Home Identiteit Hume duwde de mens terug de natuur in | recensie
Identiteit Mens en natuur

Hume duwde de mens terug de natuur in | recensie

Uit een nieuwe selectie van het werk van David Hume (1711-1776) blijkt dat zijn denken niets aan frisheid heeft verloren.

Door Bert Keizer op 04 juli 2024

David Hume filosoof 'David Hume, 1711 - 1776. Historian and philosopher', olieverfschilderij door Allan Ramsey uit 1766

Uit een nieuwe selectie van het werk van David Hume (1711-1776) blijkt dat zijn denken niets aan frisheid heeft verloren.

FM7 Filosofie Magazine 7 2024 reizen vliegtuig vliegtuigraampje
07-2024 Filosofie magazine Lees het magazine

Onder de titel Essays & verhandelingen vertaalde Ton Vink een prachtige selectie teksten uit het werk van David Hume (1711-1776). Hume is de grondigste scepticus in de geschiedenis van het westerse denken. Hij was dan ook erg ongelovig. De geestelijkheid had een bloedhekel aan hem en men noemde hem The Great Infidel, ‘de Grote Afvallige’.

Op zijn sterfbed vertelde Hume collega-filosoof Adam Smith hoe hij zich zou gedragen als hij Charon ontmoette, de oude veerman in de onderwereld die de schimmen van de doden over de Styx zet. Charon had natuurlijk alle smoesjes om niet naar de overkant te hoeven al vele malen gehoord, maar Hume had er lol in om te fantaseren over hoe hij het zou aanpakken.

Het ik is een bundel van percepties

‘“Beste Charon”, zou ik zeggen, “ik heb zojuist een nieuwe editie van mijn geschriften gecorrigeerd. Geef me nog wat tijd om te zien hoe het publiek reageert op deze correcties.” Maar Charon zou antwoorden: “Als u het effect van deze correcties hebt gezien dan wilt u weer nieuwe correcties aanbrengen. Er komt nooit een einde aan dit soort gedoe. Dus, beste man, in de boot alstublieft.” Maar ik zou nog verder aandringen. “Goede Charon, wacht nou even. Ik heb geprobeerd de ogen van het publiek te openen. Gun me nog een paar jaar en dan lukt het mij misschien mijn landgenoten wat wijzer te maken en ze te verlossen van het christelijke bijgeloof.” Op dit punt zou Charon zijn beheersing verliezen en kwaad worden: “Jij treuzelende schurk, dat gaat je nooit lukken, nog in geen honderd jaar. Denk je nou echt dat ik daarop ga zitten wachten? Stap onmiddellijk in de boot, een schurk ben je.”’

Hume geloofde niet dat hij ergens heen ging na de dood. En toch biedt de fictieve Charon hem de mogelijkheid om zichzelf en zijn vriend nog eens lachend te wijzen op wat hem tijdens zijn leven niet gelukt is: de mens van het christendom afhelpen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Lijm

Humes denken kun je beschouwen als een poging om de mens zoveel mogelijk terug de natuur in te duwen. Hij deed dat onder meer door de betrekkelijkheid aan te tonen van onze veelgeroemde geestelijke scherpte. Het gemak waarmee mensen denken dat ze zoveel slimmer zijn dan dieren zat hem dwars.

In A treatise of human nature (volgens mijn leraar of Hume’s nature) maakte Hume korte metten met een stuk denkgereedschap waarmee wij menen de wereld tot op grote diepte te kunnen doorgronden: causaliteit. Met causaliteit bedoelen we de macht van een ding om een bepaald effect bij een ander ding te veroorzaken. Nou, dacht Hume, dat wil ik wel eens nader bekijken. Wanneer een biljartbal op een andere biljartbol botst, rolt de tweede inderdaad verder. Maar de enige reden waarom we deze opeenvolging van gebeurtenissen als onvermijdelijk zien is dat we dit al duizenden keren hebben zien gebeuren. We kennen de aanrollende bal hierdoor een bepaalde macht toe, maar strikt genomen nemen we die niet waar. Causaliteit is niets meer dan de constante opeenvolging van twee toestanden. En dat is iets anders dan het idee dat er een soort lijm zit tussen die twee. Die lijm, dacht Hume, bestaat niet in de wereld, maar zit in onze geest.

