Home Geluk along the way

Geluk along the way

Plat vermaak of intellectueel vermaak. Het is om het even, stelde Bentham. Vermaak is vermaak. John Stuart Mill oordeelt anders: het ene geluk is het ander niet. Het relaas van een made man die het streven naar persoonlijk geluk uit zijn hoofd zette en gelukkig werd.

Door Erno Eskens op 11 juni 2001

04-1998 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Het programma Teletubbies is wereldwijd een succes. Van Amerika tot ver in China kijken miljoenen peuters dagelijks naar de vier poppetjes die, van nature toegerust met antennes op het hoofd, figureren in een lichtvoetige peutershow. De Teletubbies doen niets. En daarbij praten niet, ze brabbelen. Hun kabbel- en brabbelbestaan bestaat uit louter vermaak. Plichten kennen de Teletubbies niet. Kijken naar de antennewezentjes maken de kids gelukkig volgens Anne Wood, maker van Teletubbies, en ‘kinderen hebben het recht het naar hun zin te hebben’. Vanaf 1 september kunnen ook de kinderen in Nederland en Vlaanderen de avonturen volgen. Zonder ondertiteling.

John Stuart Mill (1806-1873) bracht zijn peuterdagen door met een ongelooflijke stapel boeken. Zijn vader, die de opvoeding in eigen hand hield, leerde hem op zijn derde Grieks. Op zijn achtste had Mill zes dialogen van Plato, het complete werk van Herodotes, Xenophon, hoofdstukken uit Diogenes Laërtius en Aristoteles’ Retorica gelezen. En dat alles ‘met groot plezier’ schrijft Mill in zijn Autobiography. Op zijn achtste begon hij aan het Latijn en differentiaalrekening.

Vervolgens werden alle wetenschappelijke disciplines afgewerkt, waarbij Mill opmerkt dat hij op zijn twaalfde alle bekende drogredenen wist te ontmaskeren en zich de basisprincipes van de logica eigen had gemaakt. Mills eerste boek schreef hij toen hij veertien was. ‘En als ik nu van nature bijzonder snel van begrip was, of een zeer accuraat en goed geheugen had…’ Maar nee. ‘Wat de natuurlijke aanleg betreft, scoor ik lager dan gemiddeld. Wat ik kon, is voor iedere gezonde jongen of meisje zeker haalbaar.’ Na ’een volledige cursus politieke economie’ verhuisde Mill als jonge puber naar Frankrijk om filosofie te studeren. In die studie was hij zo succesvol dat hij op zijn zeventiende aan het hoofd stond van een vereniging rondom zijn eigen filosofie.

Slechte gewoonten

Mills vader – de filosoof, historicus en econoom James Mill – was een autoritaire en ongeduldige man die zijn zoon verre hield van gemakkelijk Teletubbiesvermaak. Soms werd de kinderziel misschien een tikje overbelast, maar Mill concludeert: ‘een peuter die nooit iets hoeft te doen wat zijn vermogens overstijgt, zal nooit alles doen wat hij kan.’ Vader Mill daagde zijn zoon intellectueel uit, liet hem zelf de wereld ontdekken en stuurde alleen een beetje bij door op het juiste moment de juiste informatie aan te reiken. Geen passieve veelweterij, feiten stampen bleef de peuter bespaard. De zone van de naaste ontwikkeling heet dat in hedendaagse pedagogische termen. ‘Alles wat je door te denken zou kunnen ontdekken, liet bij mij ook zelf ontdekken. En alleen als ik het echt niet wist, vertelde hij het me.’ Al met al een ’a happy childhood’: ‘Ik beleefde enorm veel plezier aan allerlei gedachte-experimenten’ en ieder nieuw boek bracht ‘grote vreugde’, ‘nieuw plezier’, ‘slim vermaak’, ‘sensaties zoals ik die nog niet hoeveelheden eerder beleefde’. John Stuart Mill was gelukkig. Daarin verschilde hij niet van de gelukkige kijkbuiskinderen van nu. Alleen had Mill zich wat kennis en een paar vaardigheden eigen gemaakt die hem zijn hele leven geluk schonken in ‘a continued mental progress’.

Geluk. In huize Mill werd er veel over gefilosofeerd. Dat was onvermijdelijk omdat de Mills in een huis woonden dat de Engelse filosoof Sir Jeremy Bentham (1748-1832) ze cadeau had gedaan. De eigenzinnige Bentham had een simpele regel van Epicurus (341-270 v. Chr.) nieuw leven ingeblazen: genot is het hoogste goed; leed is het enige kwaad. Deze regel had hij omgewerkt tot een ware filosofische stroming: het utilisme (of ook utilitarisme). Utility, nut is de hefboom die alle gedachten en acties op een hoger plan tilt. Alles wat tot een toename van genot leidt, is goed en nuttig, doceerde Bentham.

