Home Filosofie en literatuur De literaire zone: Svevo
Filosofie en literatuur

De literaire zone: Svevo

Door Paul Boon op 20 augustus 2008

07-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

De neef van schrijver Italo Svevo liet zich twee jaar lang door psychoanalytici behandelen, en was daarna ‘volstrekt gebroken’. Voer voor de eerste psychoanalytische roman.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het wordt wel de eerste psychoanalytische roman genoemd: Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo (pseudoniem van Ettore Schmitz, 1861-1928). De roman – gepubliceerd in 1923; tegen die tijd is Freuds therapie langzamerhand een bekend, zij het excentriek onderdeel van de geneeskunde – handelt over Zeno Cosini, een oude man uit Triëst, die op aandringen van zijn analyticus zijn levensgeschiedenis noteert. Zeno’s aantekeningen staan bol van de freudiaanse thema’s als seks, sterfelijkheid en het onderbewuste, maar Sigmund Freud is zeker niet de enige, laat staan de belangrijkste inspiratiebron voor Svevo. Een halve eeuw voor de Weense dokter wordt geboren, doet een ander al grondige voorstudie naar de verborgen dieptes van de mens – iemand die een veel diepere indruk maakt op Svevo: de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860).

Svevo baseert zich voor Bekentenissen van Zeno op een voorval in de familie: Svevo’s neef liet zich twee jaar lang door psychoanalytici behandelen in Wenen, en keerde ‘volstrekt gebroken’ terug. De hoofdpersoon van Bekentenissen, Zeno Cosini, is iets beter af. Hij is een oude burgerman die leeft van zijn erfenis en de handel in roerende goederen, en hij kan het roken niet laten. Zijn therapeut wil Cosini helpen om te stoppen, en vraagt hem (om het ‘genezingsproces’ te bespoedigen) de belangrijkste voorvallen uit zijn leven op te schrijven.

De moeizame relatie met zijn vader en zijn gebrek aan wilskracht vullen de eerste twee hoofdstukken; de hoofdstukken 3 en 4 gaan over zijn vergeefse poging de ravissante Ada te schaken, en over zijn verstandshuwelijk met de aartslelijke Augusta (Ada’s zus). In de laatste hoofdstukken groeit het verzet tegen de therapie: Zeno realiseert zich dat een gezinshoofd geen tijd heeft om altijd maar ‘ziek’ te zijn, en dat, als zijn Italiaans beter was geweest (hij is gewend aan het Triësts dialect), de psychoanalyticus hoogstwaarschijnlijk een andere diagnose zou stellen. Het boek eindigt met een uitgeputte Zeno die fel uitvaart tegen de freudiaanse psychologie, die ‘alle verschijnselen van deze wereld ondergeschikt [wil] maken aan zijn grootse theorie!’

‘Een groot man, onze Freud’, grapt Svevo in een brief aan een collega, ‘maar meer voor de romanschrijvers dan voor de zieken.’ Zijn neef werd nooit meer de oude, maar Svevo is door de publicatie van Bekentenissen in één klap beroemd, en wordt van een provinciaalse minor writer een gevierd Italiaans literator. Toch houdt Svevo een aversie tegen Freud. Hij leest diens werk (in Triëst, dat aan het begin van de twintigste eeuw nog in het Habsburgse Rijk ligt, zijn Freuds boeken gemakkelijk te verkrijgen), maar met ‘veel moeite’ en ‘werkelijke antipathie’. In de Bekentenissen geeft Svevo dan ook geen eerlijke weergave van de psychoanalyse, maar daar is het hem ook helemaal niet om te doen. Svevo voelt zich uiteindelijk veel meer aangesproken door het werk van aartspessimist Arthur Schopenhauer.

De mens is dubbel gestraft
Net als voor Svevo komt het succes voor Schopenhauer op latere leeftijd: pas als hij in 1851 doorbreekt met de kleine aforismenbundel Parerga & paralipomena kopen mensen ook zijn tweeëndertig jaar eerder verschenen hoofdwerk De wereld als wil en voorstelling (1819). Daarin zet Schopenhauer zijn wereldbeschouwing uiteen: de hele wereld, van mens tot rotsblok, die van plant en dier, is doortrokken van een irrationele, alomtegenwoordige ‘wil tot leven’. Deze destructieve wil richt al zijn energie op het voortbestaan van zichzelf en zijn soort. De mens wordt geboren, probeert ziekte en hongersnood te overleven, plant zich voort, en kwijnt dan langzaam weg, terwijl de wil zich volledig richt op een nieuwe generatie. Zeno’s leven is daarop bepaald geen uitzondering: familie en vrienden verliezen hun hele bezit, of overlijden aan vreselijke ziektes, of plegen zelfmoord; en te midden van dat lijden worden personages verliefd, worden kinderen verwekt, en forceert de wil het voortbestaan van de soort. Het hele leven, zo vat Zeno samen in een schopenhaueriaanse slagzin, is niets dan ‘verdriet en liefde’.

