Home Reizen Met de reisgids op zoek naar het onbekende
Reizen

Met de reisgids op zoek naar het onbekende

Door Nele Goutier op 22 juni 2016

Met de reisgids op zoek naar het onbekende
07-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Massatoerisme heeft voor veel mensen een nare bijsmaak. Toch biedt ook deze vorm van reizen ruimte voor verwondering – zo niet over de Ander, dan wel over onszelf.

Als iemand dol is op clichés, dan is het de moderne toerist wel – inclusief ikzelf. Ik hoef er maar een willekeurig fotoalbum op na te slaan. Cuba 2012: foto’s van een oude man met verweerd gezicht, strohoed en sigaar, mensen die aan hun oldtimer sleutelen en kinderen die beter kunnen salsadansen dan lopen. De vrouw die bedelt om melk voor haar baby legde ik niet vast. Net zomin als het gros van de mensen op straat, overigens. De inwoners van Havana die niet salsadansen of in de weer zijn met oldtimers, strohoeden en sigaren, vond ik blijkbaar te gewoon. Mijn fotoalbum wijkt weinig af van de gemiddelde reisgids.

Het mag geen verrassing zijn: de blik van de moderne toerist is ultraconservatief, vindt Ruud Welten, docent aan Tilburg University en Hogeschool Saxion, en gespecialiseerd in de betekenis van toerisme. Waar de massatoerist boven alles naar op zoek is, is authenticiteit – of iets wat daarvoor door kan gaan. ‘Kijk maar eens hoe bijvoorbeeld Rotterdam zich ontwikkelt’, schrijft Welten. ‘Een stad als Praag kan dat niet. Toeristen willen dat Praag hetzelfde blijft: een mooi decor van authentieke balkonnetjes en authentieke mensen. De stad weet dat en past zich aan.’‘De moderne toerist is een geglobaliseerde consument’, gaat hij verder, ‘voor wie de wereld klaar wordt gemaakt om door hem bereisd te worden.’ 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De local schikt zich zonder morren in de rol die de toerist hem toebedeelt. Immers, een belangrijke inkomstenbron als de tevreden toerist wil je niet kwijt. Dus wordt de wereld ingericht naar de smaak van de vermogende consument, met een opmerkelijke paradox als gevolg: ‘Hoe meer en hoe verder we reizen, des te moeilijker wordt het om met het Andere geconfronteerd te worden. De Ander in de Andere Cultuur bestaat wel degelijk, maar zijn andersheid wordt door het toerisme gladgestreken of in plooien geschikt.’   

De wereld vertoeristiseert, vindt Welten dan ook. ‘Steeds meer krijgt zij de gedaante van een supermarkt van mooie plekjes. De zelfbewuste, moderne mens streeft ernaar de wereld te reorganiseren en herdefiniëren naar zíjn termen. Hij heeft bereikt wat hij wilde: vrijheid, transparantie, toegang tot alles en iedereen.’

Reizen zou de ultieme manier van zelfontplooiing en ontwikkeling zijn, vonden filosofen en schrijvers als Montaigne, Goethe, Stendhal of Sartre. Maar is dat nog zo? Kunnen we ons nog verwonderen of komen we alleen nog producten van onze eigen verbeelding tegen?

Hippie

Benieuwd hoe clichématig het toerisme daadwerkelijk is, besloot ik ooit om Nederland door de ogen van een toerist te bekijken. Ik was net terug van een treinreis door Europa en had in elke hoofdstad op mijn route een stadstour gedaan. De Amsterdamse variant van de tour leek me een mooie afsluiting. Wat volgde was een aaneenrijging van clichés en stereotyperingen: de Nederlander als tolerante, wiet-rokende – en in veel gevallen ook -kwekende – hippie, die normaliter weliswaar erg relaxed is, maar in een gevaarlijke gek verandert zodra hij op zijn fiets stapt. Grote kans dat hij biseksueel is, bovendien.

Ik kon met moeite de aanhoudende behoefte onderdrukken om het verhaal van de gids – die zelf uit Australië kwam en sinds een jaar in Nederland bivakkeerde – te nuanceren. In zijn verhaal kon ik me niet herkennen, maar in de reacties van het publiek om mij heen, dat zichtbaar genoot, des te meer. Net als zij had ik de weken ervoor gesmuld van stereotyperende verhalen – over Italianen (gekken achter het stuur, geweldige koks – maar waag het niet de spaghetti te breken), Britten (klassegevoelige comazuipers) en Duitsers (idolaat van de aardappel, geen gevoel voor humor, maar o zo pünktlich).

Maar de Ander laat zich niet altijd vangen in clichés. Zoals de keer dat ik een bedoeïenendorp in de Marokkaanse woestijn bezocht: rieten hutten, kleden op de grond, waterpijp en kampvuurplaats. Toen de vermeende bewoners hun ruime gewaden en hoofdbedekking aan het eind van de dag verruilden voor een spijkerbroek, en hun kameel voor een motor – hun vervoer naar hun werkelijke woonplaats: Marrakech –, maakte het toeristisch theater plaats voor een andere werkelijkheid. We komen op reis onvermijdelijk in aanraking met mensen die niet aan onze clichématige verwachtingen voldoen: de Anderen.
 

