Home Kees Vuyk: ‘We zijn niet gelijk, daar moeten we vanaf’

Kees Vuyk: ‘We zijn niet gelijk, daar moeten we vanaf’

Door Simon J. Bellens op 27 juni 2018

Kees Vuyk: ‘We zijn niet gelijk, daar moeten we vanaf’
07-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Filosoof en psycholoog Kees Vuyk won de Socratesbeker met zijn boek over sociale ongelijkheid. Filosofie Magazine maakt een roadtrip met hem, terug naar de boomkwekerij van zijn familie. 

​Amsterdam-Boskoop, het is een klein uurtje rijden volgens Google Maps. In het boomkwekersdorp werkte de vader van Kees Vuyk met zijn broers in het familiebedrijf. Zij hadden het beroep en het perceel geërfd van hun vader. De Vuyken zijn al generaties lang boomkwekers. ‘Als mijn intelligentie niet was onderkend en gestimuleerd’, schrijft filosoof en psycholoog Kees Vuyk in Oude en nieuwe ongelijkheid, ‘dan was ik boomkweker geworden.’ Ik breng de emeritus hoofddocent terug naar de veengrond waaruit hij ontsproot. In het geheugen van mijn iPhone heb ik een foto opgeslagen van zijn grootvader en diens kinderen. Dat weet hij nog niet als ik hem ophaal in Amsterdam.

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Martin Dijkstra

Onlangs won Kees Vuyk met Oude en nieuwe ongelijkheid de Socratesbeker voor het meest urgente Nederlandstalige filosofieboek. Hij maakt daarin de rekening op van de naoorlogse welvaartsstaat. Gelijkekansenpolitiek gaf iedereen met voldoende intelligentie de mogelijkheid om hoger onderwijs te volgen. Al het ooit onbenutte intellectuele kapitaal werd zo maatschappelijk functioneel. Ongetwijfeld droeg dat bij tot de enorme welvaartsstijgingen in de twintigste eeuw, maar er gebeurde ook wat anders. Aan de universiteit vormden intelligente mensen relatief gesloten gemeenschappen. Wie niet gezegend was met een aangeboren intelligentie bleef achter in het dorp, tussen andere dommere mensen. Was het volk vroeger een groot heterogeen geheel van verschillende intelligentieniveaus, nu is het een boeltje dat elkaars dommigheden napraat. ‘Er is niemand die zegt: “Ho, je moet dat anders bekijken.” Zulke mensen zitten niet meer in volkse kringen’, beweert Vuyk. ‘Zij zitten elders, waar iedereen slim is. Het ideaal om iedereen via onderwijs te verheffen heeft van het verschil in intelligentie een sociale scheiding gemaakt. Als je nu slim bent, móét je ook verder studeren. Dat opende mij de ogen. Opleiding en intelligentie zijn niet altijd hetzelfde geweest. Die aaneenschakeling is iets van nu. De scheiding volk-elite is daardoor veranderd. Als je het talent uit het volkse milieu haalt, dan blijft een grauwe massa over.’

Amsterdam

Op dit middaguur is de grachtengordel een mengeling van dagjestoeristen, handelaars en hier en daar een zeldzaam Amsterdams accent. Bang dat mijn geïmproviseerde parkeerplaats een boete of erger oplevert, haast ik me naar het lichte appartement van Kees Vuyk.

‘Toen ik hier in de jaren zeventig kwam, was dit een crisisbuurt’, zegt hij. ‘Aan de overkant waren bordelen en ’s avonds werd heroïne gedeald.’ Van de verkrotting, maar ook van het heilige ‘alles kan, alles mag’ is nu weinig over. 

We besluiten de snelweg te vermijden. Vuyk vertelt hoe de gemeente Amsterdam de dure bordeelpanden opkocht om er woningen van te maken. De crisisbuurt werd deel van een nette en bruisende grachtengordel, die uitgroeide tot een internationale trekpleister waar de huurprijzen onwezenlijke proporties aannemen. ‘Ik heb mijn appartement destijds voor een bescheiden bedrag kunnen kopen. Ik ben slapend miljonair aan het worden’, lacht hij met het vermaak van iemand die de spelingen van het lot vooral komisch opvat.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Volgens de jury van de Socratesbeker was Vuyks Oude en nieuwe ongelijkheid het boek dat ‘de meeste discussie zal opwekken’. Dat heeft alles te maken met één ongemakkelijke waarheid: al het geloof in onderwijs, gelijke kansen en de maakbaarheid van de samenleving ten spijt, hebben mensen ook aangeboren talenten en defecten. Wat als een aanzienlijke groep gedoemd is om achter te blijven in een geglobaliseerde en hoog-technologische samenleving, omdat ze eenvoudigweg niet het talent heeft om te excelleren, of zelfs maar mee te komen? 