Mensen zijn in deze wereld dubbel gestraft: net als tulpen en poedels worden wij gedomineerd door de wil, maar wij leven in de illusie dat het anders kan. We nemen ons voor het goede te doen, om dan lijdzaam te moeten toekijken hoe de wil ons dwingt tot wangedrag. We proberen van karakter te veranderen, net als Zeno te ‘genezen’, maar blijven onverbeterlijke luiaards, dronkenlappen en kinderlokkers. Bij Zeno kun je ervan op aan dat wat hij zich voorneemt het tegenovergestelde is van wat hij zal doen. Zijn onvermogen het roken te laten is het minst schadelijke voorbeeld van de kloof tussen zijn zelfbeeld en zijn werkelijke natuur. Erger wordt het al met zijn pathologische neiging vreemd te gaan: terwijl Augusta, zijn toegewijde echtgenote, nota bene waakt aan het sterfbed van haar vader, fantaseert Zeno over ‘vrouwen die buiten op straat liepen, gekleed en wel, waardoor juist de secundaire geslachtskensmerken zo belangrijk werden’, en begint hij een affaire met de straatarme Carla. Maar het ergste is wel hoe hij zijn zwager Guido behandelt. Als Guido zichzelf financieel ruïneert, weet Zeno niets van speculeren – maar als Guido dood en begraven is (zijn zelfmoordpoging is een noodkreet die verkeerd afloopt, dankzij de handige tips van Zeno), wint Zeno Guido’s volledige verlies in een handomdraai terug.

Explosieve stof
Aan het einde van het boek ziet Zeno het lijden dat hij anderen heeft berokkend, maar hij weet ook dat hij niet veel anders kon. Dat hij er met gevoel voor humor over kan vertellen, maakt zijn leven ternauwernood draaglijk. Net als Schopenhauer meent Zeno dat verlossing van het aardse bestaan schier onmogelijk is. Denken dat zelfmoord een einde maakt aan het lijden is uiteindelijk een vergissing: de wil geeft helemaal niets om het individu, en brengt zo tien anderen in de wereld die allemaal net zo zullen lijden als jij. Volgens Schopenhauer is verlossing alleen bereikbaar door ascese, door het negeren van de wil; maar voor die strategie zijn de meeste mensen niet sterk genoeg.

Zeno, die net de Grote Oorlog heeft uitgezeten, ziet nog een andere uitweg. Met visionaire helderheid schrijft hij: ‘Als gifgassen niet meer voldoen zal een mens, van dezelfde makelij als alle anderen, in de beslotenheid van een kamer ergens op de wereld een stof uitvinden van zo’n verbijsterend explosieve kracht dat in vergelijking daarmee alle thans bestaande explosieven als onschuldig speelgoed kunnen worden beschouwd.’ Als die stof eenmaal tot ontploffing is gebracht, zal de aarde ‘door de ruimte zweven, vrij van parasieten [dus ook de mens, PB] en ziekten’.

Arthur Schopenhauer (1788-1860) – Svevo’s Bekentenissen van Zeno is sterk beïnvloed door Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling (1819). In dat boek verkent de Duitse filosoof onder andere de wérkelijke redenen achter al onze handelingen: ‘Het belang van de soort is oneindig superieur aan elk willekeurig belang van het individu, hoe zwaarwegend dit op zichzelf ook moge zijn. Alleen hiervoor moeten eer, plicht, en trouw wijken, nadat ze elke andere bezoeking, zelfs de dreiging van de dood, hebben weerstaan.’

Sigmund Freud (1856-1939) – Hoewel Svevo geen fan was van de psychoanalyse, oefenden Freuds inzichten veel invloed uit op de Bekentenissen van Zeno. Svevo erkende ook dat Freud een belangrijke bijdrage had geleverd aan de kennis van de menselijke ziel. Hij zag vooral veel in Freuds hypothese dat ons karakter niet alleen maar is aangeboren. Zo schreef hij in een brief uit 1928 aan Valerio Jahier (opgenomen in Autobiografisch profiel): ‘Als ik van mening ben dat Freud een groot meester is, is dat omdat ik meen dat hij aan onze ervaringen de benodigde importantie verleent.’