Cultuurshock

De ontmoeting met de Ander is een gebeurtenis die niet zelden ongemakkelijke gevoelens oproept – ten opzichte van die Ander (de welbekende cultuurshock), maar net zo goed ten opzichte van onszelf. Dat komt doordat onze identiteit grotendeels gevormd wordt door de Ander. Nederlander-zijn zou niks betekenen als er geen niet-Nederlanders zouden zijn. Zonder Anderen om mij heen zou mijzelf-zijn evenmin betekenis hebben. ‘Omdat je eigen ervaring beperkt is, kun je jezelf in je eentje nooit goed leren kennen’, schrijft de Franse filosoof Ricoeur. ‘We leren onszelf kennen via de verhalen van en de vergelijking met anderen.’ 
In ons contact met de Ander definiëren we onszelf. We zijn fundamenteel verbonden aan de Ander.

Thuis hebben we onze weg daarin gevonden. We omringen ons veelal met gelijkgestemden, zoeken mensen aan wie we ons kunnen spiegelen en creëren zo een min of meer stabiele identiteit. Op die manier is er weinig aanleiding om vanzelfsprekendheden te bevragen. Maar de ontmoeting met het onbekende roept vragen op – over de Ander en daarmee over onszelf. Het legt bloot hoe weinig we van onszelf begrijpen  en hoe weinig grip we hebben op onze eigenheid, schrijft filosoof Rudi Visker, hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven.

Ik denk aan mijn laatste reis naar Chili, waar ik met een Nederlandse vriendin en twee Chileense vrienden rondreisde. ‘Wat zijn we stiekem toch Nederlands, hè?’ fluisterden mijn Nederlandse reisgenoot en ik regelmatig naar elkaar – verbaasd en toch ook wat beschaamd. We dachten nog wel zo open-minded en flexibel te zijn. Toch lukt het me niet om te beschrijven wat er eigenlijk zo Nederlands aan ons was. Dat is precies waarop Visker doelt. ‘Iedereen is geworteld – in een cultuur, in gewoontes, ervaringen, geschiedenis’, schrijft hij, ‘maar dat betekent niet dat we met die verworteling samenvallen, er de betekenis van kennen. We kunnen graven naar onze wortels, maar we komen er nooit echt bij. Eigenheid is niet zozeer iets wat we hebben, maar eerder iets wat ons heeft en ons daarom beklemt, bevreemdt. We zitten eraan vast, maar we hebben er geen toegang toe. Toch kleeft het aan ons en kan het plots een rol spelen.’ Zo kan de ontmoeting met de Ander het eigene zijn vanzelfsprekendheid ontnemen en ons confronteren met het vreemde in onszelf. 
 
Zo bezien wekt de voorliefde van de toerist voor clichés weinig verbazing. Het massatoerisme tracht de ontmoeting met de Ander te arrangeren, zodat de Ander weliswaar anders is dan wij, maar niet afwijkt van onze verwachtingen. Zolang de Ander zich opstelt en gedraagt zoals verwacht, hoeven we ons beeld van hem of haar en daarmee van onszelf, niet te bevragen of te herzien. ‘Toerisme is een soort luchtbel – een ruimtecapsule die een bekende, comfortabele, veilige binnenkant biedt van waaruit toeristen een vreemde wereld kunnen bekijken op veilige afstand van de realiteit’, schrijft antropoloog Lou de Jong dan ook.    
     

Allemachtig prachtig!

Toch is er ook een mogelijkheid om buiten die capsule te treden – en soms gebeurt dat ongepland, zoals bij het voorval met de bedoeïenen in Marokko. Terwijl onze interactie overdag bleef hangen in clichés (‘Beautiful eyes. Where you from, madam? Amsterdam? Allemachtig prachtig! I have a cousin in Rotterdam!’), bleek een gesprek mogelijk zodra de toeristische opsmuk aan het eind van de dag verdween. Niet van toerist tot host, maar van mens tot mens. Dit soort ontmoetingen leert me niet alleen iets over de wereld van de Ander, maar doet me tegelijkertijd beseffen hoe willekeurig veel van onze impliciete afspraken over smaak, esthetiek en etiquette zijn, en – wat ik onthutsender vind – dat ik er toch geen afstand van kan doen.

Maar we hoeven niet altijd uit de toeristische capsule te breken voor we ons kunnen verwonderen. Dat kan zelfs erbinnen, als we stilstaan bij de verwachtingen die we projecteren op de Ander en het Andere. Wat zeggen die over ons wereld-, mens- en zelfbeeld, en waarom houden we eraan vast? Ik neem me voor om tijdens mijn volgende reis naar Cuba de oldtimers, salsadansers en sigaren te vermijden, en plek te geven aan de ‘gewone’ Cubaan. Eens zien hoe dat is.