Home Schuld Nietzsche: belofte maakt mens
Schuld

Nietzsche: belofte maakt mens

Door Svend Brinkmann op 22 augustus 2017

Nietzsche: belofte maakt mens
Cover van 09-2017
09-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Iets beloven lijkt makkelijk, maar volgens Nietzsche is dit een fundamenteel existentieel vermogen. Waarom is het belangrijk om niet lichtzinnig met beloftes om te gaan?

Nietzsche is een van de meest verketterde, maar ook minst begrepen filosofen. Hij had een nogal tegendraads karakter en leidde een leven dat in veel opzichten tragisch en veelbewogen was en in het teken stond van ziekte. De tragedie bereikte een dieptepunt toen hij in 1889 in Turijn geestelijk instortte, volgens de overlevering nadat hij getuige was geweest van de mishandeling van een paard. Dat is paradoxaal voor een denker die zich keerde tegen medelijden. In werkelijkheid was de inzinking waarschijnlijk eerder het gevolg van vergevorderde syfilis.

Nietzsche werd gezien als een nihilist, als een denker die alle betekenis en waarde afwijst, terwijl hij het nihilisme in feite zag als een bedreiging die moest worden overwonnen. Hij drukte zich vooral uit in de vorm van aforismen en staat bekend om zijn bondige en onbeschaamde analyses van oude filosofen, die hij dankzij zijn opleiding klassieke filologie door en door kende. Hij was gefascineerd door Griekse kunst en cultuur en Grieks drama, maar ook door natuurwetenschap en het darwinisme.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Moraal

Nietzsches filosofie vormt niet één samenhangend denksysteem; hij filosofeerde zoals hij het zelf schreef ‘met de hamer’. Daarmee bedoelde hij dat hij gevestigde waarheden omver wilde werpen, onder andere door hun oorsprong en gevolgen in de loop der tijd na te gaan (het bekendst is in dit opzicht zijn analyse van de christelijke ‘slavenmoraal’, zoals hij het noemde). Nietzsches onderzoeksmethode was dus ‘genealogisch’: hij keek naar de ontstaansgeschiedenis van ideeën. Nietzsche was echter niet alleen maar genealogisch in zijn denken – dus niet slechts een plaaggeest die onze collectieve overtuigingen wilde ontmaskeren door de historische toevalligheden erachter te laten zien. Delen van zijn werken zijn ook opbouwend te lezen. Dat wil ik in elk geval proberen als ik inga op zijn uitspraak dat de mens het recht heeft om beloften af te leggen. Of dat nu Nietzsches eigen intentie was of niet. De belofte is namelijk een fundamenteel existentieel standpunt; belofte maakt mens. In zijn boek over de oorsprong van de moraal uit 1887 vraagt Nietzsche: ‘Een dier te fokken dat beloften mag doen – is dat niet precies de paradoxale taak die de natuur zich aangaande de mens heeft gesteld? Is dat niet het werkelijke probleem van de mens?’ Voor Nietzsche is het antwoord bevestigend: het gegeven dat de mens beloften kan doen kan dienen om tot een beter begrip te komen over de mens. Volgens Nietzsche is de mens een natuurlijk wezen dat wordt gedreven door dezelfde oerdriften als de antilope of de leeuw. De natuur heeft echter met de mens een dier voortgebracht dat beloften kan afleggen. Voor zover we weten, zijn wij het enige dier dat dit kan. Geen enkel ander dier dan de mens heeft het reflecterende zelfbewustzijn of het besef van de relatie tussen vandaag en morgen die vereist zijn voor het doen van beloften. Als je erover nadenkt, ontdek je dat het feit dat mensen elkaar iets kunnen beloven iets heel fundamenteels voor ons is. Zonder het vermogen om beloften te doen zouden er geen huwelijken of andere langdurige relaties tussen mensen mogelijk zijn die zijn gebaseerd op trouw (misschien zelfs ‘tot de dood ons scheidt’). 

