Home Avishai Margalit: ‘Andere mensen hebben ook wel eens gelijk’

Avishai Margalit: ‘Andere mensen hebben ook wel eens gelijk’

Door Anton de Wit op 10 december 2008

10-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Vroeger was hij verontwaardigd, niet bereid om een compromis te sluiten. Tegenwoordig – ouder en wijzer – verdedigt de Israëlische filosoof Avishai Margalit de waarde van de schikking. Al blijft er een uitgangspunt waarover hij weigert te onderhandelen: ‘Een mens mag niet vernederd worden, punt.’

‘Ik was soldaat in de oorlog van oktober 1973 tussen Israël en Egypte. Ik was gelegerd bij het Suezkanaal in de eenheid van Ariel Sharon, destijds commandant. In mijn ogen was dit een onrechtmatige oorlog. Dus tijdens een wapenstilstand richtte ik met een aantal vrienden een politieke partij op. De regering reageerde nerveus en vaardigde een decreet uit: iedere soldaat die zichzelf namens deze partij verkiesbaar had gesteld voor het parlement, moest het leger verlaten. We moesten maar onrust gaan stoken in de publieke arena.’

‘Voor ik het wist zat ik in een vliegtuig terug naar Israël. De eerste dag dat ik terugkwam in Jeruzalem kreeg ik een opdracht van mijn partij: ik moest een delegatie Amerikanen ontvangen en toespreken in een hotel. Ik was boos op de Israëlische regering en hield een bevlogen toespraak. Naderhand kwam een van de toehoorders naar me toe: Irving Howe, een van de grootste linkse intellectuelen uit de VS in die tijd. Hij zei: “Ik ben het helemaal eens met wat je zegt. Maar waarom richt je een politieke partij op, alleen maar om je gelijk te halen? Ik zie jou dezelfde fouten maken die ikzelf heb gemaakt.” Hij was zelf trotskist geweest, maar hij zag het trotskisme nu als een sektarische beweging, helemaal overtuigd van het eigen gelijk. “Sektarisme”, zei hij tegen mij, “is een ziekte, een geestelijke aandoening.” Hij raadde me aan om lid te worden van de Labour-partij en die van binnenuit te veranderen. Ik was het op dat moment niet met hem eens. Ik antwoordde: “Alleen een worm verandert de appel van binnenuit.” Maar ik moet toegeven: zijn woorden maakten indruk op me. Vanaf dat moment heeft het onderwerp sektarisme me niet meer losgelaten.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Sektarisme

Ouder en wijzer – hij geeft het zelf grif toe – diept Avishai Margalit deze anekdote op in de lobby van het Amsterdamse hotel waar hij verblijft. De Israëlische filosoof is in Nederland op uitnodiging van het Soeterbeeck Programma van de Radboud Universiteit Nijmegen, en zal later op de dag de Thomas More Lezing verzorgen, getiteld Sectarianism as a State of Mind. Precies 35 jaar na dato geeft hij daarin Irving Howe alsnog gelijk: sektarisme is inderdaad een geestelijke aandoening.

Deze aandoening komt, voor alle duidelijkheid, niet alleen voor bij leden van religieuze sektes. ‘Gelovig zijn helpt, maar hoeft niet’, aldus Margalit. ‘Het komt voor in de politiek, in de kunst, maar ook in het dagelijkse leven – in discussies en opvattingen. De sektarische geestestoestand is overal aanwezig. Wat jij maakt is troep, mijn opvatting is de beste. Wat wij doen is échte kunst, of de enige juiste filosofie. Ik noem in mijn lezing als treffend voorbeeld de onenigheid tussen Piet Mondriaan en Theo van Doesburg. Deze schilders waren ooit goede vrienden, maar kregen knallende ruzie toen de laatste begon te werken met diagonale lijnen in plaats van horizontale lijnen, waar Mondriaan bij zwoer. Voor een buitenstander is dit twistpunt maar een klein verschil, maar voor Mondriaan maakte het alle verschil van de wereld.’

