeld als je na je pensionering niet weet wie je eigenlijk bent zonder je werk.

Intimiteit, wat is dat eigenlijk? En welke rol speelt vreemdheid daarin? Voor Verhaeghe is intimiteit onlosmakelijk verbonden met zelfkennis. ‘De intieme verhouding met jezelf vormt de basis voor de sociale verhoudingen die je aangaat met anderen. En je relaties met anderen hangen op hun beurt samen met wie jij bent en hoe je naar jezelf kijkt.’

Het belang van de intieme relatie die je hebt met jezelf, met je eigen lichaam, benadrukte Verhaeghe al in zijn boek Intimiteit (2018), dat een eenheid vormt met Identiteit (2012) en Autoriteit (2015). Ook in zijn nieuwe essay is er een hoofdrol weggelegd voor de band die we hebben met ons lichaam. ‘Mijn lichaam is mijn intiemste vreemde,’ zegt Verhaeghe. ‘Wij leren in het Westen al eeuwenlang om afstand te nemen van ons lichaam, om erop neer te kijken, om het te temmen. Geest wordt van oudsher boven lichaam geplaatst, de machtige ratio boven het zwakke vlees.’

Het gevolg: we zijn vervreemd geraakt van ons eigen lichaam. ‘We zeggen dat we een lijf “hebben” – dus niet zijn – en dat we “verbinding moeten maken met ons lichaam”. Maar heb ik een lichaam of heeft mijn lijf een ik? Eén op de drie mensen met een paniekstoornis legt die verbinding geheel niet. Ze kloppen aan bij de dokter met symptomen als ademhalingsproblemen, hartklachten of spijsverteringsproblemen. De angstgevoelens die daaraan ten grondslag liggen voelen ze niet eens. Bij burn-outs zie je iets soortgelijks – signalen die het lichaam vaak al maanden geeft, worden niet opgemerkt.’

Wat te doen? ‘Het is een huizenhoog cliché, maar we moeten weer in verbinding komen met ons lijf. Bovendien zal een betere intieme relatie met jezelf doorwerken in al je andere intieme relaties, omdat we nu eenmaal geen autonome losstaande wezens zijn, maar continu in verbinding staan met elkaar.’

Intimiteit met anderen begint volgens Verhaeghe dus bij een betere relatie met jezelf. Maar zelfs als we daarin slagen, blijft intimiteit voor een groot deel ongrijpbaar. Want alhoewel het fysieke een belangrijke rol speelt bij intimiteit, beperkt ze zich niet daartoe. ‘Als mensen verliefd zijn, spreken ze vaak over “op dezelfde golflengte zitten” of dat het voelt alsof ze de ander “altijd al hebben gekend”. Dat is een ervaringsgegeven over intimiteit, dat we nauwelijks begrijpen. Hoe komt dat toch? Welke signalen vangen we op? Daarbij is sprake van een soort vanzelfsprekendheid die je niet in woorden kunt vatten; het gaat om een buikgevoel. Intuïtief weet je: met deze man of vrouw zit het goed.’

Intimiteit heeft dan ook te maken heeft met schaamte en vertrouwen. ‘Als je met iemand iets deelt waar je je voor schaamt, bijvoorbeeld dat je bang bent in het donker, kan dat heel intiem zijn. Je geeft jezelf bloot, omdat je de ander jouw geheim toevertrouwt. Het omgekeerde kan ook het geval zijn, bijvoorbeeld als je iemand ontmoet en direct denkt: blijf uit mijn buurt, met jou wil ik niks te maken hebben. Terwijl je vrienden misschien wel zeggen: dat is een heel aangenaam mens, waarom reageer je toch zo? Echt uitleggen waarom zal je niet lukken.’

‘Begrijpen doen we het niet, voelen des te meer,’ schrijft Verhaeghe. Tegelijkertijd vergeten we vaak om bewust te voelen.

Losgeknipt

In het laatste deel van zijn essay vindt Verhaeghe een verklaring voor de ongrijpbaarheid van intimiteit in het dubbelzinnige krachtenspel dat hij erin aan het werk ziet. Dat wordt al duidelijk bij de relatie waaraan de meeste mensen direct denken bij de term ‘intimiteit’: de liefdesrelatie.

In de liefde is sprake van een soort innerlijk touwtrekspel, zegt Verhaeghe. ‘Er is een verlangen naar verbinding en tegelijkertijd de angst voor samensmelting. Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille: we verlangen naar datgene waar we bang voor zijn en we zijn bang voor datgene waarnaar we verlangen. We willen niets liever dan iemand die onvoorwaardelijk van ons houdt en er altijd voor ons is. Maar tegelijkertijd zijn we bang om opgeslokt te worden door iemand die in naam van de liefde te dichtbij komt en ons geen bewegingsruimte toestaat, en voelen we de angst dat ons “ik” oplost door de twee zachte armen ons heen. Hoe meer hij of zij aandringt, des te harder onze afwijzing, terwijl we eigenlijk niets liever willen dan ons geborgen voelen in die armen.’

Intimiteit is daarmee op zichzelf al bevreemdend. ‘We verlangen naar een ontsnapping uit de beperktheid van lijf en leven, maar zijn daar ook doodsbang voor, want als we daarin slagen, verdwijnt ons “ik” als “ik”.’

We willen bij iemand zijn, maar ook weer niet. ‘Beide tendensen zie je al naar voren komen bij de allereerste liefdesverhouding: die met onze moeder. Daaraan zie je meteen dat intimiteit lichamelijk is – het gaat hier specifiek om het moederlichaam –, maar niet per definitie seksueel, anders dan vaak gedacht wordt.’