We zouden geen overeenkomsten kunnen sluiten over goederen of eigendom (‘Ik beloof je dat ik het geld morgen betaal’) en het gewone dagelijks leven zou niet kunnen functioneren, omdat dit is gebaseerd op een constante stroom van beloften (‘Ik zal de afwas doen’) – groot en klein, expliciet en impliciet. Geen enkele menselijke gemeenschap of sociale omgang in het algemeen zou kunnen bestaan zonder ons fundamentele vermogen om beloften af te leggen en na te komen.
 

Schuld

De taalfilosoof John Austin (1911-1960) beargumenteerde zelfs dat een uitspraak doen over omstandigheden in de wereld feitelijk gelijkstaat aan het doen van een belofte. Want zelfs als je iets heel onschuldigs zegt, zoals: ‘Het regent’, leg je jezelf de verplichting op dit te menen (totdat je eventueel merkt dat je ongelijk hebt) en ernaar te handelen (bijvoorbeeld door een paraplu mee te nemen als je de deur uitgaat). Met een belofte geef je aan dat je bereid bent ervoor verantwoordelijk te worden gehouden dat hetgeen je belooft zal gebeuren. En als je je uitdrukt over omstandigheden in de wereld, verklaar je evenzo (in elk geval impliciet) bereid te zijn hiervoor verantwoordelijk te worden gehouden. In de uitspraak ‘Het regent’, of welke uitspraak dan ook, ligt dus eigenlijk een klein ‘Dat beloof ik je!’ besloten. In die zin is de belofte essentieel op een fundamenteel menselijk niveau, als concretisering van het menselijke vertrouwen en de menselijke betrouwbaarheid. Onze mogelijkheden om langdurige relaties aan te gaan met anderen, en om überhaupt te communiceren, zijn gebaseerd op de impliciete aanname dat we doen wat we beloven.

Als mensen zijn we natuurlijk feilbaar, en daarom komt het voor dat we ons niet kunnen houden aan onze beloften. In zo’n situatie zouden we schuld moeten ervaren. Schuldgevoel bestaat vanuit psychologisch perspectief om ons te laten weten dat we iets verkeerds hebben gedaan – zoals het verbreken van een belofte. Het is tegenwoordig populair de schuld weg te wensen uit ons bestaan. In zelfhulpboeken bijvoorbeeld worden een slecht geweten, schuld en schaamte voorgesteld als iets waar we vanaf moeten. Ik ontken uiteraard niet dat deze gevoelens problematisch kunnen zijn, want het komt voor dat mensen schuld en schaamte voelen terwijl ze niets verkeerds hebben gedaan. Dit is bijvoorbeeld helaas vaak het geval bij mensen die als kind het slachtoffer zijn geweest van misbruik. In zo’n situatie is het uiteraard van belang om in te zien dat er geen reden is voor deze gevoelens. In veel andere gevallen is het probleem echter juist omgekeerd: dat we géén schuld ervaren terwijl we wél iets verkeerds hebben gedaan. We komen er dan misschien niet eens achter dat we iets verkeerds hebben gedaan, omdat het schuldgevoel dit had kunnen signaleren. Dit gevoel kan een morele radar zijn, en als die ontbreekt, kan het bijzonder moeilijk zijn om überhaupt moreel te handelen. Het is dan ook belangrijk dat kinderen schuld leren ervaren als ze schuldig zijn (maar natuurlijk niet wanneer ze dat niet zijn).

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

 

Emotionele kit

Schuldgevoel kan dus worden beschouwd als een soort emotionele kit die ons morele leven bij elkaar houdt – en is in die zin de tegenhanger van de verbroken belofte in de brede betekenis die ik hierboven introduceerde. Misschien willen we daarom toch niet graag van het schuldgevoel af, hoe pijnlijk het ook kan zijn. De roman Manden der ville være skyldig (‘De man die schuldig wilde zijn’) uit 1973 van de Deense schrijver Henrik Stangerup is in dit verband interessant, omdat die een literaire apologie is van het existentiële belang van schuld. De hoofdpersoon van het boek leeft in een toekomstige samenleving die wordt geregeerd door behandelaars (een soort karikatuur van de welvaartsstaat), als gevolg waarvan iemand wordt gewaardeerd, geaccepteerd en begrepen, ook als hij, zoals de hoofdpersoon, zijn vrouw heeft vermoord. Steeds weer probeert de man schuldig te worden bevonden, maar schuld heeft geen betekenis in een samenleving waarin de mens zijn persoonlijke verantwoordelijkheid is ontnomen die een voorwaarde is voor schuld. Stangerups analyse is nog even actueel in onze tijd, met een samenleving die wordt gekenmerkt door een gepsychologiseerde en getherapeutiseerde opvatting over goed en kwaad en waar vaak eerder positiviteit en waardering worden gepredikt dan schuld en schaamte.
 

