Home Waarom een goed betoog altijd een morele dimensie heeft

Waarom een goed betoog altijd een morele dimensie heeft

De brieven en redevoeringen van Isocrates zijn voor het eerst in zo’n ruime selectie in het Nederlands beschikbaar. De Oude Griek vertelt niet alleen hoe je een overtuigend betoog houdt, maar ook over de macht van het woord in een democratie.

Door Ivana Ivkovic op 25 februari 2022

Waarom een goed betoog altijd een morele dimensie heeft
Cover van 03-2022
03-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Een spreker tracht bij de aanvang van zijn betoog de toehoorders gunstig te stemmen,’ aldus de Oud-Griekse redenaar Isocrates. Omdat hij zijn publiek niet wilde paaien, maar overtuigen, draaide hij dit uitgangspunt vervolgens om: ‘Als u bij het einde van mijn betoog vindt dat ik geen recht heb gedaan aan mijn onderwerp, (…) dan is het uw recht, nee uw plicht om mij met schande te overladen en de stad uit te jagen.’

Dit citaat is tekenend voor de redenaarskunst van Isocrates. Hij was wars van louter effectbejag; in zijn betogen streefde hij ernaar om daadwerkelijk inzicht te geven in het behandelde onderwerp. Tegelijkertijd zette hij zijn woorden kracht bij met retorische middelen. In zijn redevoeringen vertelt hij hoe een burger het woord behoort te richten tot andere burgers, hoe je moet spreken ten overstaan van de gemeenschap. Deze kunst van het spreken kan volgens hem niet los worden gezien van een democratische levenshouding. In Monument van mijn denken zijn de brieven en redevoeringen van Isocrates voor het eerst in zo’n ruime selectie beschikbaar in het Nederlands, vertaald en uitgebreid ingeleid door Jeroen Bons. Bons weet de lezer de historische context van de Attische wereld waarin Isocrates leefde bij te brengen. De uitgave geeft een rijk beeld van Isocrates’ denken over politiek, moraal en opvoeding. Verrassend genoeg had deze ‘leermeester van alle redenaars’, zoals de Romein Cicero hem noemde, een nerveuze gesteldheid en een zwakke stem, wat hem schuw maakte voor spreken in het openbaar. Isocrates ontpopte zich daardoor vooral als een groot onderwijzer.

Hij was immens patriottistisch en zag een leidende rol weggelegd voor zijn Athene in de strijd van de Grieken tegen hun aarts­vijand Perzië – wat in zijn ogen een strijd was van beschaving tegen de barbarij, van vrije burgers tegen een tirannieke macht. In 380 v.Chr. pleit Isocrates er in zijn Panegyricus voor om de strijd tegen het Perzische Rijk weer op te pakken teneinde de ondergang van de Helleense cultuur af te wenden. Isocrates heeft dit pleidooi voor panhellenisme in de vorm van een feestrede gegoten – een betoog dat traditioneel werd gehouden bij Olympische Spelen en volksfeesten. Of hij zijn Panegyricus ook daad­werkelijk heeft voorgedragen is onzeker.

Welbespraakt

In de tijd dat Isocrates leefde (436-338 v.Chr.) speelde de spanning tussen de sofisten
– die pure retorica onderwezen – en de filosofie van de leerlingen van Socrates, met name die van Plato, een belangrijke rol. Ook Isocrates stichtte een school. Zijn studenten kwamen regelmatig samen in het Lyceumpark om te discussiëren over een tekst en de manier waarop die geschreven is.

Isocrates onderwees philosophia: goed denken en spreken, waarbij een brede culturele vorming en intellectuele en morele ontwikkeling centraal staan. Hier werden jonge telgen van belangrijke Atheense
families klaargestoomd om een betekenisvolle rol in het gemeenschappelijke poli­tieke leven te kunnen vervullen. Met name in het democratische Athene moesten burgers een weloverwogen oordeel kunnen vellen en hun standpunten op anderen over weten te brengen. Welbespraaktheid was daarbij essentieel.

