Home Het kwaad Fragment Kant: wat is er zo erg aan liegen?
Het kwaad

Fragment Kant: wat is er zo erg aan liegen?

Door Immanuel Kant op 13 oktober 2025

de rug van een vrouw die liegt liegen
beeld Toa Heftiba/Unsplash
Filosofie Magazine 10 waar begint een begin
10-2025 Filosofie Magazine Lees het magazine
We zijn meestal niet al te streng voor een leugentje om bestwil. Onterecht, schrijft Immanuel Kant in de filosofische klassieker Metafysica van de zeden. ‘De leugen is het vernietigen van de menselijke waardigheid.’

De grootste schending van de plicht van de mens jegens zichzelf, louter als moreel wezen beschouwd (jegens het mens-zijn in zijn persoon) is het tegendeel van de waarachtigheid: de leugen. In de rechtsleer wordt een opzettelijke onwaarheid alleen een leugen genoemd als ze het recht van anderen schendt; maar het is al duidelijk dat elke opzettelijke onwaarheid bij het uiten van de eigen gedachten niet kan ontkomen aan deze harde benaming in de ethiek, waarin aan onschadelijkheid geen bevoegdheid wordt ontleend. Want de eerloosheid (een object van morele verachting zijn) die de leugen vergezelt, vergezelt ook de leugenaar als zijn schaduw.

De leugen is het vergooien en als het ware vernietigen van de menselijke waardigheid. Een mens die zelf niet gelooft wat hij tegen een ander zegt (ook al is dat louter een ideële persoon) heeft nog minder waarde dan als hij slechts een zaak was; want een zaak is iets wat werkelijk en gegeven is, zodat het als zodanig nuttig kan zijn en anderen er nog iets aan hebben. Maar als een spreker zijn gedachten aan iemand mededeelt door middel van woorden die (opzettelijk) het tegendeel bevatten van wat hij denkt, is er sprake van een doel dat direct tegengesteld is aan de natuurlijke doelmatigheid van zijn vermogen om zijn gedachten mee te delen en doet hij dus afstand van zijn persoonlijkheid; hij heeft dan uitsluitend het bedrieglijke voorkomen van een mens, maar is niet de mens zelf.

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

De mens als moreel wezen (homo noumenon) kan zichzelf als fysiek wezen (homo phaenomenon) niet gebruiken als louter middel (spraakmachine) dat zich niet aan zijn innerlijke doel (de mededeling van gedachten) hoeft te houden, maar is als fysiek wezen gebonden aan de voorwaarde dat hij met de verklaring van dat morele wezen overeenstemt en aldus verplicht is om waarachtig te zijn jegens zichzelf. – Waarachtigheid in uitspraken wordt ook eerlijkheid genoemd, en als die uitspraken tevens beloften zijn, spreekt men van betrouwbaarheid; in meer algemene zin noemt men waarachtigheid ook wel oprechtheid.

De leugen (in de ethische betekenis van het woord), de opzettelijke onwaarheid in algemene zin, hoeft niet schadelijk te zijn voor anderen om als verwerpelijk te kunnen worden gekwalificeerd; want dan zou ze een schending zijn van de rechten van anderen. Ze kan ook voortkomen uit louter lichtzinnigheid of zelfs uit goedhartigheid, en men kan er zelfs een goed doel mee voor ogen hebben. Toch is de manier waarop dat doel wordt bereikt louter door de vorm een misdrijf van de mens jegens zijn eigen persoon en een nietswaardigheid die de mens in zijn eigen ogen verachtelijk moet maken.

Er kan sprake zijn van een uiterlijke of van een innerlijke leugen. Met een uiterlijke leugen maakt de leugenaar zichzelf in de ogen van anderen tot voorwerp van verachting, maar met een innerlijke leugen maakt hij zichzelf in eigen ogen verachtelijk en schendt hij de waardigheid van het mens-zijn in zijn eigen persoon. Daarbij heeft de schade die andere mensen ervan kunnen ondervinden geen betrekking op het specifieke karakter van dit kwaad (want dat zou dan louter bestaan in de schending van de plicht jegens anderen), zodat die hier niet in aanmerking wordt genomen, en dat geldt ook voor de schade die de leugenaar zichzelf berokkent. Dan zou het immers enkel een prudentiële fout zijn; het zou alleen strijdig zijn met het pragmatische en niet met het morele maxime, en helemaal niet als schending van de plicht kunnen worden beschouwd.