De laatste decennia heeft de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden onrustwekkende proporties aangenomen. Hoogopgeleiden verdienen gemiddeld twee keer zoveel als laagopgeleiden, leven zes à zeven jaar langer en dineren veel vaker in gezinsverband. ‘Toen zag ik: het gaat eigenlijk niet over opleiding, het gaat over intelligentie. Dat bleek een vrij pijnlijk onderwerp. Mensen zeggen niet zo gauw: “Ja, natuurlijk zijn mensen aan de universiteit ook wat slimmer. Daarom houden ze meer van ingewikkelde kunst en luisteren ze beter naar medisch advies.” We zijn allemaal gelijk, vinden we. Daar wil ik eigenlijk vanaf. We zijn helemaal niet gelijk, en dat weten mensen wel. Mensen vinden dat ook helemaal niet zo’n probleem, als het maar geen verheven gevoel wordt of een maatschappelijke scheidslijn. Hoe kunnen we nu én die ongelijkheid accepteren én op een fijne manier samenleven?

Ik ben geen meritocraat’, bekent Vuyk. Het meritocratische verheffingsideaal – we geven iedereen gelijke kansen en waar je daarna op de sociale ladder belandt is jouw verdienste – is volgens hem failliet. Onderwijs kan niet iedereen verheffen, omdat sommigen eenvoudigweg niet intelligent genoeg zijn. ‘We moeten mensen wel gelijke kansen geven, maar we moeten ook zien dat de uitkomst afhangt van welk talent je inbrengt. Met gelijke kansen, maar zonder talent zul je niet ver komen.’

Amstelveen

Ons voornemen om de snelweg te ontzien brengt ons vooralsnog niet veel dichter bij Boskoop. Amstelveen zijn we nog niet uit en we zijn al hopeloos verdwaald. Hier fietste hij weleens. ‘Wat een avontuurlijke tocht’, mompelt hij.

Vuyk begon zijn onderzoek naar ongelijkheid toen hij nog directeur was van het inmiddels opgeheven Theater Instituut Nederland. Theater- en kunstliefhebbers ondervinden telkens weer dat die hoge kunst eigenlijk maar een klein en relatief homogeen publiek weet te bereiken. Grotendeels wit, rijk en bovenal hoogopgeleid. Wat is er nu aan die kunst dat een hoop mensen niet zien wat ik zie, vroeg Vuyk zich af. ‘De culturele sector had daar zelf eigenlijk niet zo’n probleem mee.

In de jaren zestig was, laat ons zeggen, 60 procent van het theaterpubliek lager opgeleid. Nu heeft ongeveer 90 procent hoger onderwijs gevolgd.’ Gewone mensen die weleens naar het volkstheater gingen, bleven thuis na de komst van de televisie. We passeren het COBRA-museum in Amstelveen. De cultuursector van toen reageerde volgens Vuyk bijna opgelucht. ‘De houding was: dat klootjesvolk komt tenminste niet meer, nu kunnen we ons met echte kunst bezighouden.’

Het zorgde voor een ongekende artistieke vrijheid, maar de theaterwereld werd zo ook een eiland van hoogopgeleide kunstliefhebbers. ‘Daar viel de scheiding van hoog- en laagopgeleiden me voor het eerst op. Pas in een volgende fase besefte ik dat die kloof iets met mijn eigen leven te maken had.’

Een wereld van kansen kondigde zich aan met de opkomst van de welvaartsstaat, ook voor de jonge Vuyk. Terwijl zijn moeder hem liever niet op kamers zag, ging hij naar Amsterdam. ‘Ook omwille van de afstand’, zegt hij. ‘Er was ontzettend veel te beleven, een wereld vol kunst om te ontdekken, maar het was niet alleen maar positief.’