En omgekeerd: alles wat goed en nuttig is, schenkt ons gelukzalig genot. Volgens Bentham is geluk kwantificeerbaar: je kunt al je pleziertjes optellen, en als je er maar voldoende van hebt, ben je gelukkig. Met deze ’hedonistische calculus’ telde Bentham ook hoeveelheden genot en moraal rustig bij elkaar op. Er is geen wezenlijk verschil tussen deze ogenschijnlijk zeer verschillende zaken: moraal is nuttig en doet de mens genieten, en wat de mens doet genieten is moreel in orde.

Voor de ietwat schuchtere Engelsen was de hedonistische calculus a bit of a shock. Werd hier serieus van ze verwacht dat zij de leer van de Anglicaanse kerk, de toneelstukken van Shakespeare, of de etiquette van hun decent civilised behaviour op een hoop gooiden, optelden en beoordeelden op hun nut en hun vermakelijkheid? Bentham was op dit punt ondubbelzinnig: ‘Wanneer de hoeveelheden plezier gelijk zijn, is kinderspel even goed als poëzie.’ Of je nou voldoende Teletubbiesplezier, of voldoende Shakespearegenot krijgt… als het maar voldoende is. Gelukkig te zijn, that’s the question.

Recht op genot

John Stuart Mill onderschreef Benthams filosofie in hoofdlijnen: het komt er inderdaad op aan het genot te vergroten. De slogan van de utilisten – het grootst mogelijke geluk voor zoveel mogelijk mensen – onderschrijft hij van harte. Geluk moet bereikbaar zijn voor alle mannen en vrouwen. Mill was vehement voorstander van emancipatie van alle minderbedeelden en rechtelozen. Ieder mens heeft het rechtop een zekere mate van genot en geluk. De idealen van de Franse Revolutie – vrijheid, gelijkheid broederschap – kregen daarmee in huize Mill hun Engelse variant. ‘leder mens heeft het recht op gelijke behandeling’, schrijft hij in Utilitarianism, ’behalve in die gevallen waarin dat, zoals bij misdadigers, sociaal gezien niet gepast is. Alle sociale ongelijkheid die men niet langer als gepast kan beschouwen, moeten wij als “onrechtvaardig” stigmatiseren. Ze moeten ons zo tiranniek voorkomen, dat we ons afvragen waarom we ze ooit getolereerd hebben.’ Het is de taak van de politiek om het recht op geluk handen en voeten te geven. ‘Systemen die dit in twijfel trekken, handelen in hot air en niet in redelijkheid.’

Mill was buitengewoon energiek in zijn politieke strijd voor het groots mogelijke geluk, tot hij zich op een druilerige zondagmiddag een relativerend gedachte-experimentje veroorloofde: ‘Stel je nu eens voor dat al je wensen verwezenlijkt worden; dat al die veranderingen die je zo graag wilde aanbrengen in de instituties en opinies op dit moment gerealiseerd zouden worden: zou het je vreugde en geluk brengen?’ Met tegenzin erkende Mill: ‘Een ellendig antwoord drong zich onweerstaanbaar op: nee! De moed zakte me in de schoenen: het hele fundament onder mijn leven zakte in elkaar. Ik dacht dat al mijn geluk in het najagen van dit doel lag. Maar dat doel had al zijn charme verloren. Hoe kon ik ooit nog enige waarde hechten aan de middelen tot dat doel? Ik had niets meer om voor te leven.’

John Stuart Mill belandde in een depressie die twee jaar duurde. Apathisch mijmerde hij over zijn leven. Niets raakte hem meer. Hij somberde dat zijn opvoeding hem tot ‘a mere reasoning machine’ had gemaakt, een ‘made man’; een politiek debater die zich drukker maakte over het heil van de mensheid dan over zijn eigen emotionele huishouding. Grieks en Latijn en differentiaalrekening waren nuttig en vermakelijk geweest, dat wel, maar hoe zat het met dat andere geluk – lekker voetballen en Telclubbies kijken. Daar had zijn vader hem niet in toe in de gelegenheid gesteld. Hij was weliswaar gelukkig geweest in zijn jeugd, maar hij had dit geluk niet uit zichzelf nagejaagd. Het was hem overkomen. ‘Naar mijn gevoel stond wetenschappelijk vast dat ik een hulpeloze slaaf van vroegere omstandigheden was; alsof mijn karakter – en dat van iedereen eigenlijk – gevormd was door factoren waar ik geen grip op had.’ De ‘hervormer van de wereld’ – zoals Mill zichzelf noemde – besluit zichzelf te hervormen. Hij wil gevoeliger worden, emoties onderzoeken, gedreven zijn door eigen motieven. Hij wil ook het minder intellectualistische geluk leren kennen. Een tijdje luistert hij naar opera’s, leest hij poëzie; zaken waar hij zich tot dan toe niet mee bezig heeft gehouden. Langs die weg kruipt hij uit de put. Geluk is niets anders dan genot, concludeert Mill opnieuw – daarin had Bentham gelijk – maar het ene genot is het ander niet. Je kunt het luisteren naar een opera niet vergelijken met het leren lezen van het Grieks en het Latijn. Daarvoor zijn ze te verschillend. Een mens kan niet alleen toe met intellectueel vermaak. Hij heeft meerdere soorten geluk tegelijkertijd nodig. Er dienen meerdere capaciteiten geactiveerd te worden. Wie alleen intellectueel vermaak koestert, mist het genot van de gevoelens. En wie alleen gevoelens krijgt aangereikt, mist het intellectuele genot.