Macht

De hedendaagse filosoof Judith Butler heeft Nietzsches ideeën nieuw leven ingeblazen in een poging een visie op de mens te formuleren die uitgaat van belofte en schuldgevoel. Zij meent dat het bepalend is voor ons begrip van een mens (zij spreekt van ‘het subject’) dat deze ‘verantwoording’ kan afleggen voor zijn eigen doen en laten. Mensen kunnen – in elk geval in zoverre zij de taal machtig zijn – doorgaans een verklaring geven voor hun handelingen. Volgens Butler wordt het subject primair geschapen door morele relaties in plaats van andersom (zoals het in onze individualistische cultuur vaak wordt geïnterpreteerd): dat het subject een moraal kiest als het eenmaal is gevormd. Dit is volgens Butler onjuist, omdat er geen eigenlijke subjectiviteit bestaat voorafgaand aan of onafhankelijk van de moraal, net zoals er geen subjectiviteit is voorafgaand aan of onafhankelijk van de macht, zoals ook Foucault beweerde. Macht en moraal zijn in deze optiek onlosmakelijk met elkaar verbonden: er bestaat moraal omdat mensen macht hebben over zichzelf en elkaar (een moreel ‘moeten’ veronderstelt een ‘kunnen’, zoals Kant zei, dat wil zeggen de macht om op een bepaalde manier te handelen) – en omgekeerd.

Dat klinkt op het eerste gezicht misschien wat raadselachtig, maar is eigenlijk heel eenvoudig. We ontstaan als mens wanneer anderen ons vragen – of zelfs dwingen – ons te verantwoorden voor onze daden. We zijn pas in staat ons tot onszelf te verhouden als anderen in ons leven inbreken en eisen dat we onze handelingen verklaren. Als we nooit voor deze eisen worden gesteld, blijven we aan de oppervlakte en kunnen we geen reflectief zelfbewustzijn ontwikkelen. Butler verwijst hier naar Nietzsche, volgens wie het reflectieve subject ontstaat door ‘bloed en afgrijzen’, zoals hij het dramatisch beschreef. Daarmee bedoelde hij dat wij mensen ons gaan verantwoorden voor onze daden op het moment dat een machtige autoriteit (zoals een ouder of leraar) ons daarom vraagt binnen een systeem van recht en straf. Een kind komt in aanraking met de eis zich te verantwoorden als het iets heeft gedaan wat verkeerd of verboden is (bijvoorbeeld zijn beker melk omgooien), waarna een ouder met een boze stem vraagt: ‘Waarom doe je dat nou?’ Het kind weet misschien niet waarom het heeft gedaan wat het deed, maar wordt in een positie gebracht waarin het zijn (verkeerde) gedrag moet verklaren of rechtvaardigen. Het kind wordt hier behandeld als een verantwoordelijk wezen, omdat het dit strikt genomen ook is, maar de magie van de ontwikkelingspsychologie is dat het pas gaandeweg een verantwoordelijk wezen kan worden (met het recht om beloften te doen, zoals Nietzsche zei), omdat het al eerder als zodanig is beschouwd. Hier is de schuld van groot belang, daar het in Butlers woorden ‘de schuld is die de mogelijkheid produceert om een subject te zijn’. Door de aanklacht van schuld wordt het kind in een relatie getrokken waarin het min of meer wordt gedwongen om zichzelf en zijn handelingen in een verloop te plaatsen dat vaststelt of het kind schuldig is of niet. Een verantwoordelijke actor word je natuurlijk niet op basis van één voorval of van de ene op de andere dag. Het is een proces van jaren, waarbij de subjectiviteit gelijk wordt gecultiveerd op een manier die resulteert in de vorming van een zelfreflecterend en zelfverklarend wezen – met andere woorden, een wezen dat het recht heeft beloften af te leggen.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

