Home Filosofie en literatuur ‘Liegen, neuken en sterven’: de mens volgens Céline
De dood Filosofie en literatuur Mens en natuur

‘Liegen, neuken en sterven’: de mens volgens Céline

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline vindt de resten van de mens in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

Door Bert Keizer op 19 maart 2013

Reis naar het einde van de nacht Louis-Ferdinand Céline Jacques Tardi illustratie beeld Jacques Tardi

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline vindt de resten van de mens in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

01-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

In het laatste stuk van de Reis naar het einde van de Nacht constateert Céline dat er niks is tussen de penis en wiskunde. Hij plaatst deze twee zo ver mogelijk uiteen omdat hij die tussenruimte nodig heeft als gebied waarin hij ons als kankerende ellendelingen kan laten rondploeteren, niks half-engel half-duivel, maar gewone kolerelijers die behoorlijk in de war zijn over hun ontologie.

Het is een onaf zootje hier op aarde. Niets is ooit goed of deugt echt helemaal, en één van de meest beroerd verlopende processen is de menswording uit de aap. Kinderen vallen mee, want je weet nog niet wat voor rotzakken het gaan worden, maar van de meeste volwassenen is het duidelijk: mislukte dieren, ze lijken er wel op maar altijd in ongunstige zin.

Ongeveer ten tijde van Céline’s schrijven zei Churchill over mens en dier: ‘Honden kijken naar ons op, katten kijken op ons neer, maar zwijnen voelen zich helemaal bij ons thuis,’ waarna de goedgemutste staatsman breed glimlachend aan zijn Havana zoog en een glas champagne hief. Deze Brabants aandoende bonhomie met het ons omringende ontbreekt ten enenmale bij Céline. Een dergelijke vriendelijkheid is alleen haalbaar voor vette dieren die van de afzichtelijke prut die ons omringt worden afgeschermd door een dikke laag Geld. Een armoedzaaier peilt die afstand op een heel wat grimmigere wijze.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Ik kende de Duitsers wel een beetje, ik had zelfs samen met ze op school gezeten … in de buurt van Hannover. … Ik vond het toen een stelletje kleine lawaaierige imbecielen, met de lichte ontwijkende ogen van wolven.’

Zo´n halfgelukte menswording, daar komt een type dier uit dat veel verontrustender is dan de arme krabbelaars die tot onze langzame opstanding het rijk alleen hadden op aarde, zich van geen dood bewust en te stom om elkaar goed uit te buiten, te treiteren, grootschalig uit te moorden, of binnen de bescheidener dimensies van een relatie het leven zo zuur en bitter mogelijk te maken.

Tekst loopt door onder afbeelding

Reis naar het einde van de nacht Louis-Ferdinand Céline Jacques Tardi illustratie

Loopgraven

De Reis begint op een onomstreden dieptepunt in de menselijke geschiedenis tot 1916: de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog. Een soldaat zal temidden van het waanzinnige schouwspel van een hele beschaving die haar jongens eigenhandig in de gehaktmolen van de oorlog prakt, wanhopig om zich heen blikken op zoek naar een nuchtere geest die dit alles ziet als wat het werkelijk is. Maar hij heeft lang blikken: ‘Verloren tussen twee miljoen heldhaftige idioten die buiten zich zelf waren en gewapend tot de tanden? Met helmen, zonder helmen, zonder paarden, op motoren gierend, in auto’s, fluitend, schietend, samenzwerend, vliegend, knielend, gravend, ´m smerend, zwenkend op weggetjes, knallend, gekluisterd aan deze aarde als in een cel, om er alles te vernietigen, Duitsland, Frankrijk, werelddelen, om alles wat leeft te vernietigen, nog doller dan honden, omdat ze hun eigen dolheid vereren (wat honden niet doen), honderdmaal, duizend maal doller dan duizend honden en zoveel valser!’ Menswording? Aapblijving?