Quite absurd

Het echte geluk, concludeert Mill, bestaat uit een combinatie van ‘genoegens van het intellect, van de gevoelens en van het voorstellingsvermogen’. De kunst is om een zeker evenwicht te vinden in deze soorten geluk: niet alleen poëzie, kinderspel of differentiaalrekening, maar een prettige mix van dit alles. Bentham stelde dat ieder mens met een voldoende hoeveelheid geluk, of het nou gevoels- of intellectueel geluk is, automatisch gelukkig zou zijn. Mill beslist anders: de hele dag Plato lezen maakt niet gelukkig. De hele dag Teletubbies kijken evenmin.

Een tijdlang probeert hij de ideale mix van geluksgevoelens te bedenken. Misschien 40 procent poëzie, 10 procent platte lol en 40 procent intellectueel vermaak? Hij overweegt dit soort zaken, maar hoe meer hij erover nadenkt, des te ongelukkiger bij wordt. Het werkt niet om het geluk zo te kwantificeren. Het project wordt ‘quite absurd‘. Bovendien is er iets fundamenteel fout met de fixatie op het persoonlijk geluk. ‘Stel jezelf de vraag of je gelukkig bent, en je bent het niet meer.’ En dus besluit hij het roer om te gooien. Het heeft geen zin om zo heftig naar geluk te streven. ‘Geluk kun je alleen bereiken door het niet als hoogste doel na te jagen. Kijk maar naar mensen die gelukkig zijn. Ze zijn niet gefocust op hun geluk. Ze richten zich op andere zaken; op het geluk van hun medemens, op de vooruitgang van de mensheid, op hun werk of op een andere bezigheid. Ze jagen die dingen niet na om gelukkig te worden, nee ze zien die zaken zelf als het ideale doel. Ze richten zich dus op iets anders en vinden en passant het geluk.’ Geluk kun je alleen ‘along the way’ bereiken, door iets anders te verwerkelijken, te realiseren. Maar waar moet je dan naar streven? Willekeurige doelen? Nee, natuurlijk. Het zo snel mogelijk legen van buurmans portemonnee is bijvoorbeeld geen reële optie. Daar wordt het leven niet aangenamer door. Voor je het weet zie je steeds blauwe zwaailichten in je achteruitkijkspiegel. Of er staat een razende buurman compleet met geheven wandelstok in je tuin. Het doet jezelf geen goed om dingen na te streven die het geluk van anderen in de weg staan. Het keert zich tegen je en wees eerlijk: eigenlijk wil je in goede harmonie met anderen leven. je kunt dus maar beter een sociaal klimaat scheppen waarin een zekere mate van geluk voor iedereen mogelijk wordt. Dan wordt je eigen leven ook gezelliger.

Mill voegt de daad bij het woord. Om de mogelijkheidsvoorwaarden voor geluk te creëren neemt hij zitting in het Engelse parlement. Daar maakt hij zich sterk voor de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van denken en de vrijheid om het leven zo veel mogelijk naar eigen inzicht in te vullen. Hij pleit voor kies- en stemrecht van vrouwen en trekt op met socialistische radicals om een eind te maken aan de uitbuiting van de arbeiders. ln zijn strijd vindt hijzelf en passant weer het geluk. Hij merkt dat zijn vader hem heel aardig heeft geëquipeerd voor het politieke leven en treft tot overmaat van geluk ook nog een intelligente vrouw. ‘Ik was haar leerling’, schrijft hij, en zij was niet alleen een ‘bron van geluk en vooruitgang’, maar ook een ‘inspirer of my best thoughts’. Als hij in 1866 de verkiezingen verliest trekt hij naar Avignon, waar hij ‘het prettige plattelandsleven’ leidt en ‘a continued mental progress’ doormaakt. Hij sterft er in 1873, een gelukkig man.