Home Taal Laurent Binet: ‘Wie spreekt er eigenlijk als ik spreek?’
Taal

Laurent Binet: ‘Wie spreekt er eigenlijk als ik spreek?’

Door Annette van der Elst op 21 juni 2016

Laurent Binet: ‘Wie spreekt er eigenlijk als ik spreek?’
07-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Laurent Binet schreef een hilarische roman over de typisch Franse filosofen, hun hedonisme, en hun onhebbelijkheden. ‘Mijn boek is een hommage aan de periode waarin het Franse denken op z’n top was.’

De Franse schrijver Laurent Binet, gevierd auteur van onder meer De zevende functie van taal, drinkt relaxed een biertje in een café in het Amsterdamse Vondelpark. Hij moest enige stress doorstaan om er te komen: stakingen en overstromingen teisteren Frankrijk, de trein haalde hij op het nippertje na een wilde rit in een taxi door een chaotisch Parijs. Hij heeft tijdens de reis nog even kunnen werken aan zijn dagelijkse bijdrage over Roland Garros voor sportkrant l’Equipe. ‘Sinds ik in mijn roman uitgebreid de historische match tussen Borg en Lendl heb beschreven, geld ik als kenner. Borg won, maar ik laat Lendl winnen’, licht Binet toe, zelf overigens geen onverdienstelijk tennisser.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Hij is in Amsterdam, voor het forum ‘Re:creating Europe’ over de waarde van kunst en cultuur voor Europa. Filosoof, taalkundige en psychoanalyticus Julia Kristeva zou ook komen, maar zei af. ‘Het zou goed kunnen dat zij niet komt omdat ik er ben’, zegt Binet desgevraagd. ‘Als ik ergens ben, weigeren zij en haar man Philippe Sollers te komen. Hij vooral is woedend om hoe ik hem afschilder in mijn laatste roman.’ Binet zegt het laconiek, en lijkt over de rel rondom zijn boek – dat in Frankrijk al eind 2015 uitkwam — zijn schouders op te halen. ‘Een beetje kinderachtig. Maar niet iedereen reageert zo gepikeerd’, voegt hij toe. ‘Schrijfster Hélène Cixous, die er ook in voor komt en bovendien in pikante scènes, heeft me een leuke brief geschreven waarin ze me complimenteert met mijn boek.’

Moord

In De zevende functie van taal onderzoekt Jacques Bayard, commissaris van politie in Parijs, de moord op Roland Barthes, die is verbonden aan het Collège de France. De semioticus en filosoof blijkt een geheim document bij zich te dragen waarin de zevende functie van de taal beschreven staat. Binet: ‘Deze zevende functie is een vorm van retorica om wie dan ook te kunnen overtuigen, om hem wat dan ook te laten doen. Heel interessant voor de politici Giscard en Mitterand, die in 1981 net in een strijd om het presidentschap verwikkeld zijn. Wie weet zijn hand te leggen op het document? Wie wint de verkiezingen? Wie krijgt de macht? Er staat nogal wat op het spel. Iedereen wil het document in handen krijgen.’

Bayard gaat als een soort Sherlock Holmes op onderzoek uit: wie heeft het belangrijkste motief voor de moord op Barthes? De detective weet niets van filosofie of semiologie, de leer van tekens — hoewel het werk van een politieman, die immers de moord moet ‘lezen’, in hoge mate overeenkomsten vertoont met dit laatste vakgebied. Hij verafschuwt al die intellectuelen met hun losbandige levensstijl, maar al snel begrijpt hij dat hij zich de codes van de Franse en internationale intelligentsia eigen moet maken om de moord te kunnen oplossen. Met de hulp en de lessen van Simon Herzog, een jonge academicus en leerling van Roland Barthes, duikt hij in een wereld die wordt bevolkt door de crème de la crème van de Franse denkers in de jaren tachtig en een aantal Amerikaanse theoretici die door hen beïnvloed zijn.
 
Laurent Binet (44), schrijver van onder meer HHhH, neemt zo de lezer mee in deze wereld met figuren als Michel Foucault, Jacques Derrida, John Searle, Noam Chomsky, Judith Butler, Bernard-Henri Lévy (BHL), Gilles Deleuze, Julia Kristeva, Jacques Lacan, Louis Althusser, Philippe Sollers, Umberto Eco, Tzvetan Todorov, schrijfster Hélène Cixous, en ook de Russische linguïst Roman Jakobson, de actrice Monica Vitti, tennisser Björn Borg, Francois Mitterand, president Giscard en nog vele anderen. Het boek bevat een groot aantal vertellijnen. Het boek behandelt de raadsels rond meerdere moorden, het gaat over tennis en natuurlijk over filosofie en linguïstiek: onder meer over de theorie van Roman Jakobson, grondlegger van het structuralisme, en de semiotiek van Roland Barthes, over de interpretatie van tekens en symbolen, die zowel deel is van het motief van de moord als een middel voor de politieman bij zijn onderzoek daarnaar.
 