De culturele kloof had zich ook tussen hem en zijn ouders voltrokken. ‘Ik las andere boeken en keek naar andere televisieprogramma’s. Mijn moeder las wel veel, maar altijd van die boerenromans. Studeerde ik voor dokter, dan had mijn moeder zich daar nog iets bij kunnen voorstellen. Maar filosoof? Wat doe je nu eigenlijk, dacht ze. Ik kon dat dan weer moeilijk uitleggen. Daarna raakte ik geïnteresseerd in kunst. Dat lag ook ver van hun belevingswereld. Kunst was voor hen het plaatselijke zangkoor of cabaret op televisie. In die zin keek ik wel wat op hen neer. Ik vond ze een beetje bekrompen. Ik ging die kloof daardoor echt voelen. We hadden bijna geen contact meer. Dat was toch pijnlijk, denk ik. Ook voor mijn ouders.’

Geografisch van elkaar verwijderd was die mentale afstand gemakkelijk te behouden. Niet alleen was het leven in de stad boeiend en spectaculair, naar huis gaan werd ook ongemakkelijk. ‘Er bleef niet zoveel over om te bespreken zonder dat het vervelend werd. Sommige gespreksonderwerpen, zoals seksualiteit of vrije relaties, vermeden we gewoon. We vermoedden dat het geen fijne praatjes zou opleveren.’ 

Tijdens zijn studie overleed Vuyks vader. Het compliceerde de relatie tot zijn moeder, voor wie hij niet meer enkel een kind was, maar ook een zorgende rol kreeg. Misschien droeg dat ertoe bij dat een onomkeerbare breuk uitbleef. ‘In een aantal dingen konden we elkaar vinden. Mijn moeder speelde ook piano. Ik praatte mee over de buurt, familie en vrienden. Af en toe gaf ik een beetje raad.’

Ondanks alles voelt Kees Vuyk ook de trots van zijn ouders. Misschien begrepen ze niet helemaal wat hij uitvoerde aan de universiteit, maar hij kwam nooit iets tekort. Zijn boek droeg hij aan hen op. ‘Zij hebben hun zoon vaak niet begrepen. Maar ze hebben hem altijd gesteund’, schreef hij in het dankwoord.

Tekst loopt door onder afbeelding

Uithoorn

Vuyk, terwijl we rechtsomkeert maken en een uitweg zoeken uit Uithoorn: ‘We moeten mensen uit hoog- en laagopgeleide milieus weer vertrouwd maken met elkaars leefwereld. Waarom brengen we bij een vak als maatschappijleer gymnasiasten en vmbo’ers niet samen? Een architect en een bouwvakker komen elkaar pas weer tegen als ze samen in een bouwput staan. Waarom niet tijdens hun opleiding?’

Vroeger waren die gemengde leefwerelden meer dan vandaag een realiteit, meent Vuyk. ‘Een familiediscussie in de jaren vijftig kon hoog oplopen. Er waren een paar slimme mensen die wat zeiden en een paar dommeriken.’ Soms liep dat uit op ruzie, maar het maakte mensen wel vertrouwd met andere inzichten. Intelligente mensen zonder opleiding konden volgens Vuyk een brugfiguur zijn tussen het volk en de elite. Vandaag de dag ontbreken die brugfiguren omdat er zich met de democratisering van het onderwijs een braindrain uit die volkse milieus heeft voorgedaan.

Dat beeld van een familiedis in pakweg 1957 – ‘toen er toch al een behoorlijk systeem van educatie op gang kwam’ – maakt hem merkbaar enthousiast. Romantiseert hij zo niet een periode waarin de kinderen van het verheffingsideaal zich niet meer herkennen en een milieu waaruit hij nota bene zelf wilde ontsnappen? ‘Ongetwijfeld, maar for the sake of the argument. Mijn doel is om duidelijk te maken dat die diplomascheiding ook nadelen heeft en waarschijnlijk iets kapot heeft gemaakt. Noem het gemeenschapszin.’

Het komt vaak terug in Vuyks discours: een meer ontspannen samenleving, waarin verschillende milieus erin slagen solidair te zijn. ‘Misschien moet je mensen met andere opleidingsniveaus dwingen om samen te komen. En misschien kom je zo op andere oplossingen dan wanneer je alleen de elite hoort. Anderzijds is het ook beter om een draagvlak te creëren bij de mensen. Nu moppert het volk op de elite. Als je de mopperaars erbij zou betrekken, zou de elite gedwongen zijn om uit te leggen welk beleid er gevoerd wordt en waarom dat belangrijk is.’ 