‘Narcisme van de kleine verschillen’ noemt Margalit noemt dit, met een term van Sigmund Freud, en hij ziet dit als een belangrijk aspect van het sektarische denken. Het meest onbeduidende onderscheid in opvattingen wordt uitvergroot en tot splijtzwam gemaakt. Vandaar ook dat sektes zo vaak uiteenvallen in tal van splintergroeperingen die elkaar onderling te vuur en te zwaard bestrijden. ‘Zij splitsen liever de partij dan de rekening’, merkt hij op.

Met één oog kun je geen diepte zien

De weigering om compromissen te sluiten ziet Margalit als de voornaamste karaktertrek van de sektariër. ‘Een sekte ziet zichzelf als een kleine groep verlichte mensen die het gewicht van de hele wereld op hun schouders dragen. Hun wereldbeeld is sterk manicheïstisch: tussen goed en kwaad bestaat een haarscherpe scheiding, grijstinten bestaan niet. De wereld is corrupt, en zij zien het als hun opgave om het pure element daarbinnen zijn. De sektariër wil zich radicaal lossnijden van de samenleving. Ieder compromis ziet hij als een glijdende schaal naar de corruptie van de wereld.’

Hij benadrukt meteen: dit is een ideaaltypering, een manier van denken die bij de sektariër in extreme mate voorkomt, maar die zich niet beperkt tot louter sektes. Weliswaar beziet het sektarisme de wereld vanuit van een religieus perspectief – Margalit spreekt van ‘heiligheid’ – maar je komt het overal tegen. Wat bij deze ‘heiligheid’ in het oog springt, is de onwil om compromissen te sluiten.

Tegenover deze heiligheid staat het realisme of materialisme, of, zoals Margalit zegt: het economische perspectief. Vanuit dit perspectief is een compromis heel goed mogelijk: het ene goed laat zich tegen het andere uitruilen. Je ziet dat natuurlijk in de economie, maar ook dit perspectief strekt verder. In de politiek, bijvoorbeeld, zie je zowel dat ‘heilige’ – onwrikbaar vasthouden aan het eigen standpunt – als het ‘economische’: twee partijen die bereid zijn water bij de wijn doen.

Waar staat Margalit zelf? ‘We hebben béide houdingen nodig. Er zijn momenten waarop het denkbaar is dat je een offer moet brengen voor het hogere goed. Voor een Nederlander zal het absurd klinken, want Nederland leeft alweer zo lang in vrede. Maar in landen waar het bestaan onzeker is, is dat wel degelijk een houding om rekening mee te houden. Daar gebeuren dan ook dingen die je niet kunt verklaren met het economische model.’ Doelt hij op zijn eigen land, Israël? ‘Ja, absoluut. Mensen daar kunnen misschien misleid zijn, ze kunnen het bij het verkeerde eind hebben, ze kunnen valse idealen koesteren. Maar je kunt het gedrag van de Palestijnse zelfmoordterroristen of de Joodse kolonisten niet begrijpen vanuit enkel een economisch oogpunt. Met één oog kun je geen diepte zien. Ik wil de daden van deze mensen niet goedkeuren, integendeel. Ik wil maar zeggen: soms is het goed te begrijpen waarom mensen principieel zijn en geen compromis willen of kunnen sluiten.’

Pragmatisme en bescheidenheid

Je kunt volgens Margalit bijvoorbeeld geen compromissen sluiten als het gaat om de waardigheid van de mens. Een mens mag niet vernederd worden, punt (zie ook kader). Maar als het gaat om allerhande ideologische waarden en waarheden – het ‘heilige’ waar de sektariër geen compromis over wil sluiten –, pleit Margalit voor pragmatisme en bescheidenheid. Hij noemt dat een ‘agnostische houding’. ‘Sektariërs zeggen vaak dat alleen zij – omdat ze bijzonder zijn – toegang hebben tot een diepere waarheid of inzicht. Daar geloof ik niet in. Een agnost houdt zich op de oppervlakte en weet dat de waarheid zeer betrekkelijk is.’