Zoekplaatje

De thriller is als zo’n zoekprent voor kinderen waarop alle mogelijke stripfiguren afgebeeld staan. Bijna alle relevante intellectuelen uit die periode komen erin voor en Binet noemt ze bij hun echte naam in De zevende functie van taal. ‘Het is geen sleutelroman’, licht hij toe. ‘Ik haat sleutelromans! Alleen de happy few kunnen herkennen wie wie is. Dat vind ik hypocriet. Bovendien is het grappiger om ze bij hun echte namen te noemen, en ze te laten praten in hun eigen woorden, vaak hele fragmenten uit hun boeken.’

Binet gooit daarmee waarheid en fictie door elkaar. Om te beginnen de dood van Roland Barthes, in 1980, waar het boek mee begint: in werkelijkheid was het een ongeluk, Binet maakt er een moord van. ‘In HhhH, (Himmlers hersenen heten Heydrich) wilde ik zo dicht mogelijk bij de geschiedenis blijven en een reconstructie maken van ‘operation antropïde’, de aanslag in 1942 van de geallieerden op Reinhard Heydrich, de slager van Praag. Maar in dit boek had ik zin om te spelen met de realiteit, die te veranderen.’

Het resultaat is hilarisch. Psychoanalyticus Jacques Lacan maakt niets anders dan vreemde vogelgeluiden. Binet: ‘Ik ken zijn werk niet heel goed. Maar in die periode, begin jaren tachtig, was hij aan het einde van zijn latijn.’ (Lacan had darmkanker, kreeg in 1980 een beroerte en stierf in 1981); Chomsky lurkt aan een joint en staat te tongen met de Amerikaanse feministe Camille Paglia; Philippe Sollers verkoopt voornamelijk flauwekul; zijn vrouw Julia Kristeva is een slimme maar ook kille vrouw. In hun beider kielzog is steevast de toen nog jonge BHL te vinden, die voortdurend wil ingrijpen — ook toen al — in onaangename dictaturen (Afghanistan, Panama, Zaïre). Binet: ‘Ik ben geen groot fan van het oeuvre van Sollers, maar ik heb verder niets persoonlijks tegen hem. Ik vind hem potentieel komisch, een clown, maar hij heeft werkelijk weinig interessants te zeggen. BHL was de kers op de kaart. Hij is geen groot denker.’
 

Intelligenter

‘Ik heb zeker niet de spot willen drijven met al die personages’, verklaart Binet. ‘Ik koester ook geen dedain voor de intellectuelen uit de jaren tachtig. Integendeel. Maar ik wilde ze wel desacraliseren, en tegelijkertijd eren, vooral ook Roland Barthes bewonder ik. Hij heeft me geleerd een tekst te analyseren. Hij heeft me intelligenter gemaakt. Ik kan dankzij hem de wereld beter begrijpen. Hij wordt weleens te technisch genoemd, pedant, of mensen kritiseren zijn taalgebruik. Daar ben ik het totaal niet mee eens. Mijn boek is daarom in zekere zin ook een hommage aan de periode waarin het Franse denken op z’n top was.’

Binet zegt gefascineerd te zijn door de hele periode van de ‘French Theory’, zoals de Amerikanen het Franse gedachtegoed noemen dat geïnspireerd is door het werk van Nietzsche, Freud en de linguïstische theorieën van Jakobson en De Saussure. Hij heeft jaren gewijd aan het bestuderen van die denkers, voor hij zijn boek kon schrijven. ‘Barthes, Jakobson en de taaltheorieën van de verschillende personages kende ik al zeer goed. Maar de meer filosofische werken niet. Daar ben ik zes jaar lang alleen maar mee bezig geweest. Mijn werkkamer stond vol met boeken van Deleuze, Foucault, Derrida … ja, ik heb hard gewerkt. Helaas heb ik niet iedereen voldoende kunnen bestuderen, zoals Jean-Francois Lyotard, een interessante denker die ik er eigenlijk ook in had willen brengen.’
 

