Home De stem toont wie we werkelijk zijn

De stem toont wie we werkelijk zijn

De stem komt nauwelijks voor in de filosofie, schrijft Ira Pronk. Ze onderzoekt waarom. ‘De stem ontmaskert de mens als een kwetsbaar wezen.’

Door Ira Pronk op 23 september 2022

vrouw bed telefoon nachtlamp beeld Leonie Bos
filosofie magazine 10-2022
10-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Toen mijn vriend naar Londen verhuisde, vreesde ik het ergste. Maar wat ik van tevoren had voorgesteld als een moeilijke periode – ik zou ons dagelijkse samenzijn moeten missen – bleek later juist een magische tijd. Elke avond las mijn geliefde mij voor via de telefoon. Dankzij dit ritueel waren we telkens opnieuw in staat de honderden kilometers afstand tussen ons in te overbruggen.

De veranderende toon, het timbre, de korte stiltes – het luisteren deed in mij een hartstochtelijke én filosofische interesse in de stem ontwaken. Want wat is de stem eigenlijk? Hoe kan het dat zijn stem mij zo diep weet te raken, haast intiemer en intenser dan een streling? En waarom voelt het alsof zijn hele persoon in zijn stem besloten ligt.

Toen ik me tot de filosofie wendde om antwoorden te vinden op deze vragen, trof ik tot mijn verbazing een oorverdovende stilte. De stem komt nauwelijks voor in de filosofie, tot enkele hedendaagse denkers deze stilte doorbraken. Volgens de feministische filosoof Adriana Cavarero is dat niet zomaar: we hebben de stem doelbewust uit de filosofie verwijderd. De concrete, weerbarstige stem past niet bij het rationele, soevereine imago van de filosofie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Doof

‘De filosofie is slechthorend,’ vat Cavarero de geschiedenis van de filosofie samen. Ze stelt dat er nauwelijks aandacht is voor geluid in het algemeen en de stem in het bijzonder. Als de stem al voorkomt in de filosofie, dan is het bovendien vooral in metaforische zin: wanneer we stellen dat mensen – en tegenwoordig ook dieren en natuurlijke entiteiten – een stem hebben, bedoelen we vaak dat ze het recht hebben om gehoord te worden en onderdeel te zijn van de politieke gemeenschap. Van aandacht voor de concrete, fysieke stem is nauwelijks sprake.

In For More than One Voice (2005) beschrijft Cavarero hoe de stem uit de oorspronkelijk in hoge mate orale filosofische traditie is verdwenen. De filosofie is ‘logocentrisch’ geworden. Hiermee doelt ze op het feit dat we taal, denken en redelijkheid allemaal als een en hetzelfde zijn gaan zien. De oorsprong hiervan ligt volgens haar in het Griekse woord logos, dat zowel ‘taal’ als ‘rede’ betekent. Doordat we deze twee betekenissen aan elkaar gelijkstellen, zijn we de mogelijkheid verloren om taal los van de redelijkheid te denken. Dit gaat ten koste van de toch ook talige stem.

Om uit te leggen hoe dit is gekomen, gaat Cavarero terug naar Aristoteles. Volgens hem zijn mensen uniek omdat ze zowel over phonè, de stem, als over logos, de taal, beschikken. Dieren hebben slechts phonè, waardoor ze enkel gevoelens en affecten kunnen communiceren. Een dier kan dus wel angst en emoties uitdrukken, maar is volgens Aristoteles niet in staat betekenis te ervaren en te verwoorden. Phonè verliest het in zijn ogen altijd in helderheid van logos: wanneer onze communicatie affectief wordt, wordt deze namelijk ook onnauwkeurig. Logos verschaft die heldere betekenis wel: het is een phonè semantike, een stem die betekenis verleent.

We hakkelen, struikelen over onze woorden, vinden niet de juiste toon

Voor Aristoteles was het van groot belang om logos, het redelijke, en phonè, het affectieve, van elkaar te onderscheiden. Hij wilde namelijk de unieke positie van de mens – een dier dat tot betekenis in staat is – benadrukken. Tegelijkertijd blijft Aristoteles logos en phonè altijd in innig verband met elkaar zien. Als hij zijn bekende karakterisering van de mens geeft als ‘het rationele dier’, wil hij als het ware beide kanten van de mens laten zien: aan de ene kant zijn we net als dieren begiftigd met een stem en zijn we dus ook affectieve wezens, aan de andere kant zijn we uniek, omdat we ons dankzij onze logos op een betekenisvolle manier kunnen uitdrukken.

In de loop van de geschiedenis, stelt Cavarero, is ons denken steeds verder gedevocaliseerd. Juist omdat we de stem met het ‘inexacte’ van de taal associëren, en omdat de stem zelf geen drager van betekenis zou zijn, beschouwen we die als het ‘dode gewicht’ van de taal, dat ons streven naar heldere betekenis alleen maar in de weg zit. Het ultieme doel van de filosofie is volgens Cavarero een tijdloos en universeel denken, en dat is noodzakelijkerwijs een denken zonder stem. De ziel voert een ‘verstild gesprek met zichzelf’.