Om dat uit te leggen tikt Margalit op het salontafeltje dat voor hem staat in de hotellobby. ‘De timmerman, zo veronderstellen velen, weet alles van dit tafeltje. Hij heeft het immers getimmerd. Dat noem ik de sektarische houding. Je kunt zo ook redeneren dat God wel alles van de wereld moet weten, omdat Hij de wereld geschapen heeft. Daarom heeft alleen diegene die Gods wetten volgt het bij het juiste eind. Alle anderen hebben er niks van begrepen: ze missen immers het juiste inzicht. Daar mag je dus geen compromissen mee sluiten.

Maar ook als je niet gelovig bent, kun je compromisloos zijn. Je gelooft dan weliswaar niet dat God de wereld heeft gemaakt, maar je kunt denken dat omdat mensen de wereld maken, zij die daarom ook helemaal kunnen begrijpen. Dat is een maakbaarheidscultus, die evengoed sektarisch is: we hebben alles in de hand, want we hebben een diep inzicht in hoe de wereld in elkaar steekt. Kijk nou naar economen. Die spreken vaak in termen die al even mystiek aandoen als religieuze begrippen, maar die in ieder geval moeten suggereren dat ze de zaak onder controle hebben. Maar als er dan een financiële crisis is uitgebroken, zie je dat niemand er eigenlijk iets van begrijpt. De agnost heeft daarentegen door dat de wereld te complex is, en is daarom terughoudend met uitspraken.’

Margalit verbindt die agnostische houding met de Joodse traditie. ‘Tegenover het verhaal van de timmerman die alles begrijpt staat de Joodse legende van de golem, het kleien schepsel dat door een rabbi tot leven werd gewekt. Hij begreep echter niet wat hij gemaakt had en had het schepsel dan ook niet in de hand. Ik denk dat wij het meeste van wat we maken niet begrijpen en niet in de hand hebben.’

Relativering van het eigen gelijk

Avishai Margalit is ouder en wijzer geworden. Hij is niet meer de linkse revolutionair die samen met zijn vrienden een intellectuele voorhoede dacht te vormen, zoals in de vroege jaren zeventig. Een ‘hartstochtelijk social-democraat’ noemt hij zichzelf nu, die compromis als het hart van de democratie ziet. En nu is híj degene die, zoals Irving Howe destijds, de jeugd dezelfde fouten ziet maken. Juist de jonge generatie Joodse kolonisten is steeds minder bereid tot compromissen met de Palestijnen en, waar andere Israëliërs dat wel zijn, steeds meer bereid tot burgeroorlog.

Is het sektarisme dan onuitroeibaar, een ingebakken menselijk tekort? ‘Dat geloof ik niet’, zegt Margalit. ‘Ik geloof niet in een abstractie als “de sektarische persoonlijkheid” alsof het een soort algemeen menselijke karaktertrek is. De sektarische mindset hangt erg af van de omstandigheden waarin je verkeert. Een mens kan op het ene moment sektarisch zijn en het andere moment niet meer. Bepaalde kenmerken van het sektarische denken – een verlangen naar puurheid, wij-zijdenken enzovoort – zijn misschien al te menselijk, maar de grote meerderheid van mensen zit toch niet in een sekte.’

En wel omdat er ook al te menselijke karaktertrekken zijn die zich verzetten tegen sektarisme: mildheid, verlangen naar veiligheid, medemenselijkheid, relativering van het eigen gelijk. Misschien zijn dat inderdaad dingen die met de jaren komen, zegt hij. ‘Ik merk het zelf ook: je wordt milder als je ouder wordt. Je ziet: ach, het is allemaal niet zo simpel als ik ooit dacht. Complexiteit is voor de sektariër de grootste bedreiging.’