Het valt gemakkelijk te bewijzen dat de mensen zich dikwijls schuldig maken aan innerlijke leugens, maar het lijkt moeilijker te verklaren hoe dat mogelijk is, omdat bij een leugen een tweede persoon nodig is die men om de tuin wil leiden, terwijl zichzelf opzettelijk bedriegen een tegenspraak lijkt te bevatten. – Waarachtig is een mens bijvoorbeeld wel als hij het geloof aan een toekomstige wereldrichter loochent terwijl hij dat geloof ook echt niet heeft, maar niet als hij zichzelf ervan overtuigt dat het niet kan schaden, maar wel kan baten om getuigenis af te leggen van zo’n geloof-in-gedachten aan een kenner van het hart om zo voor de zekerheid diens gunst door huichelarij te verwerven. En ook niet als hij niet twijfelt aan het bestaan van zo’n wereldrichter en zichzelf vleit met de gedachte dat hij innerlijk diens wet vereert, terwijl zijn enige drijfveer zijn vrees voor straf is.

Onbetrouwbaarheid is louter het ontbreken van gewetensvolheid in de mens, dat wil zeggen van de zuiverheid van zijn getuigenis voor zijn innerlijke rechter, die als een andere persoon wordt gedacht wanneer hij in zijn grootste gestrengheid wordt opgevat. Waar de mens uit eigenliefde een wens als daad opvat, omdat hij een doel voor ogen heeft dat op zichzelf genomen goed is, wordt de innerlijke leugen, hoewel die strijdig is met zijn plicht jegens zichzelf, hier als zwakheid betiteld, zoals de wens van een minnaar om zijn geliefde louter goede eigenschappen toe te kennen hem blind maakt voor haar duidelijke tekortkomingen. – Deze onzuiverheid in de verklaringen die men tegenover zichzelf aflegt, verdient het om ernstig te worden berispt, omdat het kwaad van de onwaarachtigheid zich vanuit zo’n rotte plek (die van de valsheid, die in de menselijke natuur geworteld lijkt te zijn) ook naar zijn omgang met andere mensen verspreidt, als eenmaal het hoogste principe van de waarachtigheid is geschonden.

Kan een onwaarheid uit louter hoffelijkheid (bijvoorbeeld het ‘zeer dienstwillige dienaar’ aan het einde van een brief) als leugen worden beschouwd? Niemand wordt er toch door bedrogen? – Een auteur vraagt een van zijn lezers: ‘Hoe bevalt mijn werk u?’ Daarop kan een schijnantwoord gegeven worden, door de draak te steken met de neteligheid van de vraag; maar wie heeft de kwinkslag altijd paraat? Zelfs de geringste aarzeling bij het antwoorden is al krenkend voor de auteur; moet die dus naar de mond worden gepraat?

Als ik iets onwaars zeg in ernstige kwesties waarbij het op het mijn en dijn aankomt, ben ik dan verantwoordelijk voor alle gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien? Een voorbeeld: een heer des huizes heeft zijn huisbediende opgedragen om te zeggen dat hij niet thuis is als een bepaald iemand naar hem vraagt. De huisbediende doet dat, maar stelt zijn heer daardoor in staat om te ontkomen en een grote misdaad te plegen, die anders verhinderd had kunnen worden door de wacht die op hem was afgestuurd. Wie is er in dit geval schuldig (volgens ethische principes)? Ongetwijfeld ook de huisbediende, die hier de plicht jegens zichzelf door een leugen schond, iets waarvan de gevolgen hem nu door zijn eigen geweten worden aangerekend.

Dit is een bewerkt fragment uit het hoofdstuk ‘De plicht van de mens jegens zichzelf, louter als moreel wezen’ uit deel 2 van Metafysica van de zeden van Immanuel Kant, dat op 25 november 2025 verschijnt bij Boom.

Metafysica van de zeden
Immanuel Kant
vert. Jabik Veenbaas en Willem Visser

Boom
304 blz.
€ 34,90

Loginmenu afsluiten