Als je het maar goed genoeg uitlegt, kun je het verontwaardigde volk dus wel voor je winnen? ‘Dat geloof ik wel’, zegt hij. ‘Ik geloof uiteindelijk dat iedereen iets van elkaar kan leren. Misschien brengen minder slimme mensen een ander soort kennis binnen. Waar intelligente denkers niet altijd bij stilstaan, is hoe uitvoerbaar hun ideeën zijn of dat sommigen helemaal niet mee willen in hun verhaal.’

De laatste tijd is Vuyk meer gaan nadenken over het onderscheid tussen intelligentie en wijsheid. ‘Vaak zijn dat heel verschillende dingen. Je kunt erg intelligent zijn en toch heel domme daden verrichten. Intelligentie is misschien nog te beperkt om precies uit te drukken waar het over gaat. We moeten niet altijd op intelligente mensen vertrouwen. Die weten ook ontzettend veel níét. Intelligente mensen zouden zich meer van hun eigen beperkingen bewust moeten worden. Alleen al het inzicht dat je niet zo goed kunt uitleggen wat je probeert te bereiken, betekent misschien dat je het nog helemaal niet zo goed doordacht hebt.’ De pijnlijkste vaststelling is volgens Vuyk dus niet zozeer een onvermijdelijk aangeboren verschil in talent, maar eerder het gegeven dat we als samenleving cognitieve talenten zo waarderen dat hoogopgeleiden verdomd narcistisch in het leven staan. Alsof een diploma betekent dat je de wijsheid in pacht hebt en een gebrek daaraan ook een mindere stem impliceert.
 

Boskoop

We twijfelen of we op de volgende rotonde rechtdoor of rechtsaf moeten. We naderen Boskoop. ‘Nu ik ouder word, interesseert het me meer hoe iemand als mijn neef, die in Boskoop gebleven is en die nu de boomkwekerij runt, over de wereld denkt. Tussen mijn moeder en mij was er een moeilijke communicatie, maar nu is er helemaal geen communicatie tussen verschillende culturele groepen.’ Er klinkt iets van berouw in zijn stem. ‘Ik had zelf meer pogingen moeten doen om wel die controversiële onderwerpen aan te snijden. Wat leer je dan, als je dat gesprek wél aangaat?’

Na ruim een uur en veertig minuten komen we aan bij Boomkwekerij Vuijk (de puntjes zijn later toegevoegd). Neef Bart Vuyk kweekt de bomen tegenwoordig rechtstreeks in plastic potten, niet meer in de befaamde Boskoopse grond. Zo kan hij het hele jaar door verkopen.

Kees is een tengere en bleke man, met witte haren zoals je van een emeritus hoofddocent filosofie zou verwachten. Neef Bart heeft door het jarenlange buiten werken een huidskleur die een paar tinten donkerder is. ‘Eigenlijk moet ik stoppen. Ik heb last van m’n knie. En dan loop je hier alleen. Het is veel te groot. Ik krijg het ook niet verkocht.’

Nu toon ik hun de oude familiefoto. Verrast en opgewekt tellen ze elf kinderen, waar het er twaalf zouden moeten zijn. Het is voor Kees Vuyk onmogelijk om het vage kindergezicht van zijn vader te onderscheiden. ‘Kijk eens’, gebaart de neef. In de schuur hangt een foto van dezelfde man in dezelfde statige pose. Grootvader Vuyk, niet met zijn kinderen, maar met zijn broers ditmaal. De neven proberen de puzzelstukjes van hun familiegeschiedenis in elkaar te passen. ‘Daar woonde… en dat was een zoon van…’ De familie bestond uit meer dan vijftig neven en nichten. ‘Heb je het al gehoord?’ vraagt de boomkweker aan de filosoof. ‘Henk is overleden.’

Ze bespreken de laatste verwikkelingen en nemen afscheid. Na een fotosessie tussen de bomen zet ik Kees Vuyk af op station Boskoop. Uiteindelijk was de reis langer dan het verblijf op de boomkwekerij. ‘Ik ben blij dat ik terug ben geweest’, zegt hij.