Home Reizen ‘Een flamencodanseres is welkom, mits er aardappelen op het menu staan’
Reizen

‘Een flamencodanseres is welkom, mits er aardappelen op het menu staan’

Door Martijn Meijer op 19 maart 2013

04-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
Waar links er niet in is geslaagd de verschillen tussen mensen weg te nemen, is de toeristenindustrie de grootse gelijkmaker van deze tijd. ‘Binnen de toeristenklasse zijn alle middelen nu min of meer beschikbaar voor iedereen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Reizen vond hij tijdverspilling’, schrijft J.-K. Huysmans, ‘aangezien hij geloofde dat de verbeelding een perfect substituut kon bieden voor de vulgaire realiteit van de ervaring.’ De hertog Des Esseintes, held van Huysmans’ roman À Rebours uit 1884, heeft zich opgesloten in zijn huis vlak buiten Parijs om zich louter nog aan esthetische genoegens over te geven. Toch krijgt hij op een dag, lezend in Dickens, het verlangen om Londen in het echt te zien. Des Esseintes gaat naar Parijs. Omdat hij tijd overheeft voordat de trein naar Londen vertrekt, bezoekt hij een Engelse taveerne in de Rue d’Amsterdam. De atmosfeer, de Engelssprekende gasten en het typische voedsel (ossenstaartsoep, rosbief met aardappelen) doen hem al snel in Dickensiaanse dagdromen verzinken. Als het moment aanbreekt om naar het station te gaan vraagt de hertog zich lusteloos af waarom hij nog die hele reis zal ondernemen. In Londen zal hij immers moeten constateren dat de werkelijkheid ver achterblijft bij zijn dromen. ‘Waarom zou je je verplaatsen als je zittend in een stoel een prachtige reis kunt maken?’

Pittoresk

Vandaag zijn de mogelijkheden tot virtueel reizen vele malen groter dan in de tijd van Des Esseintes. Zittend voor het beeldscherm krijgen we de verste uithoeken van de wereld voorgeschoteld. Toch willen we nog steeds zelf op reis, willen we zelf meemaken wat we zien. We verlangen naar authentieke ervaringen, en we verwachten die juist in het buitenland, waar alles anders is. (Dean McCannell noemt in The Tourist (1976) het verlangen naar authentieke ervaringen dé drijfveer van het toeristisch bewustzijn.) Om aan die verwachting tegemoet te komen wekt de lokale bevolking van het pittoreske dorpje haar oude ambachten weer tot leven, een opvoering voor een publiek dat van de weeromstuit de toerist gaat spelen.


De reiziger is even zeldzaam geworden als de inboorling. Omdat alles in de wereld al is ontdekt, is het onmogelijk nog avonturen beleven die nooit eerder zijn beleefd. De reiziger is toerist geworden. Ook zij die zich nog reizigers wanen en neerkijken op toeristen die massaal de platgetreden paden betreden, ontsnappen niet aan de gelijkschakeling van de toeristische klassen tot één toeristenklasse. Een klassenonderscheid kan alleen bestaan als er middelen zijn waarmee de hogere klasse zich kan onderscheiden van de lagere, maar binnen de toeristenklasse zijn alle middelen nu min of meer beschikbaar voor iedereen. Er is geen vakantiebestemming op de wereld waar we heen kunnen vliegen zonder er andere toeristen tegen het lijf te lopen. Badplaatsen die ooit chique waren, zoals Nice en Oostende, worden sinds de Tweede Wereldoorlog door mensen bevolkt die vroeger als ‘arbeiders’ aangeduid werden. En de zogenaamd avontuurlijke routes die zich ‘off the beaten track’ bevinden, staan gewoon in de Lonely Planet beschreven. Bij de elitetoerist roept de voortdurende confrontatie met andere toeristen een afkeer op, die eigenlijk een vorm van zelfhaat is. Op zoek naar het exotische komt hij steeds zichzelf tegen, en ervaart dan het pijnlijke contrast tussen zijn zelfbeeld en de werkelijkheid.