Wie zich een oordeel wil vormen over Céline stuit na een niet al te gekmakende jeugd onmiddellijk op de Eerste Wereldoorlog, die fontein van modder, bloed, ijzer, medailles, doden, vlaggen en slijm en alles wat daar bij hoort aan gelul en gebed en excuus en verdriet en klokkengebeier, waar hij als twintigjarige in terechtkwam.

Er zijn misschien wel mensen die na hun frontervaringen in ’14-’18 in staat bleken een redelijk harmonieus leven op te bouwen waarin zij draaglijke doses geluk, wanhoop, heimwee, mazzel en doodsangst wisten te vergaren of van zich af te houden, en die langs deze route zonder al te veel mokken op het kerkhof belandden, maar niet Céline.

Kankerend, vloekend, razend en tierend is hij zijn weg gegaan waarbij hij met zijn vuisten op zoek lijkt naar iets dat zich niet op die manier laat omvatten. Waar zou een sufgebeukt mens het idee vandaan halen dat er subtiliteiten bestaan die je niet met je vuisten kunt oppakken? Het zijn nietsziende sufferds die de waarheid nog niet zouden onderscheiden al kregen ze hem als een schot hagel recht in hun gezicht: ‘Het geschut was alleen maar lawaai voor ze. Daarom kunnen oorlogen zo lang duren. Zelfs zij die meevechten beseffen, terwijl ze meevechten, niet wat oorlog is. Met een kogel in hun buik zouden ze nog oude sandalen van de straat hebben opgeraapt, omdat die “nog wel eens van pas konden komen”. Net als een schaap dat stervend op haar zij in de wei ligt en nog graast.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Larven en termieten

Dit is Schwejk voor gevorderde cynici. Hij vergelijkt mensen met schapen, paarden, honden, wolven, kermisberen, larven, termieten, padden, mollen, katten, mieren, adders, schorpioenen, muggen, krabben, wormen, ratten, inktvissen en varkens. Céline zal een mens nooit als een vlinder of als een leeuwerik beschrijven of als een kangoeroe of een dolfijn, er wordt niet gedarteld in zijn beelden, nee het gaat hem om wroeters, stekers, bijters, krabbers, sluipers, knagers, gluiperds, jagers, kruipers, vreters en stiekemerds die op allerlei nare manieren de reis voor hun lotgenoten verzieken. Het beschrijven van mensen als dieren heeft bij Céline altijd een neerwaartse kromming: kijk die etters eens bezig, en dat terwijl ze beter konden weten. Wat in een dier vergeeflijk is wordt in een mens tot iets angstaanjagends. Die ‘lichte ontwijkende ogen van wolven’ zijn al beangstigend genoeg in wolven, maar als een mens je zo aankijkt dan is er daarbinnen iets doorgebroken dat zich op afschuwelijke wijze een weg naar buiten zal banen.

Zoiets vind je niet in dieren, dat volledige doorslaan van het hondse. Dieren zijn gezegend met een veel geringere diepte. Ze zijn te klein vanbinnen. Daar zal nooit een fatale echo ontstaan.

In de oorlog werd de paarden niets bespaard in zeker opzicht, maar vanuit een heel ander gezichtspunt waren deze dieren ontoegankelijk voor de hen omringende ellende. Hij beschrijft hoe deze dieren midden in de vuiligheid schoon bleven: ‘Maar we liepen zelden een Duitser tegen het lijf, alleen bij toeval hier of daar, soms was het een huzaar, soms een groep infanteristen in het geel en het groen, mooie kleuren. We deden net of we op zoek naar ze waren, maar we gingen gauw een eindje verder zodra we ze in de gaten kregen. Bij elk treffen vielen er twee of drie ruiters, de ene keer bij hen, de andere keer bij ons. En bevrijd van hun last reden van verre hun paarden met losse, blinkende, beugels in galop naar ons toe; hun zadels hadden vreemde bogen en hun leren tuig was net zo glanzend als de portefeuilles die je met nieuwjaar krijgt. Ze gingen naar onze paarden toe. Onmiddellijk bevriend. Ze boften! Dat hadden wij ´m niet moeten lappen.’

