Home Filosofie en literatuur ‘Ik zet graag de deur open, al weet ik niet wat ik binnenhaal’
Filosofie en literatuur

‘Ik zet graag de deur open, al weet ik niet wat ik binnenhaal’

Miriam Rasch is essayist en filosoof en verbonden aan de Willem de Kooning Academie

Door Miriam Rasch op 18 november 2022

Miriam Rasch column
FM 12 cover spel spelen schaakbord ballerina
12-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Typisch een stuk van jou, met al die referenties, schreef een vriend. Ik denk dat hij het vriendelijk bedoelde, hoewel het klonk als ‘omgevallen boekenkast’. Hij had natuurlijk gelijk. Kan ik wel iets schrijven zonder naar een ander te verwijzen? Niet toevallig had ik als experiment net een column geschreven met alleen een verwijzing naar mezelf erin, wat ik dan ook triomfantelijk riposteerde.

Maar de vraag bleef me bezighouden. Is mijn buitensporige gebruik van het denkwerk van anderen geen zwaktebod? Durf ik niet te vertrouwen op mijn eigen oordeel? Wat zou ik nog waard zijn zónder boekenkast?

Ik ging erop letten hoe anderen het deden, wie ze noemden en wanneer, hoeveel kasten aan boeken her en der omvielen. Na een tijdje wist ik het zeker: referenties zijn niet (alleen) een vertoon van belezenheid, ze zijn ook de concretisering van een overtuiging, van een karakter, oftewel: van een filosofie.

‘Verwijzingen zijn als de stenen waarmee we een onderkomen bouwen,’ schrijft feministisch auteur Sara Ahmed. Welk materiaal je kiest bepaalt met wat voor huis je eindigt. Het impliceert ook dat je er zonder het werk van anderen, de bakstenen om mee te bouwen, niet eens aan hoeft te beginnen. Verwijzen is politiek: vrouwen en etnische minderheden worden nog altijd systematisch genegeerd. De bouwwerken uit het verleden blijven zo ons beeld bepalen van hoe een huis eruit moet zien.

Zelfs waar schrijvers essayistische vrijheid genieten, is het vaak eenzijdigheid troef. Zelden kom je jonge dichters, medefilosofen uit eigen land of romanschrijvers van andere continenten tegen. Terwijl ik juist zo hou van de uitbundigheid waartoe het essay uitnodigt. Dat is toch ook waarom we nog steeds Montaigne lezen, die feestelijke samenkomst van verschillende stemmen.

Ik zet graag mijn deur wagenwijd open. Kom erin, wees welkom, al weet ik niet precies wie of wat ik binnenhaal. Loopt het feestje uit de hand, dan wordt het huis gesloopt. ‘Schrijven: het boren in muren, het breken van ramen, het opblazen van gebouwen,’ waarschuwt schrijver Valeria Luiselli. Het werk van anderen niet als bouwsteen, maar als drilboor, koevoet, dynamiet. ‘Diepe opgravingen om – waarom eigenlijk? Om niets te vinden.’

Een innige waarheid: zelfs het niets kun je alleen vinden met hulp van anderen.