Droom

Vertrekpunt van de roman is, naast het werk en leven van Roland Barthes, de theorie van de Russische linguïst Roman Jakobson, die zes functies van de taal onderscheidde. Binet voegt daar in zijn boek dus een zevende functie aan toe: de totale macht om via de taal willekeurig wie, willekeurig wat op elk gewenst moment te laten doen wat jij wilt. Binet: ’Iemand die deze functie kent en beheerst, kan meester over de hele wereld zijn. Zijn macht is onbegrensd. Iets waar iedere politicus van droomt.’

De auteur laat in het boek Umberto Eco – die de rol heeft van het Koor in Griekse tragedies – aan de onwetende Bayard vertellen wat die zevende functie oplevert. ‘Hij zou zich bij alle verkiezingen kunnen laten verkiezen, menigtes op de been kunnen brengen, revoluties kunnen ontketenen, alle vrouwen kunnen verleiden, alle soorten denkbare producten verkopen, rijken kunnen bouwen, de hele wereld kunnen flessen, alles kunnen krijgen.’

Het idee over een zevende functie ontstond toen Binet zich verdiepte in het debat tussen Derrida en Searle over de performatieve functie van de taal, over taal als handeling, legt hij verder uit. Beide taalfilosofen bouwen voort op de invloedrijke taaltheorie over ’taaldaden’ (speech acts) van John Austin, die stelde dat een geschreven of gesproken tekst niet alleen moet worden beoordeeld op wat die tekst betekent, maar ook op wat de tekst aanricht: praten is niet alleen een bewering, maar veroorzaakt ook een handeling. Binet: ‘Als ik tegen jou zeg dat het hier tocht, dan begrijp je waarschijnlijk wel dat ik van je verwacht dat je het raam dichtdoet. De spreker beoogt daarmee dat de ander handelt.’

De discussie tussen Derrida en Searle draait om die intenties, Searle is optimistisch: voor de spreker is duidelijk wat hij wil, wat z’n intenties zijn. Maar Derrida meent dat de spreker geen meester is over zijn woord. ‘Als ik schrijf, weet ik dan wel werkelijk wat ik wil schrijven? Wordt de tekst niet onthuld tijdens het schrijfproces? Wordt de tekst ooit echt onthuld? En zelfs als ik weet wat ik wil zeggen, ontvangt de ander het dan precies zoals ik het denk, aangenomen dat ik het heb gedacht? Is de spreker wel een eenheid, heeft hij wel een identiteit? Is hij verantwoordelijk voor de speech acts die zijn onbewuste hem ingeeft?’

Binet vermaakt zich over de manier waarop de twee taalfilosofen elkaar bejegenen (‘Om Searle moest ik lachen, om Derrida nog meer. Die is nog grappiger.’) en citeert uitgebreid uit zowel het werk van Derrida, waaronder bovenstaand fragment, als uit dat van Searle om het debat weer te geven. ‘Dit debat is de kern van mijn boek, waar alles om draait. Ik ben uitgebreid in die ruzie gedoken, die in werkelijkheid ook hoog opliep. Beide posities neem ik serieus, hoewel ik iets meer naar Derrida neig omdat hij ook het onbewuste – van de spreker, van de luisteraar – in zijn analyse betrekt. Ook zegt hij dat de taal ons per definitie verplicht te putten uit een schat van al bestaande woorden, verder worden we bepaald door veel factoren van buiten, zoals de boeken die we lezen, onze socioculturele achtergrond. Derrida vraagt terecht wie er eigenlijk spreekt als ik spreek.’
 

Macht

De zevende functie van taal mag een fictie zijn, maar macht via de taal bestaat wel degelijk, zegt Binet. ‘Die zevende functie is een allegorie. Wie de taal beheerst, heeft de macht. Dat uitganspunt staat aan de basis van de retorica van de oude Grieken, de leer om te overtuigen. Dat is wat Austin laat zien door te wijzen op de performatieve functie van taal, het vermogen om mensen te laten handelen. Maar we staan niet machteloos tegenover de taal. In mijn roman laat ik Bayard in aanra-king komen met de semiotiek, waarmee tekens kunnen worden geanalyseerd en ontcijferd. Hij gebruikt dit om de moord(en) op te lossen. Ik zie het ook in een groter verband. Met behulp van de semiotiek kunnen we de mechanismen van de retorica herkennen. Dan kunnen we ze neutraliseren en zijn er niet meer de speelbal van.’