Flamencodanseres

Binnen de toeristenklasse kunnen twee soorten onderscheiden worden. De eerste soort verwacht van zijn vakantie een afgemeten dosis lijden, naast een confrontatie met het exotische. Omdat hij in het dagelijks leven met zijn hoofd werkt verlangt hij naar kwellingen die hem aan zijn lichamelijkheid herinneren en hem met zichzelf confronteren. Vaak reist deze toerist naar armoedige of onherbergzame gebieden om, na het nodige ongemak en onbegrip doorstaan te hebben, tot de conclusie te komen dat hij op een authentieke manier het echte leven aldaar heeft ervaren. De tweede soort toerist verwacht van de vakantie comfort, genot en de herkenning van het bekende in het onbekende: een flamencodanseres is welkom, mits er aardappelen op het menu staan.

Hoewel een toerist van de eerste soort vaak pretendeert dat hij geen toerist is, maakt hij net als alle toeristen deel uit van een industrie: hij consumeert ervaringen die authentiek lijken maar grotendeels geënsceneerd zijn. Wat is dan nog het verschil tussen een toerist op Mallorca en een toerist in Nepal? Alleen dit: ze worden op verschillende manieren bedrogen, de eerste openlijk, de tweede op een subtiele, verborgen manier. Wat de twee gemeen hebben, in toenemende mate, is hun houding: ze laten zich willens en wetens bedriegen, zonder dat hun plezier daardoor bedorven wordt. Deze nieuwe generatie-toerist bezit een ironisch bewustzijn van de industrie waar hij deel van is, zodat hij toch ook niet helemaal wordt opgeslokt. In plaats van naïef een toerist te zijn, begint hij zelf een toerist te spelen; hij gaat mee in het spel dat met hem gespeeld wordt. Hij negeert de lege blikjes die de avontuurlijke route vervuilen en geeft een aalmoes aan een bedelaar wiens gloednieuwe jeans onder zijn vodden uitsteekt.

Het verschil tussen een authentieke bedelaar en een bedelaar die voor de couleur locale is neergezet is niet altijd duidelijk. Ook het onderscheid tussen de oprechte en de gespeelde toerist is niet eenvoudig aan te geven: de houding van de eerste is evenzeer ingestudeerd als de pose van de laatste. Worden de conventies van het toerisme niet als een cultureel erfgoed van generatie op generatie doorgegeven? Ansichtkaarten, vakantiefolders, fotoboeken en reisverhalen hebben ons al geschoold in het zien en beleven voordat wij onze eerste reis gaan maken. Niet alleen de ervaringen die we aangeboden krijgen, ook de wijzen waarop we ervaren zijn voorgevormd.

Zo is veel wat natuurlijk lijkt uiteindelijk kunstmatig; precies zoals Des Esseintes het wilde. De natuur heeft met de weerzinwekkende uniformiteit van haar landschappen ons geduld uitgeput, vond de hertog; het wordt tijd dat de kunstmatigheid haar plek inneemt. Die tijd is al jaren geleden aangebroken. Het onderscheid dat Des Esseintes maakte, tussen de ‘verbeelding’ en de ‘vulgaire realiteit’, is niet langer zinvol: op toeristische plekken is de realiteit zodanig ingericht dat ze precies aan de verbeelding tegemoet komt. De strategie van de hertog is in onze tijd nog wel zinvol: wat kun je beter doen om aan de toeristenindustrie te ontsnappen dan gewoon thuis blijven? Het is ongetwijfeld een revolutionaire daad, niet op vakantie gaan, en zoals elke weigering om te consumeren zal ze in je omgeving tot ongeloof leiden. Het ongeloof dat je in je eigen kamer, in je eigen geest avonturen, kunt beleven die niet onderdoen voor een kanotocht over een snelstromende rivier.