Gebrabbel

De filosofie vreest de stem omdat deze ‘lichamelijk, carnaal, zinnelijk en hartstochtelijk’ is, schrijft Cavarero. De filosofie ziet zichzelf graag als redelijk, soeverein en universeel. Het mensbeeld dat hierbij hoort is dat van een rationeel en onafhankelijk individu dat vrij kan contempleren. De mens dus als het rationele dier, met de nadruk op ‘rationeel’ – het dierlijke negeren we liever.

Wanneer we onze mond opendoen, is het echter al snel gedaan met deze soevereiniteit: we hakkelen, struikelen over onze woorden, vinden niet de juiste toon. Met de stem, schrijft de Franse filosoof Jean-Luc Nancy, creëren we altijd een onbedoeld surplus aan betekenis. Zodra we spreken wordt de betekenis van wat we zeggen vertroebeld of gecompliceerd door hoe we het zeggen. Dit weten we maar al te goed. Als we bijvoorbeeld een moeilijke boodschap moeten overbrengen, zijn we ons scherp bewust van de manier waarop we dit doen: een verspreking of een verkeerde toon zou de boodschap totaal kunnen ondergraven.

Voor Nancy is dit onbedoelde surplus overigens helemaal geen vervelend gegeven, maar een heel belangrijk deel van de taal. Naast de letterlijke betekenis van de woorden onderscheidt Nancy de zinnelijke, lichamelijke betekenis of ‘zin’, die we terugvinden in de stem. Dankzij ‘zin’ is taal veel meer dan een zakelijke betekenisoverdracht: taal beroert ons, kan ons raken. Maar die zinnelijke dimensie van de taal betekent ook dat de mens niet de laatste autoriteit is van betekenis: die ontsnapt ons voortdurend. In Stilte, geste, stem (2011) concludeert filosoof René ten Bos daarom dat de mens ‘het dier is dat geen betekenis kan vasthouden’.

Al ruim voordat we volzinnen kunnen uitspreken, kunnen we brabbelen, huilen en schreeuwen. En als we dementeren en de betekenissen van de woorden langzaam kwijtraken, vallen we weer op de affectieve kwaliteiten van de stem terug. Om deze reden stelt de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben dat de stem fundamenteel is voor ons bestaan en dat deze voorafgaat aan de taal. De stem vormt als het ware de begrenzing waarbinnen betekenis tot stand kan komen en zich kan afspelen. Er zijn volgens hem voortdurend grensovergangen, waarin we van de stem naar de taal bewegen en terug.

Door de stem als het meest wezenlijke van ons bestaan te zien, en dus niet de rede of de taal, verschijnt er een beeld van de mens als een enorm kwetsbaar wezen: voordat we redelijk zijn, zijn we al lichamelijk. Voordat we verstandig zijn, beschikken we al over gevoel. We zijn imperfect, voortdurend op weg naar betekenis.

Ontmaskering

Als de stem ergens de menselijke kwetsbaarheid toont, dan is het wel binnen het domein van de liefde. Wanneer we verliefd zijn stokt onze adem, willen we het uitschreeuwen van verrukking of komen we woorden tekort. Denk maar eens terug aan een voor jou dierbare stem. Misschien is het je moeder die je wijst op een taakje, een voicemail van een vriend of een liefdesliedje van je partner. Hoe klinkt deze stem? Wat valt je op?

Volgens Nancy blijken in de liefde de radicale openheid en afhankelijkheid van de mens. Terwijl wij onszelf wel kunnen voorhouden dat we autonome, onafhankelijke individuen zijn, toont de liefde ons als diep relationeel en afhankelijk. Liefde ontmaskert ons: we hebben geen geïsoleerd en vastomlijnd zelf, maar zijn altijd al innig verbonden en open. Wat de ervaring van liefde zo intens maakt, is volgens Nancy precies deze ontmaskering. We ervaren de liefde daarom volgens Nancy als een ‘beven op de rand van het zijn’.
Dikwijls vindt deze ontmaskering plaats door middel van de stem. De liefde, stelt Nancy, is niets meer dan de uitdrukking ervan: ‘De hele liefde zit in het feit dat je “ik hou van je” tegen iemand zegt.’ Door onze liefde voor de ander uit te spreken stellen we ons open voor de ander en drukken we onze betrokkenheid uit bij deze openheid.

De stem doorkruist ons leven, van het eerste schreeuwtje tot de laatste zucht

Ook de persoon die de stem van de ander hoort kan die ontmaskering ervaren. De stem is volgens Nancy een ‘eindeloze precisiteit’ van zinnelijke en lichamelijke betekenis. De stem van een ander kan ons daarom volgens Nancy op een haast fysieke manier aanraken, als een ‘streling’. Nancy laat zien wat ik bij het horen van de stem van mijn geliefde voelde: een diep, intiem en lichamelijk geraakt worden. Terwijl ik naar de stem van mijn vriend luisterde, werd ik ontmaskerd als rationeel individueel wezen en ervoer ik wat we als mens zijn: diep afhankelijk, open en relationeel.

De stem verbannen uit de filosofie vormde een poging om afstand te doen van de menselijke kwetsbaarheid. Maar dit blijkt tevergeefs. De stem doorkruist, kleurt en verrijkt ons leven – van het allereerste schreeuwtje tot aan de laatste zucht. De diepe zucht van je vermoeide moeder, je eigen trillende stem bij een emotionele ontboezeming, de liefkozende woordjes van je partner: wie luistert naar de stem, hoort een polyfonie van menselijke kwetsbaarheid.