Verhaeghe begint bij de bekendste tendens: het verlangen naar verbinding. ‘Het kind zit eerst in de buik en wordt vervolgens letterlijk losgeknipt van de moeder. Daarna wil het terug bij de moeder, door haar gedragen worden, bij haar op schoot. Daar zie je direct onze eerste oerangst: verlaten worden. Het kind wil zo dicht mogelijk bij zijn mama zijn, vergelijkbaar met hoe je wilt samensmelten in de aanvangsperiode als je verliefd bent. De liefde kun je dan zien als een poging om de onvolledigheid die gecreëerd werd met onze geboorte te herstellen.’

Het doet Verhaeghe denken aan de fabel van de Oud-Griekse dichter Aristophanes. ‘Volgens hem was de eerste mens een tweeruggenbeest met vier handen, vier voeten en twee hoofden,’ schrijft Verhaeghe. ‘In zijn dubbelheid was het wezen volledig en bijgevolg perfect gelukkig. De oppergod Zeus werd jaloers op zoveel geluk en knipte de mens in twee stukken. Sindsdien voelt iedereen zich alleen en is ieder van ons op zoek naar onze verloren wederhelft. We willen onze oorspronkelijke volledigheid herwinnen, maar dat lukt nooit helemaal; we moeten ons tevredenstellen met de liefde die enkel een tijdelijke versmelting mogelijk maakt en altijd onvolmaakt blijft, letterlijk on-vol-maakt, en slechts een benadering kan bieden van de verloren eenheid. Als ik tegen mijn geliefde zeg dat ik haar zou willen opeten, dan bedoel ik dat ongeweten heel erg letterlijk, net zoals ikzelf volledig in haar wil verdwijnen.’

Dit beeld past in ons plaatje van het romantische ideaal. De tweede tendens – laat me vrij – is volgens Verhaeghe net zo belangrijk, maar krijgt onterecht aanzienlijk minder aandacht. Ook die zie je al bij kleine kinderen terug. ‘Vanaf het moment dat er vaste voeding gegeven wordt, zie je dat de dreumes zelf het lepeltje wil pakken,’ zegt Verhaeghe. ‘Desnoods duwt die de hand van de moeder of vader daarvoor weg. Het kind wil zichzelf duidelijk als een actief wezen apart van de ouder opstellen. Daar zie je die angst dat de ander het overneemt, het verlangen naar autonomie, de wil om je “ik” te bewaken. Hetzelfde zie je als je een kleuter net te lang knuffelt – het kind zal zich lostrekken. In dit gedrag komt onze tweede oerangst naar voren: bindingsangst. Of fundamenteler gezegd: intrusieangst, de angst dat de ander te dichtbij komt, onder onze huid kruipt. Verlatingsangst versus intrusieangst, die tegenstelling speelt een rol bij elke vorm van intimiteit.’

Uitbarsting

Een beter begrip van deze dubbelzinnigheid vindt Verhaeghe bij Sigmund Freud, grondlegger van de psychoanalyse. Verhaeghe, een expert op het gebied van zijn werk, vindt dat we Freuds theorieën niet te makkelijk onder het tapijt moeten vegen. ‘In Nederland is lange tijd wat lacherig gedaan over Freud, die alles tot platte seks zou herleiden. Natuurlijk hebben veel van zijn ideeën de tand des tijds niet doorstaan, zoals het oedipuscomplex. Maar wat hij schrijft over Eros en Thanatos is nog altijd relevant. Freud heeft veel geschreven over driftmatige seks, maar in zijn latere theorie schuift hij deze twee overkoepelende principes naar voren die het veld van de seksualiteit overstijgen. De Eros-drift draait voor hem niet alleen om het seksuele, maar vooral om het willen versmelten en samenbrengen.’

Daartegenover plaatst Freud Thanatos, de doodsdrift. ‘Die term is misleidend: het accent ligt niet op willen sterven, maar op het uit elkaar doen vallen van een groter geheel in afzonderlijke stukken. Anders gezegd: exact het tegenovergestelde van de verbindende Eros-drift. De dood is een gevolg van dat uit elkaar vallen. Volgens Freud worden wij, wordt ons lichaam, heen en weer geslingerd tussen die twee oertendensen: het opgaan in een groter, spanningsvol geheel en het uit elkaar vallen in volledig ontladen afzonderlijke delen.’

Dat dit wat abstract klinkt, kan Verhaeghe begrijpen. ‘Freud probeert iets onbegrijpelijks te vatten.’ Verhaeghe ziet hier een verband met het denken van de natuurkundige Erwin Schrödinger over de thermodynamica. ‘Net zoals Freud probeerde Schrödinger het onbegrijpelijke van leven en dood te vatten op grond van energetische processen. Het gaat daarbij om veel meer dan liefde en dood, wat in de al te haastige kritieken op Freuds theorie veelal over het hoofd wordt gezien. Freuds Thanatos is gericht op de ontlading van energie, wat hetzelfde zegt als de tweede wet van de thermodynamica. De Eros-drift gaat daar lijnrecht tegen in en is gericht op de constructie van spanningsvolle gehelen. Schrödinger legt daar de basis van het leven op zich.’

Zowel Freud als Schrödinger ziet in het universum twee tegengestelde oerkrachten aan het werk: een die de boel uit elkaar haalt en ontlaadt, en een die verbindt en opbouwt. Dat kun je overigens duidelijk terugzien in seks, zegt Verhaeghe. ‘Eerst is er sprake van een intieme opwindende versmelting, daarna val je – na een ontladende uitbarsting – weer uit elkaar.’