Voor mensen is het leven een kwestie van liegen, neuken en sterven. Wat dat betreft valt de oorlog mee voor paarden, want ze hoeven niet net te doen alsof ze er in geloven. Niet dood willen is een gevoel dat wij met dieren delen, hoewel, als je het zo zegt klinkt het onwaarschijnlijk, want zij kennen de dood niet. Door willen gaan met leven, dat klinkt beter. De krankzinnige wil om door te leven, krankzinnig want kijk eens om je heen, is iets waarin wij volledig dier zijn, want wij kijken niet echt om ons heen.

Ook dit vergeeflijke diersentiment verwordt in ons tot een verlangen zo uitzinnig, dat het grappig wordt, want wat hoopt een door doodsangst tot uitputten toe opgejaagd mensendier? Hij vertelt het zijn vriendin:

‘Ben je dan zo bang?’
‘Onvoorstelbaar Lola, zo bang weet je, dat ik vooral niet wil dat ze me verbranden als ik later normaal mijn eigen dood sterf! Ik wil dat ze me gewoon onder de grond stoppen en rustig laten verrotten op het kerkhof, klaar om misschien weer te gaan leven … je weet nooit! Terwijl, als ze me tot as verbranden, snap je, Lola, dan is het uit, voorgoed uit. … Je kunt zeggen wat je wilt, maar een geraamte lijkt altijd nog een beetje op een mens …´t Kan gemakkelijker weer tot leven komen dan as … Met as is ´t voorgoed uit! … Wat vind jij ervan?’

Wij zijn gevallen van uitgestelde verrotting, het is maar tijdelijk, alleen is die tijdelijkheid bij Céline nooit troostend, altijd trappend en als we eens iets eeuwigs in handen krijgen dan weten we er pas weg mee als we het omlaag trekken de tijd in: ‘… liefde is een stuk oneindigheid dat op poedeltjesniveau gebracht is.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Reis naar het einde van de nacht Louis-Ferdinand Céline Jacques Tardi illustratie

Subliem gekanker

Waarom leest een mens Céline? Omdat hij je heimelijke vermoedens over de menselijke natuur van de daken schreeuwt. Omdat dit subliem gekanker is waar tot je opluchting niets eeuwigs boven hangt, behalve zijn sardonische lach, want Céline is erg grappig. Naar aanleiding van een vrouw die zich echt heeft opgehangen van verdriet zegt hij: ‘Ophangen van verdriet? Wat een gelul … ik hang me toch ook niet op van verdriet … dan kejje wel aan het ophangen blijven, toch?’

Overigens heb ik me vergist in de afwezigheid van vlinders. Heel even fladdert er eentje op tijdens zijn verblijf in het gehate Afrika: ‘Zo gaan de mensen heen, al doende wat er van ze verwacht wordt: een vlinder te zijn in hun jeugd en een worm op het eind.’ Een gefnuikte fladderaar. In Afrika is er ook bij een andere gelegenheid sprake van vleugels, maar geen zorgen, ook hier wordt niets verheven. De verteller heeft het over zijn armetierige hut in de jungle: ‘Een paar behulpzame negers haalden wel bundels lianen voor me uit het oerwoud om mijn hut vast te sjorren, maar het hielp niets, het gebladerte waar mijn wanden uit bestonden begon bij de minste windvlaag waanzinnig boven het dak uit te klapperen als gewonde vleugels.’

Reis naar het einde van de nacht, Louis-Ferdinand Céline - Gebonden - 9789025309145

Reis naar het einde van de nacht
Louis-Ferdinand Céline
vert. E.Y. Kummer
Athenaeum
€ 46,99