Een goed betoog heeft volgens Isocrates altijd een morele dimensie

Ook de sofisten claimden deze kunst te onderwijzen, maar in de ogen van Isocrates schoten ze daarin schromelijk tekort. De sofisten proberen enkel met grootspraak indruk te maken, stelt Isocrates in zijn Tegen de sofisten. Het gaat hun in zijn ogen niet om de waarheid, maar om hoe je met valse argumenten een debat kunt winnen. Het is verwerpelijk om de toekomstige politici deze kunst bij te brengen, vond Isocrates. Bovendien, zo stelde hij, hebben de sofisten het vakmanschap om een betoog goed op te bouwen uitgekleed tot een technische vaardigheid. Dat vond hij een slecht idee, want: ‘Het ware vakmanschap verraadt zich niet door je behendigheid schaamteloos uit te venten, maar juist door een evenwichtige beheersing van vorm en inhoud.’ Isocrates verdedigde zijn methode als een scheppende kunst om ideeën van een passende vorm te voorzien, in plaats van die slechts te verkopen. Wie een goed betoog wil schrijven moet de juiste keuzes weten te maken, wat onmiskenbaar ook een morele dimensie heeft: recht doen zowel aan het onderwerp als aan het publiek.

Wikken en wegen

Deze aanklacht tegen sofisterij deelt Isocrates met Socrates en Plato. Maar wat zijn philosophia bijzonder maakt – en Isocrates een spannende denker om te lezen – is dat hij ook Plato’s positie bekritiseert.

Want wat moet er tegenover de sofisterij gesteld worden? Plato keert zich tegen een strijd der opinies. Zijn zoektocht naar de absolute waarheid, zo schrijft Plato in zijn Politeia, is ‘de enige remedie tegen machtswellust’. Maar zijn afwijzing van opinie ten gunste van zekere kennis gaat hand in hand met een afwijzing van de democratie, vanwege de instabiliteit die daarmee gepaard gaat. Isocrates’ methode probeert juist een richtsnoer voor ons handelen te geven op basis van kennis die altijd onvolledig en onzeker is: wij mensen hebben slechts vermoedens over wat waarschijnlijk het geval is. Maar daarmee zijn we niet aan een volledige duisternis of aan relativisme overgeleverd, vindt Isocrates. In zijn Apologie van Isocrates zet hij deze methode uiteen. Het proces van beraadslaging en oordeelsvorming is geen giswerk, stelt hij, maar berust op inzicht en wijsheid die ontwikkeld zijn door ervaring en een goede opleiding. Twijfelen, wikken en wegen horen daarbij – dat maakt het juist mogelijk om een verstandige beslissing te nemen. En verstandigheid is de deugd die Isocrates met zijn philosophia altijd nastreeft.

In deze gedachte komen alle elementen van Isocrates’ denken samen: zijn ethiek, zijn pedagogiek, zijn politiek. Hij vindt het noodzakelijk om kennis te ontwikkelen die uiteindelijk praktisch toepasbaar is. Zijn onderwijs beoogt goede burgers te vormen, die in staat zijn om verstandige beslissingen te nemen, en daarmee het leven van een democratische gemeenschap in goede banen weten te leiden. Dit ideaal heeft een duidelijk stichtelijke kant, en naar moderne maat­staven wordt Isocrates bij vlagen ook té stichtelijk.

Toch is er geen moralist aan het woord, want Isocrates kiest ook onderwerpen die controversieel zijn. Zo schrijft hij zijn eigen variant op de lofrede op een tiran – een apart genre dat de sofisten beoefenden om hun taalvaardigheid te etaleren, om te laten zien dat ze zelfs een verwerpelijke heerser konden ophemelen.

In plaats van een lofrede schrijft Isocrates een brief aan Polycrates, de sofist die zelf twee van zulke lofredes heeft gepubliceerd. Op een bijna broederlijke toon leest hij Polycrates de les over wat er aan die lof­redes mankeert en wat de valide argumenten zouden zijn. Hierdoor krijgen Isocrates’ argumenten een heel andere dimensie: hij appelleert aan het gemeenschappelijk verstand en zoekt naar consensus. Het is een les in de retorica, maar ook een les over welke plaats de macht van het woord heeft in een democratie.

Monument van mijn denken. Brieven & redevoeringen
Isocrates | vert. Jeroen Bons | Historische Uitgeverij | 396 blz. | € 35,-

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.