 

Vluchtiger

We zien dus dat er een interne samenhang is tussen de belofte, de moraal en de schuld en de wording van een volwassen, verantwoordelijk mens: je wordt pas een handelend wezen in de strikte zin van het woord als je wordt gevraagd (of gedwongen) jezelf te verklaren ten opzichte van een gemeenschappelijk stelsel van normen die kunnen worden overtreden (bijvoorbeeld een norm om geen melk over de tafel te gooien). Deze verklaringen omvatten motiveringen waaruit kan blijken dat de persoon niet verantwoordelijk was voor wat er gebeurde (‘Ik deed het niet expres’), wat kan leiden tot een vorm van berouw, of dat hij wel verantwoordelijk was, wat eventueel kan leiden tot een echte verontschuldiging (‘Ik heb het gedaan – het spijt me! – kun je me vergeven?’). Je zou eigenlijk kunnen zeggen dat de handelende, reflectieve mens wordt geboren in relatie tot morele waarden, niet op de laatste plaats in relatie tot het schuldgevoel dat nu juist het gevoel van de moraal is. En hieruit komt ons fundamentele vermogen voort om beloften af te leggen en ervoor verantwoordelijk te worden gehouden. Het vermogen de schuld op je te nemen, of die te ontkennen (maar je er in elk geval toe te verhouden), is het kenmerk van een volwassen, reflectief mens. Het dier dat het zich in Nietzsches woorden kan veroorloven iets te beloven, is een mens die kan zeggen: ‘Het was mijn schuld!’, of: ‘Het was niet mijn schuld!’ In zekere zin is dit het hele fundament voor verantwoordelijkheid, moraal en socialiteit in een menselijke samenleving. Dit fundament dreigt echter te eroderen in de geïnstrumentaliseerde cultuur. In wat de Deense filosoof Anders Fogh Jensen de ‘projectsamenleving’ noemt, hebben we bijvoorbeeld een nieuwe, vluchtigere afsprakencultuur gekregen. We maken steeds vaker afspraken met een slag om de arm; we beloven elkaar iets tot nader order. Het kan immers gebeuren dat er iets beters opduikt nadat je de belofte hebt gedaan. Een betere uitnodiging voor oud en nieuw, een betere baan, een betere partner. Maar als we een slag om de arm houden bij onze beloften en afspraken, zijn ze goed beschouwd geen beloften en afspraken meer. Dan zijn ze, in het beste en tegelijk slechtste geval, geïnstrumentaliseerde beloften, die alleen voordelig zijn voor degene die ze tot nader order doet of maakt.
 

Onvoorwaardelijk

Iemand iets beloven is in principe onvoorwaardelijk. Bij een kerkelijk huwelijk beloof je bij elkaar te blijven ‘tot de dood ons scheidt’. Hoewel de meeste bruidsparen het hoge echtscheidingscijfer kennen en weten dat het in de praktijk niet altijd lukt om samen te blijven, kun je de belofte van trouw niet laten beïnvloeden door deze empirische kennis. 

‘Ik beloof je trouw te blijven… tenzij er zich iets beters aandient en ik van mening verander’ deugt niet als taalhandeling. Iemand iets beloven kan daarom niet worden geïnstrumentaliseerd zonder het existentieel wezenlijke van de belofte teniet te doen. Dat is het waard om pal voor te staan. Het heeft een elementaire waardigheid om te doen wat je belooft, ook in de gevallen dat het je niets anders ‘oplevert’ dan dat je een afspraak nakomt. De belofte is in die zin een existentieel standpunt. Als mensen er niet naar streven pal te staan voor hun beloften, ondermijnt dat de menselijkheid.