Hume ging in zijn scepticisme zo ver dat hij zelfs het bestaan van het menselijk ego betwijfelde. Wanneer hij bij zichzelf naar binnen keek, redeneerde hij, zag hij immers niets anders dan steeds veranderende toestanden. ‘Wat mij betreft, als ik heel nauwgezet binnenga in wat ik mijzelf noem, dan stuit ik altijd op een of andere waarneming, van hitte of kou, licht of schaduw, liefde of haat, pijn of plezier. Het lukt me nooit om mijzelf te betrappen zonder een waarneming en alles wat ik kan bekijken is een waarneming.’ Vandaar zijn bekende uitspraak: ‘Het ik is niets meer dan een bundel van percepties.’

Ironie

Hier valt heus wel wat tegen in te brengen (zoals de vraag wie of wat deze ‘ik’ is die naar binnen kijkt), maar het gaat nu even om Humes relativering van wat we graag zien als onze sublieme geestelijke inhoud. Die is niet zo uniek als we graag denken. Causaal denken is ook de dieren gegeven, zoals Hume uitdrukkelijk betoogde in het essay ‘Over het verstand van dieren’. Tegen het eind van de middag hoef je alleen maar te kijken in de richting van de koelkast en die rotkat staat al naast je.

Niemand gooide ooit zijn leven weg terwijl het nog de moeite waard was

Als causaliteit geen toestand in de wereld is, maar een product van onze geest, is er dan wel een vorm van onderzoek mogelijk naar de aard van onszelf en de wereld om ons heen? In deze selectie staat meteen vooraan een van de mooiste teksten van Hume, waarin hij stilstaat bij de vraag of er nog wat te filosoferen valt na de ontmaskering van de discipline. Zijn lichtelijk ironische benadering van filosofie leest nog altijd als een verademing: ‘Godsdienstige dwalingen zijn gevaarlijk, de dwalingen van filosofen alleen maar belachelijk.’

Vink selecteerde ook Humes tekst over zelfmoord. Hume schreef daarover in 1775: ‘Ik geloof niet dat iemand ooit zijn leven weggooide terwijl het nog de moeite waard was.’ En in deze mede­deling ligt meteen de mogelijkheid besloten dat een mens zijn leven wel degelijk mag weggooien als het ophoudt iets te bieden. Een dergelijke, in de achttiende eeuw nogal zeldzame, nuchterheid is kenmerkend voor de ironische Schot.

Rare streek

Hume bood het soort spektakel waar christenen nog altijd een beetje maagzuur van krijgen: een goedlachse, deugdzame, scherpe, erudiete, grappige en opvallend briljante vent die uitdrukkelijk zonder God door het leven gaat. Rond de zelfgewilde dood ontwaarde hij als eerste een ruimte die niet langer gevuld is met angst, vroomheid of paniek. Het verfrissende van Humes denken is dat er naast de scherpte nogal eens een geamuseerde glimlach om zijn beweringen heen hangt.

Zo was hij niet te beroerd om de onsterfelijkheid van de ziel vanuit vele hoeken te benaderen om het hele idee tenslotte met een sierlijke boog in de prullenbak te deponeren. Als de ziel onsterfelijk is, dan heeft hij ook vóór de geboorte bestaan en dus nemen we aan dat het bestaan na de dood wel even saai zal zijn, in elk geval niet iets om te vrezen of naar te verlangen. Trouwens, wie houdt dit rare idee zo graag in stand? Precies, de geestelijken. En waarom doen ze dat? Om ‘in hun levensonderhoud te voorzien en macht en rijkdom te vergaren in deze wereld’. Hun ijver en toewijding, concludeerde Hume, ‘zijn dus eigenlijk een argument tégen’. De Grote Afvallige inderdaad, met tot overmaat van ramp een uitermate scherp verstand en een ontwapenend gevoel voor humor.

Hume vond het een rare streek van de natuur dat ze ons het vermogen geeft om dit leven nauwgezet te bestuderen en tegelijk alle gereedschap uit handen slaat als we iets te weten willen komen over ‘een bestaan van oneindig groter belang’. Hij vroeg zich af: ‘Kun je een dergelijke barbaarse vorm van bedrog toeschrijven aan een wijs en welwillend wezen?’ God zelf ging uiteindelijk ook voor de bijl.

Maar niet bij leven hoor, Hume was niet gek. Zijn ‘ergste’ teksten bewaarde hij voor het nageslacht, handgranaten, uit het graf gegooid. Vink maakte een even rijke als rake keuze uit het werk van Hume dat nog altijd niets van zijn frisheid heeft verloren.

Essays & Verhandelingen, David Hume - Gebonden - 9789463404204

David Hume. Essays & verhandelingen, een selectie
David Hume
vert. Ton Vink
Damon
248 blz.
€ 29,90